Ik heb gisteren lang nagedacht over de tegenstelling tussen een literatuurfestival en een boekenbeurs, waarom je na een festival goedgehumeurd op het vliegtuig stapt en waarom je je na een boekenbeurs het liefst van kant zou maken. Ik houd van literatuurfestivals, maar ook van boekhandels en bibliotheken. Mijn moeder heeft me met boeken volgestopt – ze waren voedsel en het fundament van mijn opvoeding: toen ik negen was, gaf ze me Feuchtwanger, op mijn tiende Balzac en Hašek, later Kafka en Zweig. Feuchtwanger nam in ons huishouden de plaats in van religieuze opvoeding en ik vrees dat ik van Stefan Zweigs Brief van een onbekende te veel heb geleerd over liefdesrelaties. Vanochtend stapte ik samen met de legende Abraham B. Jehoshua op de bus naar het vliegveld en ik kon mijn geluk totaal niet vatten. Naast hem zitten was surreëel. Met hem praten nog meer.
Maar boekenbeurzen zijn een ding op zich. Mijn stelling is dat het daar volstrekt niet om literatuur gaat, tenminste niet op de grootste beurs in Frankfurt. Er wordt onderhandeld over verkooprechten aan het buitenland, er worden prijzen uitgedeeld en nieuwe trends gezet. Agenten en uitgevers fluisteren je telkens weer toe dat dit voor auteurs beslist de verkeerde plaats is. Ik ben bang dat ze niet helemaal ongelijk hebben. In Frankfurt gaat het vooral om zakendoen, en dat gaat niet met bellettrie.
Boekenbeurzen zijn ongezond, vermoeiend en uiterst geschikt om te consumeren. Je maakt er geen kennis met literatuur, al de lezingen vinden terloops plaats. Het concentratievermogen van de toeschouwers bedraagt zelden meer dan tien minuten. Toch is een beurs net als een festival ook zoiets als een grote avonturenspeeltuin met trekjes van een schoolreisje. Elk jaar opnieuw ontmoet je mensen uit de hele wereld, buitenlandse uitgevers, agenten, boekhandelaars en journalisten. In de gangen spreek je af om koffie te drinken of om samen naar een van de talrijke recepties of feestjes te gaan. Tegen het eind van de beurs worden de nachten steeds korter, de kringen onder je ogen donkerder en jijzelf steeds meliger. De traditionele joodse afscheidsformule op het eind van de Pesach-seder luidt: ‘Volgend jaar in Jeruzalem’ – op de Buchmesse kun je er tamelijk zeker van zijn dat je elkaar ook volgend jaar weer zult ontmoeten.
Een erg Duits detail is bovendien het overschot aan Manga-kinderen – zowel in Frankfurt als op de Leipziger Buchmesse schuifelen rijen jongeren in zelfgenaaide Manga-kostuums door de smalle gangen. Toegegeven, hun aanblik is soms grotesk, de beste situaties ontstaan, zoals zo vaak, in de rijen voor de damestoiletten – mollige tieners beschilderen hun lichaam met blauwe verf, brengen hun hobbit-oren en plastic staarten weer in orde naast slanke, oudere dames, die lippenstift van Chanel op hun lippen smeren en de jeugd proberen te betrekken bij filosofische gesprekken over fantasy. Wat zij op de boekenbeurs doen, kan ik helaas niet verklaren: vroeger kwam ieder verkleed persoon gratis binnen, dat haalde de gemiddelde leeftijd in de statistieken omlaag.
Het was een geweldig festival en ik zou al de mensen willen bedanken die deze ervaring mogelijk hebben gemaakt en mijn teksten dag na dag prachtig hebben vertaald.