Koen Boelens
DOOR Sharlene Teo
19-11-2018

Vandaag stonden mijn moeder en ik in de rij voor een bento bar op Miyajima toen zij een vrouw tegenkwam die ze kende van de universiteit. Ze had die vriendin al veertig jaar niet gezien en was aangenaam verrast te worden herkend. De laatste keer dat ze elkaar zagen was op een diner dansant toen mijn ouders pas net verkering hadden. Drie kinderen en veertig jaar later kwamen ze op vakantie in West-Japan plots een oude bekende tegen. Ik zou graag beweren dat het voorval me de werking van tijd deed overpeinzen, hoe die zich kan versnellen of voorzichtig kan worden gemanipuleerd zodat die verbuigt of uitstrekt (bijvoorbeeld door middel van een bekend gezicht of liedje, of een uitspraak). Maar in werkelijkheid ben ik de hele tijd al bezig met tijd.

Het is moeilijk te bevatten dat ik nog maar acht dagen geleden vertrok uit het Vertalershuis in Amsterdam, nadat ik mijn spullen de ongehoord nauwe trap af had gesleept, naar buiten, de kille, suikervrije middaglucht in. Ik wilde niet vertrekken. Nog niet. De straten en huizen rond het Vondelpark zijn zo chic en zo mooi. Hetzelfde geldt voor de elegante boetiekjes, met hun begeerlijke huishoudartikelen en rekken met jurkjes van chiffon waarvan de prijs je ogen doet tranen, spullen die stuk voor stuk duiden op een mij onbekende levensstijl van ontegenzeglijke volwassenheid en ouderwetse welvaart. Het Vondelpark zelf is een stuk benaderbaarder. Ik bezoek het bij elk verblijf in Amsterdam. Op mijn laatste ochtend liep ik er langzaam een stukje hard, de fietspaden mijdend, toen ik een boomhutachtig gevaarte tegenkwam dat onder de namen en doedels zat, opgewekte onderonsjes die je ook ziet op het toilet van een kroeg of discotheek.

Mijn terugreis begon in de tram, zodat ik nog een laatste keer door de stad werd gevoerd, langs groepjes rokende en lachende tieners (zouden zij soms een bericht in de boomhut hebben achtergelaten?), stelletjes op huwelijksreis met een arm om elkaar heen en tassen vol met nieuwe spullen, mensen die vastberaden de straat overstaken met de onmiskenbare doelgerichtheid van iemand die onderweg is naar het werk. Daarna met de trein naar Schiphol en dan het vliegtuig naar Londen, aldaar een halve dag uitpakken tot er een ontzettende rommel ontstond en vervolgens weer naar het vliegveld voor mijn vlucht naar het Singapore Writer’s Festival. Ik word overweldigd door jetlags en dankbaarheid dat ik door mijn boek over de wereld mag reizen (een uitspraak die zelfs ik niet kan uitstaan), maar ook door de zintuiglijke waarnemingen.

Een bezoek aan Singapore sla ik altijd op als een kleurrijke herinnering, in verschillende tinten fuchsia, groen en geel, het levendige palet van mijn kindertijd. Mettertijd vervagen of vervormen die kleuren soms. Vooral als het lang geleden is, is terug zijn in Singapore geladen, overweldigend, euforisch, melancholisch, geruststellend en vervreemdend tegelijk.

De kust in de buurt van Den Haag is opgeslagen als het leigroen en tandpastawit van de schuimende golven. De bouwput rond het Mercure Hotel als grijs en beige. Ik heb op een van de dagen (welke precies? De fijnere details vervliegen altijd zo snel) tussen de middag zijdezachte cheong fun en andere soorten heerlijk zoute dimsum gegeten in het naastgelegen Chinese restaurant, waar de serveerster vertelde dat het restaurant er al twintig jaar zat, nog langer dan het hotel zelf. Het is fascinerend/deprimerend om stil te staan bij het voortdurende bestaan van dingen en gebouwen, bij het feit dat je een museum binnen kunt wandelen en een buitgemaakt wandkleed kunt bekijken, of een eeuwenoude vaas die ontzettend bloedige veldslagen en allerlei menselijke kwetsbaarheden heeft overleefd. Zo wordt bijvoorbeeld ziekte een wandkleed bespaard.

Mijn Chronicles-tijd is tot een einde gekomen en ik vind het jammer dat het zo snel voorbij is gegaan. De eerste paar dagen na het festival deed ik boodschappen en klusjes met in mijn achterhoofd een soort schaduwafdruk van hoe het zou zijn geweest als ik nog bij de anderen was. Terugverlangend naar daar, naar die aangename ervaring, speculeerde ik nostalgisch over mogelijke herinneringen, een van de liefste vormen van fantasie. Tot de volgende keer, tot ooit.

Alle vertalingen van Koen Boelens
19-11-18

Vandaag stonden mijn moeder en ik in de rij voor een bento bar op Miyajima toen zij een vrouw tegenkwam die ze kende van de universiteit. Ze had die vriendin al veertig jaar niet gezien en was aangenaam verrast te worden herkend. De laatste keer dat ze elkaar zagen was op een diner dansant toen mijn ouders pas net verkering hadden. Drie kinderen en veertig jaar later kwamen ze op vakantie in West-Japan plots een oude bekende tegen. Ik zou graag beweren dat het voorval me de werking van tijd deed overpeinzen, hoe die zich kan versnellen of voorzichtig kan worden gemanipuleerd zodat die verbuigt of uitstrekt (bijvoorbeeld door middel van een bekend gezicht of liedje, of een uitspraak). Maar in werkelijkheid ben ik de hele tijd al bezig met tijd.

Het is moeilijk te bevatten dat ik nog maar acht dagen geleden vertrok uit het Vertalershuis in Amsterdam, nadat ik mijn spullen de ongehoord nauwe trap af had gesleept, naar buiten, de kille, suikervrije middaglucht in. Ik wilde niet vertrekken. Nog niet. De straten en huizen rond het Vondelpark zijn zo chic en zo mooi. Hetzelfde geldt voor de elegante boetiekjes, met hun begeerlijke huishoudartikelen en rekken met jurkjes van chiffon waarvan de prijs je ogen doet tranen, spullen die stuk voor stuk duiden op een mij onbekende levensstijl van ontegenzeglijke volwassenheid en ouderwetse welvaart. Het Vondelpark zelf is een stuk benaderbaarder. Ik bezoek het bij elk verblijf in Amsterdam. Op mijn laatste ochtend liep ik er langzaam een stukje hard, de fietspaden mijdend, toen ik een boomhutachtig gevaarte tegenkwam dat onder de namen en doedels zat, opgewekte onderonsjes die je ook ziet op het toilet van een kroeg of discotheek.

Mijn terugreis begon in de tram, zodat ik nog een laatste keer door de stad werd gevoerd, langs groepjes rokende en lachende tieners (zouden zij soms een bericht in de boomhut hebben achtergelaten?), stelletjes op huwelijksreis met een arm om elkaar heen en tassen vol met nieuwe spullen, mensen die vastberaden de straat overstaken met de onmiskenbare doelgerichtheid van iemand die onderweg is naar het werk. Daarna met de trein naar Schiphol en dan het vliegtuig naar Londen, aldaar een halve dag uitpakken tot er een ontzettende rommel ontstond en vervolgens weer naar het vliegveld voor mijn vlucht naar het Singapore Writer’s Festival. Ik word overweldigd door jetlags en dankbaarheid dat ik door mijn boek over de wereld mag reizen (een uitspraak die zelfs ik niet kan uitstaan), maar ook door de zintuiglijke waarnemingen.

Een bezoek aan Singapore sla ik altijd op als een kleurrijke herinnering, in verschillende tinten fuchsia, groen en geel, het levendige palet van mijn kindertijd. Mettertijd vervagen of vervormen die kleuren soms. Vooral als het lang geleden is, is terug zijn in Singapore geladen, overweldigend, euforisch, melancholisch, geruststellend en vervreemdend tegelijk.

De kust in de buurt van Den Haag is opgeslagen als het leigroen en tandpastawit van de schuimende golven. De bouwput rond het Mercure Hotel als grijs en beige. Ik heb op een van de dagen (welke precies? De fijnere details vervliegen altijd zo snel) tussen de middag zijdezachte cheong fun en andere soorten heerlijk zoute dimsum gegeten in het naastgelegen Chinese restaurant, waar de serveerster vertelde dat het restaurant er al twintig jaar zat, nog langer dan het hotel zelf. Het is fascinerend/deprimerend om stil te staan bij het voortdurende bestaan van dingen en gebouwen, bij het feit dat je een museum binnen kunt wandelen en een buitgemaakt wandkleed kunt bekijken, of een eeuwenoude vaas die ontzettend bloedige veldslagen en allerlei menselijke kwetsbaarheden heeft overleefd. Zo wordt bijvoorbeeld ziekte een wandkleed bespaard.

Mijn Chronicles-tijd is tot een einde gekomen en ik vind het jammer dat het zo snel voorbij is gegaan. De eerste paar dagen na het festival deed ik boodschappen en klusjes met in mijn achterhoofd een soort schaduwafdruk van hoe het zou zijn geweest als ik nog bij de anderen was. Terugverlangend naar daar, naar die aangename ervaring, speculeerde ik nostalgisch over mogelijke herinneringen, een van de liefste vormen van fantasie. Tot de volgende keer, tot ooit.

05-11-18

In de trein naar Amsterdam voel ik me zo lauw en zo flauw als een blikje cola dat de hele dag geopend in de buitenlucht heeft gestaan. De lucht buiten is dun, waterig blauw. Condenssporen geven kruislings de baan van verschillende vliegtuigen aan. Ik heb een gigantische kater en kramp maar geen medelijden om wat ik zelf teweeg heb gebracht. Lichaam, hart en hersenen komen niet overeen. Haar en ziel zitten in de knoop. Eerder vandaag, meteen nadat ik mijn koffer had ingepakt, miste ik plotseling mijn hotelkamer. Het was heerlijk om een paar dagen vertroeteld te worden, terug te komen in een opgeruimde kamer met een verschoond bed. Ik sliep diep en droomloos, uitsluitend onderbroken door het geluid van een stofzuiger op de gang.

Mijn roman Ponti heeft me dit jaar met zijn papieren vleugels langs ongeveer twaalf literaire festivals en door vijf verschillende landen gevoerd. De afgelopen zeven maanden heb ik op ongeveer veertig evenementen gesproken en soms voel ik me een oude rot, zit ik op het randje van nonchalance. Op andere dagen sta ik met mijn mond vol tanden, voel ik me saai, een groentje. Het is een uitdaging om niet in herhaling te vallen of steeds hetzelfde riedeltje af te steken. Ik vind het fijn om mensen te zien lachen. Ik probeer niet te denken dat een glazige blik betekent dat er kritisch over me wordt gedacht.

De belangrijkste levensles heb ik geleerd van mijn scheikundedocent op de middelbare school, mevrouw Goh. Ze onderschepte de liefdesbrief van een meisje dat Melissa heette. Eigenlijk was mevrouw Goh ontzettend vriendelijk, maar iedereen was bang voor haar. Ze spaarde Melissa de vernedering van het hardop voorlezen van de brief. In plaats daarvan hield ze hem in de lucht en waarschuwde ze ons. Mijn docent zei: ‘Verspil geen tijd aan jongens. Niet denken dat anderen extra aandacht aan jou besteden, want iedereen is veel te druk bezig met zichzelf, aan het piekeren over iets dat zich in hun leven afspeelt, over een rekening die moet worden betaald of een boodschap om te doen.’

Wat dat advies te maken had met de liefdesbrief weet ik niet meer. Maar ik vind waar het op neerkwam een geruststellende gedachte: niemand heeft het op je gemunt. We hebben allemaal onze handen vol aan onszelf en ons eigen hachje. Daarom vind ik het niet erg om ergens te spreken. Het is ook weer niet mijn favoriete bezigheid, maar het is er een die ik met enig plezier tolereer.

Zulke optredens zijn de enige manier waarop ik het leven van mijn boek na publicatie nog kan beïnvloeden. Als kind stuurde mijn moeder me naar dramalessen. Pas nu ik volwassen ben, waardeer ik hoe absurd het eigenlijk is om hyperactieve kinderen een uur lang aan te moedigen dingen overdreven uit te spreken. Er is al veel gezegd over de tegenstrijdigheid van de intens persoonlijke en afgezonderde aard van het schrijfproces tegenover het naar buiten gekeerde aspect van de promotie van een roman. Dat je constant wordt gevraagd om dingen samen te vatten, je nader te verklaren en het verhaal, de thema’s, personages, enzovoort, uiteen te zetten. Ik leef mee met schrijvers die erg zenuwachtig zijn om in het openbaar voor te lezen en in het middelpunt van de belangstelling te staan. Voor mij zijn de publieke optredens tot nu toe denk ik een van de minst enge aspecten die komen kijken bij het hele publicatieproces. Het engste is wanneer je je kwetsbaar, ontbloot en een talentloze oplichter voelt. Het op een na engste is dat je op een gegeven moment niet meer kunt inschatten of je eigen werk een beetje goed is.

Op de eerste dag van het festival gaf een vrouw ons een rondleiding door het theater. Ze vertelde dat de muren die vol met gaten zaten en zwart waren geverfd aangaven dat je backstage was en de witte muren met putten frontstage betekenden. Het was een nogal ingewikkeld gebouw, vol met lange gangen en zware deuren. Industriële koelkasten met bruine flesjes bier. De tafels boven leken op die van een schoolkantine, lang en van hout. Daar zat ik gisteravond nog met een abstracte nervositeit een boterham met chocopasta te eten, maar het voelt als een eeuwigheid geleden.

 

03-11-18

Een vreemd land kan een soort palimpsest worden van hoe je was tijdens vorige bezoeken. Vorig jaar was ik in Amsterdam voor het Dekmantel-festival. De augustus-ik had gebleekt, roomijskleurig haar en een Amerikaans visum op zak voor mijn aanstaande verblijf daar. De november-ik is een fletse toerist in Den Haag. Ik vraag me af wanneer ik weer in Nederland zal zijn, en waarvoor. Ik geniet erg van de treuzelvrijheid die je je kunt veroorloven tijdens zo’n verblijf dat half vakantie, half werkbezoek is. Het is wel een beetje ontspannen, maar niet helemaal doelloos.

De universele minachting voor toeristen is een soort schuwheid voor onder de indruk zijn en stil te staan om je openlijk te vergapen. Vroeger dacht ik dat we zo veel vakantiefoto’s maakten omdat we niet wilden dat onze herinneringen vervaagden of verflauwden. Maar nu geloof ik dat het gewoon een reflex is: die vastlegmonomanie is een logisch gevolg van de smartphone en sociale media. Zelfs zonder dagelijks een blog te hoeven schrijven polijst ik mijn ervaringen continu, ga ik op zoek naar het fotogenieke en datgene wat makkelijk likes scoort.

In Escher in het Paleis kom ik het volgende tegen: ‘De verveling van de puber veranderde in verwondering over wat je in zo’n trappenhuis allemaal kan laten gebeuren.’ Die obsessie met wenteltrappen, hun eigenaardigheid en symmetrie, blijft door de decennia heen terugkeren in Eschers werk. Soms kom ik per ongeluk een onderwerp tegen waarvan ik me kan voorstellen dat iemand anders er een fantastische roman over schrijft. Een knappe kop zou een fictieve biografie van Escher en het trappenhuis kunnen schrijven, over de kunst van de wiskunde en de wiskunde van de kunst, als die er niet al is. Ik stel me de toon voor zoals die in Dat wat overblijft van Tom McCarthy: kronkelend, experimenteel en doordacht. Ik word al moe van bedenken waarom ik er niet de juiste schrijver voor ben.

Terwijl ik door het museum slenter vraag ik me af hoeveel stelletjes er met gedempte stem hebben geruzied, in allerlei verschillende talen, terwijl ze zich van de ene zaal naar de andere bewogen. Hoeveel ouders hier tegen een kind hebben gezegd ‘blijf daar eens van af’ en hoeveel kinderen er in hun ogen hebben gewreven en geklaagd dat ze zich verveelden of honger begonnen te krijgen. Aan het eind van de tentoonstelling wordt in een donkere ruimte een intense, spacende animatie van Escher herhaald afgespeeld. Een getekende Escher zonder lichaam die eigenlijk best wel akelig is, duikt grijnzend op achter regels tekst, vermoedelijk citaten van Escher, zoals ‘mijn enige doel is verandering.’ Het klinkt als een aanmoedigend mantra, iets dat een personal trainer tegen je roept terwijl je zwoegend een oefening afwerkt: ‘Kom op! Je enige doel is verandering!’

In het café in de buurt van het museum geeft een beeldschone vrouw me een gratis stuk taart in ruil voor een paar foto’s voor het Instagramaccount van het café. Ze zijn vandaag voor het eerst open. Vlak voor mijn vertrek heeft een meisje een reusachtige tros ballonnen losgelaten die me doen denken aan Mentos: pastelgeel en -roze. De ballonnen glijden voorbij de bomen, de vreugdeloze, grijze lucht in. Haar kleine broertje begint te huilen.

In mijn gebruikelijke leefomgeving, in Londen, heb ik meestal mist in mijn hoofd en lepe ogen. Ik ben er altijd te gestrest van hot naar her aan het rennen om me af te vragen of verandering mijn enige doel is. Zo verbitterd dat ik over mijn veters struikel. Ik zou kalveren op het ijs kunnen zien dansen en me dan eerst mopperend afvragen waar die nou weer vandaan zijn gekomen voordat ik enige verbazing ervaar. Ik foeter stilletjes op de toeristen in Oxford Street die iedereen ophouden. In een menigte snak ik naar adem van de spanning en de angst onder de voet gelopen te worden. Ik stel me voor dat iemand plat als een pannenkoek wordt gedrukt en ik word bang van wat men elkaar in de drukte allemaal aan kan doen.

02-11-18

Om kwart voor vijf ‘s middags leg ik het bijltje erbij neer en pak de tram naar zee. Het is Halloween maar ik ben in Den Haag, niet Hollywood, waar er meer waarde aan dat feest zou worden gehecht. Er zijn geen konijnenoren of Draculacapes te bekennen op straat, en eerlijk gezegd ben ik daar blij om. Eens in de zoveel tijd geef ik mijn plezier graag een dagje vrij. Met elke halte nemen mijn zorgen dat het al te laat is toe en tegen de tijd dat ik bij zee aankom, is er vast alleen nog pikzwarte kust en het plagende geklots en gekletter van de golven die hun schoonheid voor me verborgen houden.

Ik kom met het allerlaatste restje zonlicht bij zee aan en het is bijzonderder dan het eindeloos Instagrambare uur van goud. Het heeft iets lieflijks om het daglicht zich op zijn eigen melancholische, tijdelijke manier terug te zien trekken. Tinten oranje en grijsblauw lopen uit door het duister, geleidelijk en vloeiend als een aquarelvlek. Rechts ligt een gigantische pier met daarop een felverlicht reuzenrad en een of ander elektriciteitstorentje. Ik denk aan Engelse achterafdorpjes aan de kust en aan Dogman, een verontrustende Italiaanse film die ik een paar weken geleden heb gezien over een hondentrimmer in een sjofele buitenwijk van Rome die van het rechte pad af gaat. Het was geen meesterwerk, maar de schuldbewuste, hondstrouwe blik van de hoofdpersoon is me bijgebleven. De bouwwerken en attracties aan zee hebben iets verdrietigs en iets dreigends. Het zal te maken hebben met de juxtapositie van de grote, tijdloze elementen en het menselijke, seizoensgebonden vermaak. De mens verpest alles. Er zou iemand vermoord kunnen worden en het lichaam zou door het water kunnen worden opgeslokt.

Binnen een paar minuten is het donker op het strand en ik loop op zoek naar een strandtent onder de houten balken van de pier door en daarvan word ik nerveus. De strandtent werd positief beoordeeld op Yelp, waar werd gesproken van een heerlijke, relaxte sfeer en middelmatig eten. Ik beeld me een blauw-groen verlichte inrichting in, als de grot van een zeemeermin, wellicht met wat engelenhaar aan het plafond dat moet doen denken aan zeewier, de muren en bijzettafeltjes bedekt met een schelpenmozaïek. Lou Reed of Groove Armada zachtjes op de achtergrond. Achter de bar staat een jonge, getatoeëerde man of vrouw met lang haar, een vlotte glimlach en armbanden uit verre landen in een tussenjaar. Mijn mojito is óf te slap óf te sterk.

Maar als ik aankom bij het blauwe pijltje van Google Maps, ligt er niets dan zand en schroot. De vrouw in het dichtstbijzijnde restaurant vertelt dat de strandtent alleen in de zomer open is. Ik voel me een sukkel want het is al bijna november. Ik bestel zeebaars en die wordt geserveerd met een zompige salade en liefdeloze frietjes. Het is het soort maaltijd dat een laatkomer toekomt. De uitbater van het restaurant heeft vlassig haar als een overspannen componist en ijsbeert met zijn handen op zijn rug door het restaurant, alsof hij iemand in elkaar wil timmeren. Maar de serveerster is heel vriendelijk. Ik drink twee kleine, lauwe glazen witte wijn en sta stil bij het feit dat ik me van vis nooit vol voel. Bij het afrekenen stel ik me voor dat je voor een onbevredigende maaltijd niet zou hoeven betalen; dan zouden de meeste mensen een stuk rijker zijn.

Eenmaal buiten neem ik een zandpad dat deels is overwoekerd door lang gras. Het achterafweggetje leidt naar de betrokken maan en god mag weten wie, waar en wat nog meer: waarschijnlijk een bouwput. Door mijn lugubere bui van de avond heb ik het idee dat ik de zee kan horen gapen, schuimbekkend zijn lippen kan horen likken. Ik maak met mijn telefoon een foto van het pad en dan ga ik op weg terug naar de tramhalte.

23-10-18

Vannacht droomde ik dat een spook mijn hand vasthield. Het was zo’n half heldere droom, op het randje tussen de verbeelding van alledag en slaapverlamming. De afgelopen vijftien jaar ben ik mijn slaapverlamming grotendeels de baas geworden, maar die doet zich nog wel voor, aangewakkerd door stress, suiker of onopgeloste spanning. Met mijn rechterhand omklemde ik die van het echte jongetje in mijn bed. Maar mijn andere hand, die eigenlijk niets te doen zou moeten hebben, hield die van iemand anders vast. Eerder die dag had ik met een half oog de eerste aflevering bekeken van de Netflix-verfilming van De geesten van Hill House van Shirley Jackson, een van mijn lievelingsauteurs. Zelfs in die droomtoestand herkende ik de verwijzing. In een van de meest angstaanjagende passages van de roman verkeert de hoofdpersoon, Eleanor Vance, in de veronderstelling dat ze de hand van haar vriendin Theodora vastklemt, totdat het licht aangaat en ze erachter komt dat haar vriendin heel ergens anders is.

Het is zeven over elf ’s avonds wanneer ik dit typ, en ik heb mezelf bang gemaakt. Laten we het over iets anders hebben, namelijk een ander verschijnsel dat ons als een geest achtervolgt: de alledaagse emotionele en culturele erfenis die we met ons meedragen als we naar een ander land gaan, een grens oversteken. In banalere zin word ik bijvoorbeeld achtervolgd door persoonsgerichte advertenties. Het is alsof je voor een sociaal leven op internet gebombardeerd moet worden met steeds persoonlijker, soms beledigende automatisch afspelende clips en collages die je aspiraties willen wekken. Stuk voor stuk zijn ze erop gericht me geld afhandig te maken, kleine of grote bedragen. Een ervan is voor een cursus zelfverbetering. Afbeelding: een houten poort bij zonsondergang, lichtstralen tussen de spijlen door. Bijschrift, een citaat van Rumi: ‘Laat je woorden vóór je spreekt drie poorten passeren: Is het waar? Is het nodig? Is het vriendelijk?’

Als we diezelfde regels op fictie zouden toepassen, hoeveel verhalen zouden er dan nog geschreven worden? Ik heb die persoonsgerichte advertentie zo vaak gezien dat ik me het citaat van Rumi eigen ben gaan maken, maar ik vind mezelf er nog niet vriendelijker op geworden. Eens per jaar legt een flinke strottenhoofdontsteking me een week of twee het zwijgen op. Misschien probeert het universum me iets duidelijk te maken over hoe ik met woorden omspring. Eergisteren begon ik mijn stem te verliezen. Inmiddels ben ik hem bijna helemaal kwijt. Gewoonlijk praat ik mensen de oren van het hoofd, gehaast en opgewonden. Vandaag stond ik in de buurtsuper hoofdschuddend naar mijn keel te wijzen tegen de man achter de toonbank. ‘Honing en citroen, honing en citroen,’ suggereerde hij meelevend. Ik herinner me de internettips van vorig jaar: met gefluister belast ik mijn stembanden meer dan met gemompel, zout water is mijn vuilbekkende beste vriend, niet gaan zwemmen want dan steek ik iedereen om me heen aan.

Vandaag precies een jaar geleden bevond ik me in een vierkante kamer met donker meubilair op de universiteit van Iowa, waar ik liep te ijsberen en voornamelijk kleine stukjes non-fictie schreef. Ik verbleef in een schrijversresidentie met eenendertig andere auteurs, allemaal uit verschillende landen. Verspreid over twee verdiepingen van het Iowa Memorial Union Hotel brachten we drie maanden in afzondering door. Iowa City was plat en uitgestrekt; zonder eigen auto kwam je er niet makkelijk weg. Soms leek het verblijf een kruising tussen een sociaal experiment en een aarzelende nabootsing van het Amerikaanse campusleven, door maar een paar van ons aan den lijve ondervonden, die tegelijk deed denken aan en in niets leek op Hollywoodfilms. Inmiddels kijk ik er met plezier op terug, maar ik weet nog dat ik destijds de bruisende anonimiteit van de grote stad miste: een warboel die ik wist te ontcijferen en waar ik mijn toevlucht in kon zoeken.