Theodor Emil Geer zit naast me in de bus naar Antwerpen. Hij draagt een blauwe cardigan en kijkt peinzend uit het raam. Een dichter! Voor de ramen: een kraan, de bovenste verdiepingen van het stadhuis, op deze zondag leeg tegen een helderblauwe hemel, en jawel, een vogel, direct van aan zee naar hier gevlogen. Nog één keer draait de bus rond het hotel en rijdt dan weg, de stad uit.
Elmiger: Theodor Geer, uw familienaam klinkt Nederlands.
Geer: Dat klopt. Maar nee, ik kom uit het land van de eedgenoten, missus!
Elmiger: Hoe voelt u zich hier in de Europese Unie?
Geer: O, erg goed. Mijn belangrijkste waardevolle voorwerpen heb ik sowieso thuisgelaten. En gisterenavond kreeg ik een kostelijk stuk taart voorgeschoteld, het leken wel honderd dunne laagjes.
Elmiger: Dus ook in het Europese buitenland is het leven best aangenaam.
Geer antwoordt niet en kijkt opnieuw ietwat weemoedig uit het raam van de bus. John Cooper Clarke en Mister Cutler trekken op de achterste rij juist hun laarzen uit, spannen een vloeitje over hun kammen en blazen een deuntje.
Elmiger: En Crossing Border? Wat vindt u ervan?
Geer: Wel, waar ik erg van geniet is de vroege ochtend boven het stadhuis. Verder van een song met de titel I Get Low, die speelde Timber Timbre in de Duitse Kerk. Ook erg roerend vond ik de vier jongemannen die gisterenavond laat bijna uitzinnig in een loge stonden te dansen, en de mooie stem van een jongedame die in een band zong die Ik ben eik heet, zo ongeveer. Ik –
Elmiger: Theodor Geer, spreekt u nu als dichter of als privépersoon?
Uit zijn rugzak trekt Geer een plastic tas die gevuld is met kleine stukjes taart. Buiten stroomt een rivier. Iemand vertelde me gisterenavond dat dit de laatste natuurlijke habitat van de grimmelvis zou zijn.
Geer: U heeft geluk dat die zo-even vermelde taart mij zo genadig stemt. Uw vraag getuigt immers van een zekere onwetendheid: die scheidingslijn tussen de wereld en de literatuur bestaat toch helemaal niet!
Elmiger: Maar mijn vraag was –
Geer: Alstublieft, mevrouw Elmiger. Ofwel laat u me nu uw vraag beantwoorden, ofwel moet ik u verzoeken mij in alle rust mijn taart op te laten eten. Wel dan. Genoten heb ik dus zoals gezegd van: deze taart, I Get Low, die heren uit de loge en de vrouw in de takken van de eik. Verder van de stilte in het kleine tuintje achter het taartbuffet, en van die pancakes voor dwergen die ze steeds bij het ontbijt serveren. Van grimmelvissen. Van de wirwar aan kabels die daar zo onbegrijpelijk ligt, zoals je je dat altijd voorstelt maar zelden zelf onder ogen krijgt, en die steeds verder door de gangen kronkelt, trap op trap af, de muren in, ja: in de kabels gonst er een zwerm bijen, toch? En ook: van de goede lucht in het Koorenhuis. Van een nachtelijke wandeling over het plein richting het blauwe hotel, met boven mij een satelliet: goedenacht, welterusten!
Ik hoop dat dit volstaat. Ik ben bekaf en het leven is kort. Mister Cutler trekt zijn laarzen al weer aan en daar, daar is Antwerpen, Mademoiselle.