Een rondtrekkende vriend en dichter heeft iets zachts en liefdevols geschreven, het gaat zo:
Op de deuren van de nachtwinkels – op de huid van degenen die zich staande houden – op de schermen van onze elektronica – op de regendruppels die langs onze huid wegvloeiden toen we op een nacht bij elkaar waren gebleven om elkaar verhalen te vertellen: tederheid.
Je denkt aan hem vanwege de baarden. Hier vind je folkgroepen met baarden. Rockgroepen met baarden. Hipsters met baarden. Baarden met baarden. Geldt er hier soms een beard code? Om de een of andere reden herhaal je voor jezelf ineens het woord eclectisch. In een museum heb je meerdere keren de route langs de werken gelopen, maar dan in tegengestelde richting (vervolgens weer met de stroom mee, vervolgens weer tegen de stroom in), omdat je steeds weer terug wilde naar de lichtende zee. Daar hebben ze je uit getrokken om je op het toneel te zetten, en op het toneel heb je je gebruikelijke pitch uitgesproken. Het is het verhaal van een gast die zijn hand is verloren en hem terug wil vinden. Je leest een fragment voor, maar laten we bij de pitch blijven. De zaal moet erom lachen en vervolgens, meer dan twee uur later, zeg je ter verduidelijking en in een taal die parallel loopt aan de jouwe: it’s not a funny book, no. Actually it’s fucking sad. Iemand begint over Charles Bukowski, maar zijn naam wordt op zo’n manier uitgesproken dat de man vervormd raakt en niet langer de Bukowski is die jij kent. Vingers tikken de naam voor je op het scherm van een telefoon die ‘magisch’ wordt genoemd. Binnen enkele ogenblikken verandert de schaduw van Bukowski in iets anders, bijt hij tussen zijn baard op zijn nagels en staart hij je geheimzinnig aan, met nerveuze zenuwtrekjes bij zijn ellebogen en polsen. Alweer een baard. Iemand zegt: heeft hij last van dwangneuroses? Iemand zegt: tiny dicks. Ze vragen of je soms drugs hebt gebruikt. Dat soort vragen zijn altijd lastig te beantwoorden. Vervolgens hoor je António Lobo Antunes langzaam iets zeggen, terwijl hij zijn hoofd op zijn nek laat ronddraaien en in het zwarte goud van je ogen staart. Hij zegt, zonder wat voor baard dan ook en als verblind door de schijnwerpers: he asked me if I was a fag. Alleen, in zijn taal en met zijn accent en op zijn leeftijd zegt hij niet fag, maar fang. Hij vroeg of ik een tand was. Wat is dat nu voor gekke vraag? En je weet niet wat zijn antwoord was. Je weet alleen dat de Nederlandse gastronomie in het frituurvet lijkt te zwemmen. Er is dat ene dat op een paardenlul lijkt en iemand rookt het als een sigaar en steekt het aan en rookt ermee en die rook heeft geen baard. In werkelijkheid heeft die rook geen rook. Hij is daar, hij kronkelt over de traptreden van een opgeslokte tijd waarin jullie het over whisky hebben, terwijl jullie geen van beiden whiskydrinkers zijn. Whisky, je zoekt het op via de spellingcontrole van de telefoon, schrijf je als whisky. Die heeft geen baard, nee. Het komt en gaat in je glas terwijl de stilte over je vlakke huid gonst. Je loopt meerdere keren langs de werken om steeds weer uit te komen bij de lichtende zee. Loopt meerdere keren langs de lichtende zee voor je opgaat in het geweldige werk met de titel Three worlds. Meerdere keren langs Three worlds voor je Three worlds voelt. Uiteindelijk blijft alleen dat over. Tederheid. Over elkaar geschoven werelden. Baarden en vreemde woorden. En nog eens tederheid.