Gisteren zei mijn zus aan de telefoon dat ze een nagelknippertje naar de studiezaal had meegenomen, zodat ze ten minste haar teennagels kon knippen. Ze heeft het onbehagelijke gevoel dat haar scriptie slimmer is geworden dan zij. ’s Avonds laat, als ze het licht uitdoet en van de universiteit op Amager naar huis fietst, voelt ze wel eens iets wat een beetje op rust lijkt, maar de volgende ochtend is het weer alsof ze recht in een donker braambos staart. ‘Ik zou eigenlijk filoloog moeten zijn om over dit onderwerp te schrijven,’ verzuchtte ze, ‘en je krijgt trouwens nog een cadeautje van me. Voor je verjaardag.’ Ik stond in de keuken gnocchi te bakken en was blij om haar nasale stem te horen terwijl de geur van de bruinende boter het vertrek langzaam vulde. Vanuit haar draagzak bestudeerde Dunia de bewegingen van mijn mond. Af en toe boorde ze haar gezicht in mijn borst. Ik weet nog steeds niet wat dat gebaar betekent. Soms doet ze het een paar dagen niet, maar het komt steeds weer terug. Het verontrust me niet. Niet alles wat ik niet begrijp, verontrust me. Het gaat de goede kant op. Het is me opgevallen dat sommige oudere vrouwen een jonge, haast kinderlijke stem hebben. Als je je ogen dichtdoet kun je het meisje voor je zien dat erbij hoort, en als je ze weer opendoet, is ze niet helemaal verdwenen maar blijft ze in het gezicht van de oudere vrouw hangen als een schaduw die langzaam vervaagt. Met zo’n vrouw zat ik in de metro, op weg naar het vliegveld, waar ik wel heel erg op tijd ben aangekomen. Een man zoekt samen met zijn zoon tevergeefs naar een stopcontact, maar ze kijken elkaar bemoedigend aan en geven me op die manier het gevoel dat het allemaal wel goed komt. Ik zal nooit de kans krijgen om ze (onder andere) daarvoor te bedanken. Meteen toen Nitesh binnenkwam wilde ik weg. Mijn tas stond al klaar naast de piano, met mijn wanten en mijn sjaal erbovenop. De zon scheen door de vuile ruiten naar binnen en ik zag het speelgoed oplichten: geel, turquoise, paars, felroze. We hielden het afscheid kort en droog, dat wilde ik zo. Ik vergat de zak met luiers niet en ik zette het fietsje van mijn zoon klaar. Ik dacht eraan dat ik van ze hield, en ik herinnerde me het tegen ze te zeggen.
De keuken in het Indonesische restaurant lag in het verlengde van de eetzaal, dus nu ruikt mijn rode winterjas naar gebakken rijst. Ik heb hem naast het open raam aan een kleerhanger gehangen en ik heb steeds het gevoel dat er iemand in een rode jas achter het gordijn rustig toekijkt hoe ik zit te werken. Adrienne Rich schrijft in 1974 of ’75: “Totdat we elkaar gevonden hebben, zijn we alleen.”