Vandaag stonden mijn moeder en ik in de rij voor een bento bar op Miyajima toen zij een vrouw tegenkwam die ze kende van de universiteit. Ze had die oude vriendin al veertig jaar niet gezien en was aangenaam verrast dat ze werd herkend. Mijn ouders hadden haar voor het laatst gezien toen ze pas net verkering hadden, op een diner dansant. Drie kinderen en veertig jaar later komen ze op rondreis door West-Japan plots een oude bekende tegen. Ik zou graag beweren dat dit voorval me aan het denken zette over de werking van de tijd, hoe die kan worden gekatalyseerd of er zachtjes toe kan worden bewogen (door een ooit vertrouwd gezicht, een liedje of een uitspraak) om te buigen of zich uit te rekken. Maar in werkelijkheid ben ik de hele tijd al bezig met tijd.
Het is moeilijk te bevatten dat ik nog maar acht dagen geleden vertrok uit het Vertalershuis in Amsterdam, mijn spullen de onmogelijk nauwe trap af sleepte, naar buiten, de kille, suikervrije middaglucht in. Ik wilde niet vertrekken. Nog niet. De straten en huizen rond het Vondelpark zijn zo chic en zo mooi. Hetzelfde geldt voor de elegante boetiekjes, met die begeerlijke huishoudartikelen en rekken met jurkjes van chiffon waarvan het prijskaartje je de tranen in de ogen doet springen, spullen die duiden op een mij volstrekt onbekende levensstijl van ontegenzeglijke volwassenheid en klassieke welvaart. Het Vondelpark zelf is een stuk benaderbaarder. Ik kom er elke keer dat ik in Amsterdam ben. Op mijn laatste ochtend liep ik er langzaam een stukje hard, de fietspaden mijdend, toen ik een boomhutachtig gevaarte tegenkwam dat onder de namen en tekeningen zat, opgewekte onderonsjes die je ook ziet op het toilet van een kroeg of discotheek.
Op mijn weg terug naar het vliegveld nam ik voor de laatste keer een tram door het centrum, langs groepjes rokende en lachende tieners (zouden zij soms een bericht in de boomhut hebben achtergelaten?), stelletjes op huwelijksreis met een arm om elkaar heen en winkeltassen op sleeptouw, mensen voor wie het een gewone werkdag was die met onmiskenbare doelbewustheid de straat overstaken. Daarna met de trein naar Schiphol en dan het vliegtuig naar Londen, aldaar een halve dag uitpakken tot er een enorme chaos ontstond en vervolgens weer naar het vliegveld voor mijn vlucht naar Singapore voor het Singapore Writer’s Festival. Ik word overweldigd door jetlags en dankbaarheid dat ik voor mijn boek over de wereld mag reizen (de vorige zin klinkt ook mijzelf onuitstaanbaar in de oren), maar ook door de zintuiglijke waarnemingen.
Een bezoek aan Singapore sla ik altijd op als een kleurrijke herinnering, in verschillende tinten fuchsia, groen en geel, het levendige palet van mijn kindertijd. Soms vervagen of vervormen die kleuren mettertijd. Vooral als het lang geleden is, is terug zijn in Singapore emotioneel, overweldigend, euforisch, melancholisch, geruststellend en vervreemdend tegelijk.
De kust in de buurt van Den Haag is opgeslagen als het leigroen en tandpastawit van de schuimende golven. De bouwput rond het Mercure Hotel als grijs en beige. Ik heb op een van de dagen (welke precies? De fijnere details vervliegen altijd zo snel) tussen de middag zijdezachte cheong fun en andere soorten heerlijk zoute dimsum gegeten in het naastgelegen Chinese restaurant, waarvan de serveerster vertelde dat het er al twintig jaar zat, nog langer dan het hotel zelf. Het is fascinerend/deprimerend om stil te staan bij het voortdurende bestaan van dingen en gebouwen, bij het feit dat je een museum binnen kunt wandelen en een buitgemaakt wandkleed kunt bekijken, of een eeuwenoude vaas die ontzettend bloedige veldslagen en allerlei menselijke kwetsbaarheden heeft overleefd. Een wandkleed kan bijvoorbeeld niet ziek worden.
Mijn Chronicles-tijd is nu afgelopen en ik vind het jammer dat het zo snel voorbij is gegaan. De eerste paar dagen na het festival deed ik boodschappen en klusjes met in mijn achterhoofd een soort schaduwafdruk van hoe het zou zijn geweest als ik nog bij de anderen was – ik wilde daar nog zijn en nog deel uitmaken van die plezierige ervaring, een nostalgische manier van mogelijke herinneringen ophalen die tot de vriendelijkste vormen van verbeelding behoort. Tot de volgende keer, tot ooit.