Koen Boelens
DOOR Sharlene Teo
02-11-2018

Om kwart voor vijf ‘s middags laat ik mijn werk voor wat het is en neem de tram naar zee. Het is Halloween maar ik ben in Den Haag, niet Hollywood, waar er meer waarde aan die feestdag wordt gehecht. Er zijn op straat geen konijnenoren of draculacapes te bekennen, en eerlijk gezegd ben ik daar blij om. Het kan niet alle dagen feest zijn. Met elke halte maak ik me meer zorgen dat het al te laat is en dat er eenmaal op het strand niets zal zijn dan pikzwarte kust en het klotsen en klappen van de golven die me treiteren met hun verborgen schoonheid.

Ik bereik de zee bij het staartje van de zonsondergang en het uitzicht is bijzonderder dan tijdens het eindeloos Instagrambare uur van goud. Het heeft iets lieflijks om het daglicht zich op zijn eigen melancholische, tijdelijke manier terug te zien trekken. Tinten oranje en grijsblauw lopen uit door het duister, geleidelijk en vloeiend als een aquarelvlek. Rechts ligt een reusachtige pier met daarop een verlicht reuzenrad en een of ander elektriciteitstorentje. Ik denk aan vervallen Engelse kustdorpjes en aan Dogman, de verontrustende Italiaanse film die ik een paar weken geleden heb gezien over een hondentrimmer in een sjofele buitenwijk van Rome die van het rechte padje raakt. Het was geen meesterwerk, maar de schuldbewuste, hondstrouwe blik van de hoofdrolspeler is me bijgebleven. Gebouwen en attracties aan zee hebben iets verdrietigs en dreigends. Het zal te maken hebben met de nevenschikking van de grote, tijdloze elementen en het menselijke seizoensgebonden vermaak. De mens verpest alles. Er zouden moorden kunnen worden gepleegd en het water zou lichamen kunnen wegspoelen.

Binnen een paar minuten is het donker op het strand en jaag ik mezelf de stuipen op het lijf door onder de houten balken van de pier door te lopen op zoek naar een strandtent. De strandtent werd hoopgevend beoordeeld op Yelp om zijn heerlijke, relaxte sfeer en middelmatige eten. Ik beeld me een blauw-groen verlichte inrichting in, als de grot van een zeemeermin, eventueel wat engelenhaar aan het plafond dat zeewier moet voorstellen, de muren en bijzettafeltjes bedekt met een schelpenmozaïek. Lou Reed of Groove Armada zachtjes op de achtergrond. Achter de bar zal een jonge, getatoeëerde man of vrouw staan, met lang haar, een vlotte glimlach en tijdens een gap year verzamelde armbanden. Mijn mojito zal te slap dan wel te sterk zijn.

Maar als ik aankom bij het blauwe pijltje van Google Maps ligt er enkel zand en schroot. De vrouw in het dichtstbijzijnde restaurant vertelt dat de strandtent alleen in de zomer open is. Ik voel me een sukkel want het is al bijna november. Ik bestel zeebaars die wordt geserveerd met een zompige salade en liefdeloze frietjes. Het is het soort maaltijd dat een laatkomer toekomt. De uitbater van het restaurant heeft vlassig haar als een overspannen componist en ijsbeert met zijn handen op zijn rug door het restaurant, alsof hij iemand in elkaar wil timmeren. Maar de serveerster is heel vriendelijk. Ik drink twee kleine glazen lauwe witte wijn en bedenk dat ik me van vis nooit vol voel. Bij het afrekenen komt de gedachte in me op dat, als voor een teleurstellende maaltijd niet zou hoeven worden betaald, de meeste mensen een stuk rijker zouden zijn.

Eenmaal buiten neem ik een zandpad dat voor de helft is overwoekerd door lang gras. Het achterafweggetje leidt naar de troebele maan en god mag weten wie, waar en wat nog meer: waarschijnlijk een bouwput. Omdat ik al de hele avond in een morbide bui ben, heb ik het idee dat ik de zee kan horen gapen terwijl het water hem in zijn schuimbekkende mond loopt. Ik maak met mijn telefoon een foto van het pad en ga op zoek naar de tramhalte.

Alle vertalingen van Koen Boelens
19-11-18

Vandaag stonden mijn moeder en ik in de rij voor een bento bar op Miyajima toen zij een vrouw tegenkwam die ze kende van de universiteit. Ze had die oude vriendin al veertig jaar niet gezien en was aangenaam verrast dat ze werd herkend. Mijn ouders hadden haar voor het laatst gezien toen ze pas net verkering hadden, op een diner dansant. Drie kinderen en veertig jaar later komen ze op rondreis door West-Japan plots een oude bekende tegen. Ik zou graag beweren dat dit voorval me aan het denken zette over de werking van de tijd, hoe die kan worden gekatalyseerd of er zachtjes toe kan worden bewogen (door een ooit vertrouwd gezicht, een liedje of een uitspraak) om te buigen of zich uit te rekken. Maar in werkelijkheid ben ik de hele tijd al bezig met tijd.

Het is moeilijk te bevatten dat ik nog maar acht dagen geleden vertrok uit het Vertalershuis in Amsterdam, mijn spullen de onmogelijk nauwe trap af sleepte, naar buiten, de kille, suikervrije middaglucht in. Ik wilde niet vertrekken. Nog niet. De straten en huizen rond het Vondelpark zijn zo chic en zo mooi. Hetzelfde geldt voor de elegante boetiekjes, met die begeerlijke huishoudartikelen en rekken met jurkjes van chiffon waarvan het prijskaartje je de tranen in de ogen doet springen, spullen die duiden op een mij volstrekt onbekende levensstijl van ontegenzeglijke volwassenheid en klassieke welvaart. Het Vondelpark zelf is een stuk benaderbaarder. Ik kom er elke keer dat ik in Amsterdam ben. Op mijn laatste ochtend liep ik er langzaam een stukje hard, de fietspaden mijdend, toen ik een boomhutachtig gevaarte tegenkwam dat onder de namen en tekeningen zat, opgewekte onderonsjes die je ook ziet op het toilet van een kroeg of discotheek.

Op mijn weg terug naar het vliegveld nam ik voor de laatste keer een tram door het centrum, langs groepjes rokende en lachende tieners (zouden zij soms een bericht in de boomhut hebben achtergelaten?), stelletjes op huwelijksreis met een arm om elkaar heen en winkeltassen op sleeptouw, mensen voor wie het een gewone werkdag was die met onmiskenbare doelbewustheid de straat overstaken. Daarna met de trein naar Schiphol en dan het vliegtuig naar Londen, aldaar een halve dag uitpakken tot er een enorme chaos ontstond en vervolgens weer naar het vliegveld voor mijn vlucht naar Singapore voor het Singapore Writer’s Festival. Ik word overweldigd door jetlags en dankbaarheid dat ik voor mijn boek over de wereld mag reizen (de vorige zin klinkt ook mijzelf onuitstaanbaar in de oren), maar ook door de zintuiglijke waarnemingen.

Een bezoek aan Singapore sla ik altijd op als een kleurrijke herinnering, in verschillende tinten fuchsia, groen en geel, het levendige palet van mijn kindertijd. Soms vervagen of vervormen die kleuren mettertijd. Vooral als het lang geleden is, is terug zijn in Singapore emotioneel, overweldigend, euforisch, melancholisch, geruststellend en vervreemdend tegelijk.

De kust in de buurt van Den Haag is opgeslagen als het leigroen en tandpastawit van de schuimende golven. De bouwput rond het Mercure Hotel als grijs en beige. Ik heb op een van de dagen (welke precies? De fijnere details vervliegen altijd zo snel) tussen de middag zijdezachte cheong fun en andere soorten heerlijk zoute dimsum gegeten in het naastgelegen Chinese restaurant, waarvan de serveerster vertelde dat het er al twintig jaar zat, nog langer dan het hotel zelf. Het is fascinerend/deprimerend om stil te staan bij het voortdurende bestaan van dingen en gebouwen, bij het feit dat je een museum binnen kunt wandelen en een buitgemaakt wandkleed kunt bekijken, of een eeuwenoude vaas die ontzettend bloedige veldslagen en allerlei menselijke kwetsbaarheden heeft overleefd. Een wandkleed kan bijvoorbeeld niet ziek worden.

Mijn Chronicles-tijd is nu afgelopen en ik vind het jammer dat het zo snel voorbij is gegaan. De eerste paar dagen na het festival deed ik boodschappen en klusjes met in mijn achterhoofd een soort schaduwafdruk van hoe het zou zijn geweest als ik nog bij de anderen was – ik wilde daar nog zijn en nog deel uitmaken van die plezierige ervaring, een nostalgische manier van mogelijke herinneringen ophalen die tot de vriendelijkste vormen van verbeelding behoort. Tot de volgende keer, tot ooit.

05-11-18

In de trein naar Amsterdam voel ik me lauw en platgeslagen als een blikje cola dat de hele dag geopend buiten de koelkast heeft gestaan. De lucht buiten is dun, waterig blauw. Condenssporen geven kruislings de baan van verschillende vliegtuigen aan. Ik heb een gigantische kater en kramp maar geen medelijden met wat ik zelf teweeg heb gebracht. Lichaam, hart en hersenen worden het maar niet eens. Haar en ziel zitten in de knoop. Eerder vandaag begon ik na het inpakken van mijn koffer meteen mijn hotelkamer te missen. Het was heerlijk om een paar dagen vertroeteld te worden, terug te komen in een opgeruimde kamer met verschoond bed. Mijn diepe en droomloze slaap werd alleen onderbroken door het geluid van een stofzuiger op de gang.

Dit jaar ben ik op de papieren vleugels van mijn roman Ponti naar ongeveer twaalf literaire festivals en vijf verschillende landen gevlogen. De afgelopen zeven maanden heb ik op ongeveer veertig evenementen gesproken en soms voel ik me een oude rot, balanceer ik op het randje van nonchalance. Op andere dagen sta ik met mijn mond vol tanden en voel ik me saai, een groentje. Het is lastig om niet in herhaling te vervallen of steeds hetzelfde riedeltje af te steken. Ik zie mensen graag lachen. Ik probeer niet te denken dat een glazige blik betekent dat er kritisch over me wordt gedacht.

De belangrijkste levensles die ik heb geleerd kwam van mijn scheikundedocent op de middelbare school, mevrouw Goh. Ze onderschepte de liefdesbrief van een meisje dat Melissa heette. Iedereen was bang voor mevrouw Goh, maar eigenlijk was ze ontzettend vriendelijk. Ze bespaarde Melissa het vernederende voorlezen van de brief. In plaats daarvan hield ze hem in de lucht en waarschuwde ze ons. Ze zei: ‘Verdoe je tijd niet met jongens. Niet denken dat anderen extra aandacht aan jou besteden, want iedereen is veel te druk bezig met zichzelf, met gepieker over iets in hun eigen leven, een rekening die moet worden betaald of een boodschap die moet worden gedaan.’

Wat dat advies te maken had met de liefdesbrief weet ik niet meer. Maar de strekking vind ik geruststellend: niemand heeft het op je gemunt. We hebben allemaal de handen vol aan onszelf en ons eigen hachje. Daarom vind ik het niet erg om ergens te spreken. Het is ook weer geen passie, maar wel iets wat ik met enig plezier over me heen laat komen.

Alleen door zulke optredens heb ik na publicatie nog invloed op het leven van mijn boek. Als kind stuurde mijn moeder me naar voordrachts- en toneelles. Pas nu ik volwassen ben kan ik genieten van hoe absurd het eigenlijk is om hyperactieve kinderen een uur lang aan te moedigen dingen overdreven uit te spreken. Er is al veel gezegd over de tegenstelling tussen enerzijds de intens persoonlijke en afgezonderde aard van het schrijfproces en anderzijds het openbare aspect van de promotie van een roman. Dat je keer op keer wordt gevraagd samen te vatten, je nader te verklaren en het verhaal, de thema’s, personages enzovoort, uiteen te zetten. Ik leef mee met schrijvers die erg nerveus worden van voorlezen in het openbaar en in het middelpunt van de belangstelling staan. Voor mij zijn de optredens tot nu toe denk ik een van de minst enge aspecten van het publicatieproces. Het engste is het gevoel kwetsbaar, ontbloot en een talentloze oplichter te zijn. Het op een na engste is dat je op een gegeven moment niet meer kunt inschatten of je eigen werk een beetje goed is.

Op de eerste dag van het festival gaf een vrouw ons een rondleiding door het theater. Ze vertelde dat de zwarte muren met gaten aangaven dat je backstage was en dat de witte geperforeerde muren frontstage betekenden. Het was een nogal ingewikkeld gebouw vol lange gangen en zware deuren. Industriële koelkasten met bruine flesjes bier. De tafels boven leken op die van een schoolkantine, lang en van hout. Daar zat ik gisteravond nog met een onbestemd gevoel van stress een boterham met chocopasta te eten, maar dat lijkt een eeuwigheid geleden.

03-11-18

Een vreemd land kan een palimpsest worden van hoe je was tijdens vorige bezoeken. Vorig jaar was ik in Amsterdam voor het Dekmantel-festival. De augustus-ik had gebleekt, roomijskleurig haar en een Amerikaans visum op zak voor mijn aanstaande verblijf daar. De november-ik is een fletse toerist in Den Haag. Ik vraag me af wanneer ik weer in Nederland zal zijn, en waarvoor. Ik geniet erg van de treuzelvrijheid die je je kunt veroorloven tijdens zo’n half vakantie-, half werkbezoek. Het voelt wel een beetje ontspannen, maar niet helemaal doelloos.

De universele minachting voor toeristisch gedrag is een soort gereserveerdheid tegenover bewondering en het vermogen te blijven staan om je openlijk te vergapen. Vroeger dacht ik dat we zo veel vakantiefoto’s maakten omdat we niet van vage of flauwe herinneringen houden. Maar nu vermoed ik dat het gewoon een reflex is: die vastlegmonomanie is een logisch gevolg van de smartphone en sociale media. Zelfs zonder dagelijks een blog te hoeven schrijven leuk ik mijn ervaringen continu op, ga ik op zoek naar wat fotogeniek is en makkelijk likes scoort.

In het museum Escher in het Paleis kom ik het volgende tegen: ‘De verveling van de puber veranderde in verwondering over wat je in zo’n trappenhuis allemaal kan laten gebeuren.’ Die obsessie met wenteltrappen en hun eigenaardigheid en symmetrie blijft door de decennia heen terugkeren in Eschers werk. Soms kom ik een onderwerp tegen waarvan ik me kan voorstellen dat iemand anders er een fantastische roman over schrijft. Een knappe kop zou een fictieve biografie van Escher en het trappenhuis kunnen schrijven, over de kunst van de wiskunde en de wiskunde van de kunst, als dat niet al gedaan is. Ik stel me voor dat de toon wat weg heeft van die in Dat wat overblijft van Tom McCarthy: kronkelend, experimenteel en doordacht. Ik raak al mentaal uitgeput van het bedenken waarom ik niet de juiste schrijver ben.

Door het museum slenterend vraag ik me af door hoeveel stelletjes er zachtjes in allerlei verschillende talen is geruzied terwijl ze zich van zaal naar zaal bewogen. Hoeveel ouders er tegen een kind hebben gezegd: ‘Blijf daar eens van af,’ en hoeveel kinderen er in de ogen wrijvend hebben geklaagd over verveling of beginnende honger. Aan het eind van de tentoonstelling zit ik in een donkere ruimte te kijken naar een intense, psychedelische animatie van Escher die steeds opnieuw wordt afgespeeld. Een getekende en eerlijk gezegd best wel nare Escher zonder lichaam verschijnt grijnzend achter regels tekst, vermoedelijk citaten van Escher als ‘mijn enige doel is verandering.’ Het klinkt als een aanmoedigende mantra, iets wat een personal trainer tegen je roept terwijl je zwoegend een oefening afwerkt: ‘Kom op! Je enige doel is verandering!’

In het café in de buurt van het museum geeft een beeldschone vrouw me een gratis stuk taart in ruil voor een paar foto’s voor het Instagramaccount van het café. Ze zijn voor het eerst open. Wanneer ik vertrek heeft een meisje net een reusachtige tros ballonnen opgelaten die me doen denken aan Mentos: pastelgeel en -roze. De ballonnen glijden langs de bomen de vreugdeloze, grijze lucht in. Haar broertje begint te huilen.

Als ik in mijn gebruikelijke leefomgeving in Londen ben, heb ik mist in mijn hoofd en waterige ogen. Altijd te gestrest van hot naar her aan het rennen om me af te vragen of verandering mijn enige doel is. Zo afgepeigerd dat ik over mijn veters struikel. Zelfs als ik varkens zag vliegen zou ik me nog mopperend afvragen waar die nou weer vandaan zijn gekomen voordat mijn verwondering toesloeg. Ik foeter stilletjes op de toeristen in Oxford Street die iedereen ophouden. Menigtes doen me naar adem snakken van spanning en de angst onder de voet te worden gelopen. Ik stel me voor dat iemand zo plat als een pannenkoek wordt gedrukt en word bang van wat men elkaar in de drukte allemaal kan aandoen.

02-11-18

Om kwart voor vijf ‘s middags laat ik mijn werk voor wat het is en neem de tram naar zee. Het is Halloween maar ik ben in Den Haag, niet Hollywood, waar er meer waarde aan die feestdag wordt gehecht. Er zijn op straat geen konijnenoren of draculacapes te bekennen, en eerlijk gezegd ben ik daar blij om. Het kan niet alle dagen feest zijn. Met elke halte maak ik me meer zorgen dat het al te laat is en dat er eenmaal op het strand niets zal zijn dan pikzwarte kust en het klotsen en klappen van de golven die me treiteren met hun verborgen schoonheid.

Ik bereik de zee bij het staartje van de zonsondergang en het uitzicht is bijzonderder dan tijdens het eindeloos Instagrambare uur van goud. Het heeft iets lieflijks om het daglicht zich op zijn eigen melancholische, tijdelijke manier terug te zien trekken. Tinten oranje en grijsblauw lopen uit door het duister, geleidelijk en vloeiend als een aquarelvlek. Rechts ligt een reusachtige pier met daarop een verlicht reuzenrad en een of ander elektriciteitstorentje. Ik denk aan vervallen Engelse kustdorpjes en aan Dogman, de verontrustende Italiaanse film die ik een paar weken geleden heb gezien over een hondentrimmer in een sjofele buitenwijk van Rome die van het rechte padje raakt. Het was geen meesterwerk, maar de schuldbewuste, hondstrouwe blik van de hoofdrolspeler is me bijgebleven. Gebouwen en attracties aan zee hebben iets verdrietigs en dreigends. Het zal te maken hebben met de nevenschikking van de grote, tijdloze elementen en het menselijke seizoensgebonden vermaak. De mens verpest alles. Er zouden moorden kunnen worden gepleegd en het water zou lichamen kunnen wegspoelen.

Binnen een paar minuten is het donker op het strand en jaag ik mezelf de stuipen op het lijf door onder de houten balken van de pier door te lopen op zoek naar een strandtent. De strandtent werd hoopgevend beoordeeld op Yelp om zijn heerlijke, relaxte sfeer en middelmatige eten. Ik beeld me een blauw-groen verlichte inrichting in, als de grot van een zeemeermin, eventueel wat engelenhaar aan het plafond dat zeewier moet voorstellen, de muren en bijzettafeltjes bedekt met een schelpenmozaïek. Lou Reed of Groove Armada zachtjes op de achtergrond. Achter de bar zal een jonge, getatoeëerde man of vrouw staan, met lang haar, een vlotte glimlach en tijdens een gap year verzamelde armbanden. Mijn mojito zal te slap dan wel te sterk zijn.

Maar als ik aankom bij het blauwe pijltje van Google Maps ligt er enkel zand en schroot. De vrouw in het dichtstbijzijnde restaurant vertelt dat de strandtent alleen in de zomer open is. Ik voel me een sukkel want het is al bijna november. Ik bestel zeebaars die wordt geserveerd met een zompige salade en liefdeloze frietjes. Het is het soort maaltijd dat een laatkomer toekomt. De uitbater van het restaurant heeft vlassig haar als een overspannen componist en ijsbeert met zijn handen op zijn rug door het restaurant, alsof hij iemand in elkaar wil timmeren. Maar de serveerster is heel vriendelijk. Ik drink twee kleine glazen lauwe witte wijn en bedenk dat ik me van vis nooit vol voel. Bij het afrekenen komt de gedachte in me op dat, als voor een teleurstellende maaltijd niet zou hoeven worden betaald, de meeste mensen een stuk rijker zouden zijn.

Eenmaal buiten neem ik een zandpad dat voor de helft is overwoekerd door lang gras. Het achterafweggetje leidt naar de troebele maan en god mag weten wie, waar en wat nog meer: waarschijnlijk een bouwput. Omdat ik al de hele avond in een morbide bui ben, heb ik het idee dat ik de zee kan horen gapen terwijl het water hem in zijn schuimbekkende mond loopt. Ik maak met mijn telefoon een foto van het pad en ga op zoek naar de tramhalte.

23-10-18

Vannacht droomde ik dat een spook mijn hand vasthield. Het was zo’n half heldere droom, op het randje tussen de verbeelding van alledag en slaapverlamming. De afgelopen vijftien jaar ben ik mijn slaapverlamming grotendeels de baas geworden, maar die doet zich nog wel voor, aangewakkerd door stress, suiker of onopgeloste spanning. Met mijn rechterhand omklemde ik die van het echte jongetje in mijn bed. Maar mijn andere hand, die eigenlijk niets te doen zou moeten hebben, hield die van iemand anders vast. Eerder die dag had ik met een half oog de eerste aflevering bekeken van de Netflix-verfilming van De geesten van Hill House van Shirley Jackson, een van mijn lievelingsauteurs. Zelfs in die droomtoestand herkende ik de verwijzing. In een van de meest angstaanjagende passages van de roman verkeert de hoofdpersoon, Eleanor Vance, in de veronderstelling dat ze de hand van haar vriendin Theodora vastklemt, totdat het licht aangaat en ze erachter komt dat haar vriendin heel ergens anders is.

Het is zeven over elf ’s avonds wanneer ik dit typ, en ik heb mezelf bang gemaakt. Laten we het over iets anders hebben, namelijk een ander verschijnsel dat ons als een geest achtervolgt: de alledaagse emotionele en culturele erfenis die we met ons meedragen als we naar een ander land gaan, een grens oversteken. In banalere zin word ik bijvoorbeeld achtervolgd door persoonsgerichte advertenties. Het is alsof je voor een sociaal leven op internet gebombardeerd moet worden met steeds persoonlijker, soms beledigende automatisch afspelende clips en collages die je aspiraties willen wekken. Stuk voor stuk zijn ze erop gericht me geld afhandig te maken, kleine of grote bedragen. Een ervan is voor een cursus zelfverbetering. Afbeelding: een houten poort bij zonsondergang, lichtstralen tussen de spijlen door. Bijschrift, een citaat van Rumi: ‘Laat je woorden vóór je spreekt drie poorten passeren: Is het waar? Is het nodig? Is het vriendelijk?’

Als we diezelfde regels op fictie zouden toepassen, hoeveel verhalen zouden er dan nog geschreven worden? Ik heb die persoonsgerichte advertentie zo vaak gezien dat ik me het citaat van Rumi eigen ben gaan maken, maar ik vind mezelf er nog niet vriendelijker op geworden. Eens per jaar legt een flinke strottenhoofdontsteking me een week of twee het zwijgen op. Misschien probeert het universum me iets duidelijk te maken over hoe ik met woorden omspring. Eergisteren begon ik mijn stem te verliezen. Inmiddels ben ik hem bijna helemaal kwijt. Gewoonlijk praat ik mensen de oren van het hoofd, gehaast en opgewonden. Vandaag stond ik in de buurtsuper hoofdschuddend naar mijn keel te wijzen tegen de man achter de toonbank. ‘Honing en citroen, honing en citroen,’ suggereerde hij meelevend. Ik herinner me de internettips van vorig jaar: met gefluister belast ik mijn stembanden meer dan met gemompel, zout water is mijn vuilbekkende beste vriend, niet gaan zwemmen want dan steek ik iedereen om me heen aan.

Vandaag precies een jaar geleden bevond ik me in een vierkante kamer met donker meubilair op de universiteit van Iowa, waar ik liep te ijsberen en voornamelijk kleine stukjes non-fictie schreef. Ik verbleef in een schrijversresidentie met eenendertig andere auteurs, allemaal uit verschillende landen. Verspreid over twee verdiepingen van het Iowa Memorial Union Hotel brachten we drie maanden in afzondering door. Iowa City was plat en uitgestrekt; zonder eigen auto kwam je er niet makkelijk weg. Soms leek het verblijf een kruising tussen een sociaal experiment en een aarzelende nabootsing van het Amerikaanse campusleven, door maar een paar van ons aan den lijve ondervonden, die tegelijk deed denken aan en in niets leek op Hollywoodfilms. Inmiddels kijk ik er met plezier op terug, maar ik weet nog dat ik destijds de bruisende anonimiteit van de grote stad miste: een warboel die ik wist te ontcijferen en waar ik mijn toevlucht in kon zoeken.