In de trein naar Amsterdam voel ik me lauw en platgeslagen als een blikje cola dat de hele dag geopend buiten de koelkast heeft gestaan. De lucht buiten is dun, waterig blauw. Condenssporen geven kruislings de baan van verschillende vliegtuigen aan. Ik heb een gigantische kater en kramp maar geen medelijden met wat ik zelf teweeg heb gebracht. Lichaam, hart en hersenen worden het maar niet eens. Haar en ziel zitten in de knoop. Eerder vandaag begon ik na het inpakken van mijn koffer meteen mijn hotelkamer te missen. Het was heerlijk om een paar dagen vertroeteld te worden, terug te komen in een opgeruimde kamer met verschoond bed. Mijn diepe en droomloze slaap werd alleen onderbroken door het geluid van een stofzuiger op de gang.
Dit jaar ben ik op de papieren vleugels van mijn roman Ponti naar ongeveer twaalf literaire festivals en vijf verschillende landen gevlogen. De afgelopen zeven maanden heb ik op ongeveer veertig evenementen gesproken en soms voel ik me een oude rot, balanceer ik op het randje van nonchalance. Op andere dagen sta ik met mijn mond vol tanden en voel ik me saai, een groentje. Het is lastig om niet in herhaling te vervallen of steeds hetzelfde riedeltje af te steken. Ik zie mensen graag lachen. Ik probeer niet te denken dat een glazige blik betekent dat er kritisch over me wordt gedacht.
De belangrijkste levensles die ik heb geleerd kwam van mijn scheikundedocent op de middelbare school, mevrouw Goh. Ze onderschepte de liefdesbrief van een meisje dat Melissa heette. Iedereen was bang voor mevrouw Goh, maar eigenlijk was ze ontzettend vriendelijk. Ze bespaarde Melissa het vernederende voorlezen van de brief. In plaats daarvan hield ze hem in de lucht en waarschuwde ze ons. Ze zei: ‘Verdoe je tijd niet met jongens. Niet denken dat anderen extra aandacht aan jou besteden, want iedereen is veel te druk bezig met zichzelf, met gepieker over iets in hun eigen leven, een rekening die moet worden betaald of een boodschap die moet worden gedaan.’
Wat dat advies te maken had met de liefdesbrief weet ik niet meer. Maar de strekking vind ik geruststellend: niemand heeft het op je gemunt. We hebben allemaal de handen vol aan onszelf en ons eigen hachje. Daarom vind ik het niet erg om ergens te spreken. Het is ook weer geen passie, maar wel iets wat ik met enig plezier over me heen laat komen.
Alleen door zulke optredens heb ik na publicatie nog invloed op het leven van mijn boek. Als kind stuurde mijn moeder me naar voordrachts- en toneelles. Pas nu ik volwassen ben kan ik genieten van hoe absurd het eigenlijk is om hyperactieve kinderen een uur lang aan te moedigen dingen overdreven uit te spreken. Er is al veel gezegd over de tegenstelling tussen enerzijds de intens persoonlijke en afgezonderde aard van het schrijfproces en anderzijds het openbare aspect van de promotie van een roman. Dat je keer op keer wordt gevraagd samen te vatten, je nader te verklaren en het verhaal, de thema’s, personages enzovoort, uiteen te zetten. Ik leef mee met schrijvers die erg nerveus worden van voorlezen in het openbaar en in het middelpunt van de belangstelling staan. Voor mij zijn de optredens tot nu toe denk ik een van de minst enge aspecten van het publicatieproces. Het engste is het gevoel kwetsbaar, ontbloot en een talentloze oplichter te zijn. Het op een na engste is dat je op een gegeven moment niet meer kunt inschatten of je eigen werk een beetje goed is.
Op de eerste dag van het festival gaf een vrouw ons een rondleiding door het theater. Ze vertelde dat de zwarte muren met gaten aangaven dat je backstage was en dat de witte geperforeerde muren frontstage betekenden. Het was een nogal ingewikkeld gebouw vol lange gangen en zware deuren. Industriële koelkasten met bruine flesjes bier. De tafels boven leken op die van een schoolkantine, lang en van hout. Daar zat ik gisteravond nog met een onbestemd gevoel van stress een boterham met chocopasta te eten, maar dat lijkt een eeuwigheid geleden.