Vannacht droomde ik dat een spook mijn hand vasthield. Het was zo’n half heldere droom, op het randje tussen de verbeelding van alledag en slaapverlamming. De afgelopen vijftien jaar ben ik mijn slaapverlamming grotendeels de baas geworden, maar die doet zich nog wel voor, aangewakkerd door stress, suiker of onopgeloste spanning. Met mijn rechterhand omklemde ik die van het echte jongetje in mijn bed. Maar mijn andere hand, die eigenlijk niets te doen zou moeten hebben, hield die van iemand anders vast. Eerder die dag had ik met een half oog de eerste aflevering bekeken van de Netflix-verfilming van De geesten van Hill House van Shirley Jackson, een van mijn lievelingsauteurs. Zelfs in die droomtoestand herkende ik de verwijzing. In een van de meest angstaanjagende passages van de roman verkeert de hoofdpersoon, Eleanor Vance, in de veronderstelling dat ze de hand van haar vriendin Theodora vastklemt, totdat het licht aangaat en ze erachter komt dat haar vriendin heel ergens anders is.
Het is zeven over elf ’s avonds wanneer ik dit typ, en ik heb mezelf bang gemaakt. Laten we het over iets anders hebben, namelijk een ander verschijnsel dat ons als een geest achtervolgt: de alledaagse emotionele en culturele erfenis die we met ons meedragen als we naar een ander land gaan, een grens oversteken. In banalere zin word ik bijvoorbeeld achtervolgd door persoonsgerichte advertenties. Het is alsof je voor een sociaal leven op internet gebombardeerd moet worden met steeds persoonlijker, soms beledigende automatisch afspelende clips en collages die je aspiraties willen wekken. Stuk voor stuk zijn ze erop gericht me geld afhandig te maken, kleine of grote bedragen. Een ervan is voor een cursus zelfverbetering. Afbeelding: een houten poort bij zonsondergang, lichtstralen tussen de spijlen door. Bijschrift, een citaat van Rumi: ‘Laat je woorden vóór je spreekt drie poorten passeren: Is het waar? Is het nodig? Is het vriendelijk?’
Als we diezelfde regels op fictie zouden toepassen, hoeveel verhalen zouden er dan nog geschreven worden? Ik heb die persoonsgerichte advertentie zo vaak gezien dat ik me het citaat van Rumi eigen ben gaan maken, maar ik vind mezelf er nog niet vriendelijker op geworden. Eens per jaar legt een flinke strottenhoofdontsteking me een week of twee het zwijgen op. Misschien probeert het universum me iets duidelijk te maken over hoe ik met woorden omspring. Eergisteren begon ik mijn stem te verliezen. Inmiddels ben ik hem bijna helemaal kwijt. Gewoonlijk praat ik mensen de oren van het hoofd, gehaast en opgewonden. Vandaag stond ik in de buurtsuper hoofdschuddend naar mijn keel te wijzen tegen de man achter de toonbank. ‘Honing en citroen, honing en citroen,’ suggereerde hij meelevend. Ik herinner me de internettips van vorig jaar: met gefluister belast ik mijn stembanden meer dan met gemompel, zout water is mijn vuilbekkende beste vriend, niet gaan zwemmen want dan steek ik iedereen om me heen aan.
Vandaag precies een jaar geleden bevond ik me in een vierkante kamer met donker meubilair op de universiteit van Iowa, waar ik liep te ijsberen en voornamelijk kleine stukjes non-fictie schreef. Ik verbleef in een schrijversresidentie met eenendertig andere auteurs, allemaal uit verschillende landen. Verspreid over twee verdiepingen van het Iowa Memorial Union Hotel brachten we drie maanden in afzondering door. Iowa City was plat en uitgestrekt; zonder eigen auto kwam je er niet makkelijk weg. Soms leek het verblijf een kruising tussen een sociaal experiment en een aarzelende nabootsing van het Amerikaanse campusleven, door maar een paar van ons aan den lijve ondervonden, die tegelijk deed denken aan en in niets leek op Hollywoodfilms. Inmiddels kijk ik er met plezier op terug, maar ik weet nog dat ik destijds de bruisende anonimiteit van de grote stad miste: een warboel die ik wist te ontcijferen en waar ik mijn toevlucht in kon zoeken.