Iannis Goerlandt
Keep the bloody racket down
DOOR Dorothee Elmiger
29-11-2010

keep the bloody racket down

the bloody train is bloody late
you bloody wait you bloody wait
you’re bloody lost and bloody found
stuck in fucking chickentown
(John Cooper Clarke, Evidently Chickentown)

 

De laatste dagen heb ik vaak gedacht aan John Cooper Clarke en zijn kapsel. Dat klinkt misschien vreemd en grappig, maar ik bedoel het heel serieus.

‘s Avonds na mijn vertrek uit Antwerpen stond ik op een zeker moment aan het station van Appenzell, ver weg in het oosten van Zwitserland, er lag sneeuw en het was al bijna helemaal donker, bovendien was het erg stil. Op die plek herinnerde ik me een haast verloren gevoel, het had met het station in dit kleine dorp uit mijn kinderjaren te maken, met de verwachting waarvoor de treinen stonden, dat ze mij ergens heen zouden brengen, weg weg weg, waar er mensen zouden zijn en er van alles gebeurde, het had te maken met een gevoel van onrust en met het idee dat er niet ver van hier mogelijk vele dingen anders waren.

Sinds ik daar niet meer woon, maar ergens anders, bekruipt dit gevoel me steeds minder vaak, hoewel het onontbeerlijk is: het betekent een ontevredenheid met de werkelijkheid, het is een luide aanklacht tegen orde en rust, zoals die van John Cooper Clarke: the bloody neighbors bloody moan/keep the bloody racket down/this is bloody chicken town.

Sinds Evidently Chickentown uit 1980 is John Cooper Clarke ouder geworden, pas in die tussentijd ben ikzelf geboren, en toch herkende ik hem direct: in Den Haag zag ik hem een keer aan een tafel zitten, in zijn hand hield hij een vork. Een keer zag ik hem op een podium staan, zijn gedichten droeg hij in een plastic tas, genoteerd op losse fiches. Een keer zag ik hem op de rand van het podium zitten, hij had zijn benen over elkaar geslagen en knikte mee in de maat. Ik had hem direct herkend door zijn haar, tumultueus was het, het stond in alle windrichtingen. Totaal onmogelijk dat het dat vanzelf doet, dat haar, dacht ik, en die gedachte beviel me werkelijk bijzonder goed: John Cooper Clarke die elke dag opstaat en op zijn hoofd deze chaos aanricht, deze aanklacht tegen de orde of de werkelijkheid, en dat hij dit al zo lang doet, steevast, ontelbare jaren al en nog altijd, deze John Cooper Clarke. Het lijkt alsof hij tot op de dag van vandaag heeft geweigerd zich over te geven aan de orde en in te trekken wat hij lang geleden heeft gedacht: hij is er nog.

Drie dagen geleden stond ik ‘s nachts aan een toog; er was een feest geweest om iets tegenover de orde te plaatsen of beter: tegen de angst voor de wanorde die in Zwitserland om zich heen grijpt, die suf en vals maakt en zich altijd tegen die mensen keert die men zelf schijnbaar niet is. Het was al laat, de muziek was zachter gezet, binnen stonden maar een paar mensen meer en ik wachtte op de eerste trein, terug naar Chickentown. Misschien, dacht ik terwijl ik daar zo stond, kon zo’n kapsel je er omgekeerd ook voor behoeden tot de orde te vervallen, maar helemaal zeker was ik niet.

In elk geval hoorde ik die avond, er zat nog maar een slok whisky in mijn glas en mijn trein zou er gauw zijn, ten slotte zijn stem door de luidsprekers: O!, dacht ik, John Cooper Clarke is er ook nog.

Alle vertalingen van Iannis Goerlandt
Keep the bloody racket down
29-11-10

keep the bloody racket down

the bloody train is bloody late
you bloody wait you bloody wait
you’re bloody lost and bloody found
stuck in fucking chickentown
(John Cooper Clarke, Evidently Chickentown)

 

De laatste dagen heb ik vaak gedacht aan John Cooper Clarke en zijn kapsel. Dat klinkt misschien vreemd en grappig, maar ik bedoel het heel serieus.

‘s Avonds na mijn vertrek uit Antwerpen stond ik op een zeker moment aan het station van Appenzell, ver weg in het oosten van Zwitserland, er lag sneeuw en het was al bijna helemaal donker, bovendien was het erg stil. Op die plek herinnerde ik me een haast verloren gevoel, het had met het station in dit kleine dorp uit mijn kinderjaren te maken, met de verwachting waarvoor de treinen stonden, dat ze mij ergens heen zouden brengen, weg weg weg, waar er mensen zouden zijn en er van alles gebeurde, het had te maken met een gevoel van onrust en met het idee dat er niet ver van hier mogelijk vele dingen anders waren.

Sinds ik daar niet meer woon, maar ergens anders, bekruipt dit gevoel me steeds minder vaak, hoewel het onontbeerlijk is: het betekent een ontevredenheid met de werkelijkheid, het is een luide aanklacht tegen orde en rust, zoals die van John Cooper Clarke: the bloody neighbors bloody moan/keep the bloody racket down/this is bloody chicken town.

Sinds Evidently Chickentown uit 1980 is John Cooper Clarke ouder geworden, pas in die tussentijd ben ikzelf geboren, en toch herkende ik hem direct: in Den Haag zag ik hem een keer aan een tafel zitten, in zijn hand hield hij een vork. Een keer zag ik hem op een podium staan, zijn gedichten droeg hij in een plastic tas, genoteerd op losse fiches. Een keer zag ik hem op de rand van het podium zitten, hij had zijn benen over elkaar geslagen en knikte mee in de maat. Ik had hem direct herkend door zijn haar, tumultueus was het, het stond in alle windrichtingen. Totaal onmogelijk dat het dat vanzelf doet, dat haar, dacht ik, en die gedachte beviel me werkelijk bijzonder goed: John Cooper Clarke die elke dag opstaat en op zijn hoofd deze chaos aanricht, deze aanklacht tegen de orde of de werkelijkheid, en dat hij dit al zo lang doet, steevast, ontelbare jaren al en nog altijd, deze John Cooper Clarke. Het lijkt alsof hij tot op de dag van vandaag heeft geweigerd zich over te geven aan de orde en in te trekken wat hij lang geleden heeft gedacht: hij is er nog.

Drie dagen geleden stond ik ‘s nachts aan een toog; er was een feest geweest om iets tegenover de orde te plaatsen of beter: tegen de angst voor de wanorde die in Zwitserland om zich heen grijpt, die suf en vals maakt en zich altijd tegen die mensen keert die men zelf schijnbaar niet is. Het was al laat, de muziek was zachter gezet, binnen stonden maar een paar mensen meer en ik wachtte op de eerste trein, terug naar Chickentown. Misschien, dacht ik terwijl ik daar zo stond, kon zo’n kapsel je er omgekeerd ook voor behoeden tot de orde te vervallen, maar helemaal zeker was ik niet.

In elk geval hoorde ik die avond, er zat nog maar een slok whisky in mijn glas en mijn trein zou er gauw zijn, ten slotte zijn stem door de luidsprekers: O!, dacht ik, John Cooper Clarke is er ook nog.

Interview met een dichter
20-11-10

Theodor Emil Geer zit naast me in de bus naar Antwerpen. Hij draagt een blauwe cardigan en kijkt peinzend uit het raam. Een dichter! Voor de ramen: een kraan, de bovenste verdiepingen van het stadhuis, op deze zondag leeg tegen een helderblauwe hemel, en jawel, een vogel, direct van aan zee naar hier gevlogen. Nog één keer draait de bus rond het hotel en rijdt dan weg, de stad uit.

Elmiger: Theodor Geer, uw familienaam klinkt Nederlands.
Geer: Dat klopt. Maar nee, ik kom uit het land van de eedgenoten, missus!
Elmiger: Hoe voelt u zich hier in de Europese Unie?
Geer: O, erg goed. Mijn belangrijkste waardevolle voorwerpen heb ik sowieso thuisgelaten. En gisterenavond kreeg ik een kostelijk stuk taart voorgeschoteld, het leken wel honderd dunne laagjes.
Elmiger: Dus ook in het Europese buitenland is het leven best aangenaam.

Geer antwoordt niet en kijkt opnieuw ietwat weemoedig uit het raam van de bus. John Cooper Clarke en Mister Cutler trekken op de achterste rij juist hun laarzen uit, spannen een vloeitje over hun kammen en blazen een deuntje.

Elmiger: En Crossing Border? Wat vindt u ervan?
Geer: Wel, waar ik erg van geniet is de vroege ochtend boven het stadhuis. Verder van een song met de titel I Get Low, die speelde Timber Timbre in de Duitse Kerk. Ook erg roerend vond ik de vier jongemannen die gisterenavond laat bijna uitzinnig in een loge stonden te dansen, en de mooie stem van een jongedame die in een band zong die Ik ben eik heet, zo ongeveer. Ik –
Elmiger: Theodor Geer, spreekt u nu als dichter of als privépersoon?

Uit zijn rugzak trekt Geer een plastic tas die gevuld is met kleine stukjes taart. Buiten stroomt een rivier. Iemand vertelde me gisterenavond dat dit de laatste natuurlijke habitat van de grimmelvis zou zijn.

Geer: U heeft geluk dat die zo-even vermelde taart mij zo genadig stemt. Uw vraag getuigt immers van een zekere onwetendheid: die scheidingslijn tussen de wereld en de literatuur bestaat toch helemaal niet!
Elmiger: Maar mijn vraag was –
Geer: Alstublieft, mevrouw Elmiger. Ofwel laat u me nu uw vraag beantwoorden, ofwel moet ik u verzoeken mij in alle rust mijn taart op te laten eten. Wel dan. Genoten heb ik dus zoals gezegd van: deze taart, I Get Low, die heren uit de loge en de vrouw in de takken van de eik. Verder van de stilte in het kleine tuintje achter het taartbuffet, en van die pancakes voor dwergen die ze steeds bij het ontbijt serveren. Van grimmelvissen. Van de wirwar aan kabels die daar zo onbegrijpelijk ligt, zoals je je dat altijd voorstelt maar zelden zelf onder ogen krijgt, en die steeds verder door de gangen kronkelt, trap op trap af, de muren in, ja: in de kabels gonst er een zwerm bijen, toch? En ook: van de goede lucht in het Koorenhuis. Van een nachtelijke wandeling over het plein richting het blauwe hotel, met boven mij een satelliet: goedenacht, welterusten!
Ik hoop dat dit volstaat. Ik ben bekaf en het leven is kort. Mister Cutler trekt zijn laarzen al weer aan en daar, daar is Antwerpen, Mademoiselle.

Altamont
20-11-10

Laatst in augustus lag ik met koorts in bed. Voor het raam floten de vogels gedurig klaarwakker en schril, zo leek het. Op een van die koortsige dagen zag ik Gimme Shelter, de documentaire over het ofptreden van de Rolling Stones bij de Altamont Speedway: het is december 1969 en de mensen komen uit alle windrichtingen aan in het noorden van Californië, te voet en met bussen, ze dragen dekens over hun schouders, plunjezakken en brandhout, ze nemen plaats op de heuvel en wachten, en na een poos komen de Rolling Stones het podium op. Aan de zijkanten ervan staan er Hells Angels: zij moeten de veiligheid garanderen – met een ontzettende lach rolt een van hen totaal gestoord met zijn ogen, ik zie het nog voor me, een bad trip. Het optreden eindigt wanneer een jongeman in een lichtgroen pak door Alan Passaro, Hells Angel, met een lang mes wordt neergestoken, terwijl de band net Under My Thumb aan het spelen is. In mijn koortsige toestand was ik er daarna helemaal ondersteboven van, van dat waanzinnige concert, gevaarlijk en wild en vooral zonder duidelijk stramien, een ongeregeld tumult tussen schraal begroeide woestijnheuvels.

Gisteren zat aan een tafeltje in de Koninklijke Schouwburg Sam Cutler, in 1969 de tourmanager van de Rolling Stones. Hij heeft een boek uit over toen, over die periode. Hij draagt zware ringen aan zijn hand en het verwondert me dat deze Sam Cutler daar zo levendig op dat podium zit te vertellen en toch ook al in 1969 levendig heeft meegemaakt wat voor mij als te laat geborene al verre geschiedenis is.

Aan Altamont moet ik ook later op de avond af en toe denken, moet ik sowieso vaak denken als ik in concertzalen sta. Soms maken ze me woest of misschien gewoon moe, die concertzalen en de ermee verbonden rituelen die elke keer weer worden gereproduceerd – van het binnenkomen van de ruimte tot en met het laatste applaus – elke keer opnieuw uitgevoerd, geënsceneerd misschien: als een groot spektakel. Soms zou ik willen dat de choreografie van de spots een ogenblik stopt, dat er iets onverwachts gebeurt (ik herinner me Scout Niblett, die het podium eens na vier songs alweer verliet), dat het publiek een paar stoelen kapotslaat of minstens toch eens kort aarzelt voor het volgende applaus, dat een vermetele het podium op klautert en iets in de microfoon roept.

Het concert bij de Altamont Speedway is daarvoor misschien een slecht voorbeeld. De Hells Angels met hun aangepunte biljartkeus, hun in zichzelf gekeerde gezichten, dan die wijd opengesperde ogen, die tomeloze chaos joeg mij die dag in m’n zomerse sluimering angst aan. Toch zijn voor mij vandaag vaak dat de dierbaarste ogenblikken, wanneer het perfecte spektakel verstoord wordt, voor een korte tijd onderbroken – zoals het ook in het theater net dan het spannendst is als ik niet zeker ben of een actrice nu haar rol speelt of zichzelf als de souffleur een woord de stille ruimte in fluistert. Een kleine struikeling in de enscenering zo nu en dan.

Toen ik gisterenavond dus piekerend naar het hotel slenterde, denkend aan Altamont en aan Scout Niblett, aan Sam Cutler en de Hells Angels, aan het jaar 1969 en het jaar 2010, aan de mooie optredens van die avond, toen ik nadacht over het grote aantal mogelijke combinaties van de witte, rode en gele spots en over hoe die geritualiseerde handelingen in directe relatie staan met de menselijke behoefte aan zekerheid (ja, zo laat ‘s nachts was ik zeer filosofisch te moede!), dacht ik ook dat het beste moment van de avond misschien was toen Jesse Malin & The St. Marks Social hun instrumenten stemden, af en toe een paar woorden in de microfoons brulden en een, twee keer op de drums hieuwen bij wijze van soundcheck, tsjak tsjak tsjak. Hun kapsels waren op een bepaalde manier best cool en eigenlijk waren ze op en top cool, met hun opgezette kragen en zo. Een kleine show vóór de show was het, een toevallige, ongeplande, en ieder van hen gaf het beste van zichzelf. Het was erg eenvoudig geweest mijn stoute schoenen aan te trekken, het podium op te klauteren en iets in de microfoon te roepen, ik was mijn jas al uit en had mijn mouwen opgestroopt, maar het moment was al voorbij.

Spechtje en grimmelvis
19-11-10

Om zeven uur ‘s ochtends is het er ineens, dat geluid in de verwarming van mijn hotelkamer. Geen onbekend geluid, nee: eerst een getik dat steeds sneller wordt, alsof een dol spechtje erop los aan het pikken is, daarna murmelend water – ik geloof dat er vlak aan mijn bed een riviertje voorbij stroomt!

Gisterenavond, we zaten in Bodega De Posthoorn rijst en grimmelvis te eten, zei vertaalster Ina Rilke dat wanneer ze een gedicht vertaalt ze daarbij vooral ook over de geluiden moest nadenken die een gedicht maakt. Ik herinner me niet meer welk woord ze op dat moment precies gebruikte – geluid kan het niet geweest zijn, geluid was enkel de vertaling in mijn hoofd toen ik daar op die grimmelvis zat te broeden.

Vanochtend met het gorgelende riviertje naast mijn bed bevalt me de gedachte om de woorden zelf als geluiden op te vatten. De onbekende woorden in een vreemde taal uit de monden aan tafel in Bodega De Posthoorn zijn in mijn oren vooral klanken, tonen en ritmes zonder manifeste betekenis. Toch lijken ze me niet zinneloos of onzinnig, één keer lach ik per ongeluk mee wanneer plots iedereen lacht: het ritme en het tempo van de voorafgaande geluiden had me daar al op voorbereid. Het is goed, denk ik daar in de bodega, om de drang alles te moeten verstaan eens thuis te laten: daar kan hij wachten en mij uitvragen wanneer ik ‘s avonds laat thuiskom: grimmelvis? Ja, grimmelvis!, knik ik vol overtuiging, hoewel het woord grimmelvis natuurlijk mijn heel persoonlijke vertaling is van een klein geluid dat een serveerster me van over de grote tafel toeriep.

Als zinnen, woorden, vreemde woorden dus geluiden zijn – geluiden niet zonder betekenis, nee: muzikaal gegons, zinvol gebrom – dan wordt een paar ogenblikken lang ook de spanning tussen het talige en het niet-talige opgeheven, wordt de wereld tekst: het oortje van de securitydame die me op de luchthaven met een bordje opwacht, het oortje dat zachtjes recht haar hoofd in fluistert. Het navigatiesysteem dat op de autosnelweg steeds opnieuw Nederlandse woorden voor zich uit prevelt terwijl ik op de achterbank een hoestaanval krijg, mijn hoesten, het keffen van een vos, het navigatiesysteem, het fluisterende oortje van de dame. Het ontbrekende geluid van de zeven koeien aan de rand van de baan op weg van Schiphol naar Den Haag, de ganzen die ook schijnbaar geluidloos op een vlak veld rondwaggelen: wij weten wel dat ze gakken! Het knippen van het kniptoestel op de tram, natuurlijk ook de geluiden van de stad en dat van de wind in de straat voor het huis van Louis Couperus. De geluiden in Bodega De Posthoorn. De posthoorn die hoornt! De grimmelvis die zucht op mijn bord! En later: ‘s avonds de paar geluiden tussen de songs van Rufus Wainwright, één keer wat kuchen, een eenzame opklappende zetel, dan weer de piano. De eerste aangeslagen toets: een geluid dat zich vervolgens in de samenhang van de muziek begeeft.

En nu? Nog altijd hamert dat gekke spechtje in de verwarming. Bij wijze van test tik ik eens terug met mijn knokkel, maar Spechtje laat zich niet van de wijs brengen. Doe wat je wil, specht!, denk ik, en duik voorover het riviertje in. Misschien zwemt daar nog een grimmelvis.

Vlakten oversteken, grenzen overschrijden
10-11-10

I am in Tucson, Arizona, on the border, schrijft een vriendin. Ik ben in Bremen, schrijf ik, voor het raam sinds de vroege ochtend slechts grauw schemerlicht; het is niet ver naar de zee, en niet veel meer dan honderd kilometer liggen er tussen deze stad en de dichtste grens.

Je hebt gelijk, het is tijd om de lampen te monteren, schrijft een vriend uit Zwitserland. Hij heeft het over de winter die voor de deur staat, maar ook over iets anders: over grenzen overschrijden, vlakten oversteken, over het voorgestelde referendum van de rechtse Zwitserse Volkspartij, die migranten voortaan nog ongecompliceerder het land uit wil zetten.

In de krant een commentaarstuk van een Nederlandse socioloog over Geert Wilders en zijn vrienden, over grenzen en willekeur.

En mijn vriendin in Tucson, die is soms urenlang in de woestijn onderweg, op zoek naar hen die op weg van Mexico naar Arizona bij het overschrijden van de grenzen verdwenen zijn.

Hier in Zwitserland heeft het debat opnieuw een scherpe, maar gevoelsmatig nog steeds somnambule wending genomen, in de zin dat intussen een meerderheid lijkt te geloven dat dat onderscheid tussen Zwitsers en buitenlanders effectief bestaat, en wel voor het leven, schrijft mijn vriend uit Zwitserland, en mensenrechtenactiviste Anni Lanz schrijft over migratie als een vorm van weerstand van de armen tegen ongelijke machts- en bezitsverhoudingen, ze heeft het over een oorlog tegen de armen, en ik schrik ervan hoe ik hier tegenover deze woorden zit op een onopvallende zaterdagmiddag, hoewel of omdat ze zo waar en toepasselijk zijn.

Ik daarentegen overschrijd de grenzen onbekommerd, ben geboren in Zwitserland en zonder veel omhaal geëmigreerd, weggetrokken naar het buurland, met onbezwaard vertrouwen ging ik er wonen, plaatste een tafel in een keuken, mijn bed in een ander land. Enkele dagen geleden ontving ik de tickets voor de reis naar Den Haag. Voor mij is eenvoudig wat zo moeilijk is voor anderen, als waren we in oorlog, en zij een gevaar voor de openbare veiligheid.

En waar speelt nu de muziek? Moeten we onze trompetten eigenlijk wel uitpakken? Onze bassen, onze potloden, notitieblaadjes en computers? In Arizona hebben er groepen hun optredens afgelast, schiet me te binnen, toen in april de staat de verstrengde immigratieregels aannam, de zogeheten Arizona State Bill 1070 – Sonic Youth, Conor Oberst, The Coup.

Maar af en toe kunnen muziek en literatuur misschien toch een paar gaten in het hekwerk vinden: Dat zou goed zijn!, denk ik: Ha! Opdat de muziek zich niet laat tegenhouden en de woorden worden doorgegeven, via de fluisterkrant, per blikken telefoon, op alle mogelijke manieren. Is de plaats van de muziek niet precies daar waar ze plaatsvindt? En woorden vertalen – ze omzetten van de ene taal in de andere, de vlakte in je hoofd en op papier oversteken, de grenzen overschrijden – is dan in het beste geval misschien reflecteren over wat land is, wat je uitgangspunt, het is een lang gerokken wandeling weg van de natie, in plaats daarvan door tierige bossen, het is het plots heldere uitzicht van op een heuvel ver boven de kruingrens, het is nadenken over de grens als constructie, piekeren over moedertaal en het zogenaamde vaderland, het onmiddellijke besef dat je je op een plaats bevindt tegelijk met vele anderen: Je hebt gelijk, het is tijd om de lampen te monteren, in de verre uithoeken van de vlakte, boven de schrijftafels, overal.