Roos van de Wardt
DOOR Sam Byers
30-11-2013

Ik heb een dubbel gevoel ten opzichte van conclusies, altijd al gehad. Soms kun je er natuurlijk niet omheen, maar we proberen verrassend vaak een gevoel van voltooiing te forceren bij ervaringen en ideeën die onafgerond eigenlijk veel meer van hun kracht behouden. Ergens zijn die losse eindjes en verdwaalde lijntjes juist prachtig; puzzels waarvan stukjes ontbreken en vragen die alleen kunnen worden beantwoord met nieuwe vragen.

Vanuit dit opzicht is de beste epiloog er dus een die in feite een nieuwe proloog is; een afloop die zinspeelt op een nieuw begin. Ik heb altijd al bewondering gehad voor romans en films met deze eigenschap: het idee dat personages zich niet door die definitieve beperking laten tegengehouden, maar na de laatste bladzijde of aftiteling gewoon verder leven.

Crossing Border heeft me, meer dan de andere evenementen die ik dit jaar heb gedaan, aan het denken gezet over de toekomst. Er wordt momenteel heftig gediscussieerd over de levensduur van literatuur. Gaat de roman binnenkort met pensioen? Stevenen boeken af op hetzelfde lot als het cassettebandje, de cd, of de telefoon die gewoon een telefoon was, meer niet? Persoonlijk denk ik van niet. Crossing Border benadrukte maar weer eens dat fictie, net als muziek, nog steeds leeft en belangrijk is. Maar het benadrukte ook wat haar nou eigenlijk levend hóúdt, namelijk: de vertaling.

Wat de toekomst van fictie ook mag zijn, ze is afhankelijk van de toekomst van vertalen en zodoende van de toekomst van de vertaler zelf. Crossing Border is het enige evenement waar ik ben geweest dat evenveel aandacht besteedt aan de kunst van het vertalen (want het is inderdaad een kunst) als aan de kunst van het creëren. In een eerdere column had ik het al over verschil en diversiteit, en over de verschrikking van een homogene wereld. Fictie heeft, net als onze samenleving, een meervoud aan stemmen nodig om te kunnen gedijen. Om die meervoudigheid te behouden is ze afhankelijk van het werk van vertalers.

Toen ik de jonge vertalers tijdens het weekend hoorde praten, besefte ik plotseling hoeveel overeenkomsten er zijn tussen hun drijfveren en die van de gemiddelde jonge schrijver. Niemand begint hier immers aan voor het geld. Uiteindelijk zijn schrijven en vertalen allebei liefdewerk. Alleen is er voor de schrijver tenminste nog een vage belofte van erkenning. Mensen die je boek lezen zullen in ieder geval weten dat jíj degene bent die het heeft geschreven. Hoeveel mensen zullen echter een boekvertaler kunnen noemen? In hoeverre zijn mensen zich er bijvoorbeeld écht van bewust dat de Nederlandse versie van Idiopathy feitelijk een gezamenlijke tekst is, geschreven door twee mensen: door mij en Roos van de Wardt?

Alle vertalers op Crossing Border vertelden hoe moeilijk het is om vertaler te worden, en hoe moeilijk het is om vertaler te blijven (d.w.z.: rond te komen) als je het eenmaal bent. Ik begon me steeds meer zorgen te maken. Waar moeten we, gezien deze struikelblokken, ooit de toegewijde jonge vertalers vandaan halen die we overduidelijk nodig hebben. Want het ís een gigantische klus. Alleen al het bijbenen van moderne fictie vraagt om een klein leger vertalers, en daar bovenop komt dan nog de belangrijke taak van het wereldwijd aan de man brengen van onvertaalde klassiekers. Voor jonge schrijvers zijn er volop regelingen en mogelijkheden – iedereen verkeert in een constante staat van opwinding over de meest recente ‘nieuwe stem’. Maar als niemand die nieuwe stemmen vertaalt, zal iedere taal gebonden zijn aan de literatuur die ze zelf heeft voortgebracht, en dit kan uiteindelijk alleen maar leiden tot een opdrogende genenpoel van literaire vernieuwing.

Evenementen als Crossing Border zijn dus van wezenlijk belang voor de toekomst van literatuur. Sterker nog: er zouden er meer van moeten zijn. Meer gelegenheden waar schrijvers en vertalers elkaar kunnen leren kennen, meer gelegenheden voor een lezerspubliek om vertalers te horen praten over hun werk, en meer gelegenheden waar vertalers hun talenten kunnen tonen. Een aantal vertalers noemde het belang van onderscheidingen, niet alleen vanwege de hoognodige geldinjectie, maar ook vanwege de bijkomende aandacht voor jonge vertaaltalenten die een carrière proberen op te bouwen

Uiteindelijk zijn dit echter allemaal dingen die we van andere mensen verwachten. We kunnen wel zeggen dat er meer festivals, meer geld en meer boeken zouden moeten komen, maar de eigenlijke vraag is: wat kunnen we nú doen? Wat kunnen wij zélf doen om de levendige en diverse wereldwijde literaire cultuur te vormen waar we allemaal zo van houden? Het antwoord is, voor mij althans, dat we kunnen lezen. Door te luisteren naar mijn medeauteurs die tijdens het festival hun werk voorlazen, te zien hoe hun woorden naast hen in het Engels op schermen verschenen, werd ik verrast door de omvang van mijn eigen onwetendheid en wat een buitengewoon voorrecht het eigenlijk is om het werk te kunnen ervaren van mensen met wie ik geen taal deel. Dit benadrukte weer eens, mocht dat nog nodig zijn, dat lezen net zozeer een plicht is als schrijven, en dat het als schrijver mijn verantwoordelijkheid is om de beste lezer te zijn die ik kan zijn. Het is zo makkelijk om lekker binnen de grenzen van je eigen literaire cultuur te blijven. Toch zullen wij, de lezers, de grenzen van ons comfortabele wereldje over moeten gaan, en het zijn de vertalers die ons hierbij de weg zullen wijzen.

Alle vertalingen van Roos van de Wardt
30-11-13

Ik heb een dubbel gevoel ten opzichte van conclusies, altijd al gehad. Soms kun je er natuurlijk niet omheen, maar we proberen verrassend vaak een gevoel van voltooiing te forceren bij ervaringen en ideeën die onafgerond eigenlijk veel meer van hun kracht behouden. Ergens zijn die losse eindjes en verdwaalde lijntjes juist prachtig; puzzels waarvan stukjes ontbreken en vragen die alleen kunnen worden beantwoord met nieuwe vragen.

Vanuit dit opzicht is de beste epiloog er dus een die in feite een nieuwe proloog is; een afloop die zinspeelt op een nieuw begin. Ik heb altijd al bewondering gehad voor romans en films met deze eigenschap: het idee dat personages zich niet door die definitieve beperking laten tegengehouden, maar na de laatste bladzijde of aftiteling gewoon verder leven.

Crossing Border heeft me, meer dan de andere evenementen die ik dit jaar heb gedaan, aan het denken gezet over de toekomst. Er wordt momenteel heftig gediscussieerd over de levensduur van literatuur. Gaat de roman binnenkort met pensioen? Stevenen boeken af op hetzelfde lot als het cassettebandje, de cd, of de telefoon die gewoon een telefoon was, meer niet? Persoonlijk denk ik van niet. Crossing Border benadrukte maar weer eens dat fictie, net als muziek, nog steeds leeft en belangrijk is. Maar het benadrukte ook wat haar nou eigenlijk levend hóúdt, namelijk: de vertaling.

Wat de toekomst van fictie ook mag zijn, ze is afhankelijk van de toekomst van vertalen en zodoende van de toekomst van de vertaler zelf. Crossing Border is het enige evenement waar ik ben geweest dat evenveel aandacht besteedt aan de kunst van het vertalen (want het is inderdaad een kunst) als aan de kunst van het creëren. In een eerdere column had ik het al over verschil en diversiteit, en over de verschrikking van een homogene wereld. Fictie heeft, net als onze samenleving, een meervoud aan stemmen nodig om te kunnen gedijen. Om die meervoudigheid te behouden is ze afhankelijk van het werk van vertalers.

Toen ik de jonge vertalers tijdens het weekend hoorde praten, besefte ik plotseling hoeveel overeenkomsten er zijn tussen hun drijfveren en die van de gemiddelde jonge schrijver. Niemand begint hier immers aan voor het geld. Uiteindelijk zijn schrijven en vertalen allebei liefdewerk. Alleen is er voor de schrijver tenminste nog een vage belofte van erkenning. Mensen die je boek lezen zullen in ieder geval weten dat jíj degene bent die het heeft geschreven. Hoeveel mensen zullen echter een boekvertaler kunnen noemen? In hoeverre zijn mensen zich er bijvoorbeeld écht van bewust dat de Nederlandse versie van Idiopathy feitelijk een gezamenlijke tekst is, geschreven door twee mensen: door mij en Roos van de Wardt?

Alle vertalers op Crossing Border vertelden hoe moeilijk het is om vertaler te worden, en hoe moeilijk het is om vertaler te blijven (d.w.z.: rond te komen) als je het eenmaal bent. Ik begon me steeds meer zorgen te maken. Waar moeten we, gezien deze struikelblokken, ooit de toegewijde jonge vertalers vandaan halen die we overduidelijk nodig hebben. Want het ís een gigantische klus. Alleen al het bijbenen van moderne fictie vraagt om een klein leger vertalers, en daar bovenop komt dan nog de belangrijke taak van het wereldwijd aan de man brengen van onvertaalde klassiekers. Voor jonge schrijvers zijn er volop regelingen en mogelijkheden – iedereen verkeert in een constante staat van opwinding over de meest recente ‘nieuwe stem’. Maar als niemand die nieuwe stemmen vertaalt, zal iedere taal gebonden zijn aan de literatuur die ze zelf heeft voortgebracht, en dit kan uiteindelijk alleen maar leiden tot een opdrogende genenpoel van literaire vernieuwing.

Evenementen als Crossing Border zijn dus van wezenlijk belang voor de toekomst van literatuur. Sterker nog: er zouden er meer van moeten zijn. Meer gelegenheden waar schrijvers en vertalers elkaar kunnen leren kennen, meer gelegenheden voor een lezerspubliek om vertalers te horen praten over hun werk, en meer gelegenheden waar vertalers hun talenten kunnen tonen. Een aantal vertalers noemde het belang van onderscheidingen, niet alleen vanwege de hoognodige geldinjectie, maar ook vanwege de bijkomende aandacht voor jonge vertaaltalenten die een carrière proberen op te bouwen

Uiteindelijk zijn dit echter allemaal dingen die we van andere mensen verwachten. We kunnen wel zeggen dat er meer festivals, meer geld en meer boeken zouden moeten komen, maar de eigenlijke vraag is: wat kunnen we nú doen? Wat kunnen wij zélf doen om de levendige en diverse wereldwijde literaire cultuur te vormen waar we allemaal zo van houden? Het antwoord is, voor mij althans, dat we kunnen lezen. Door te luisteren naar mijn medeauteurs die tijdens het festival hun werk voorlazen, te zien hoe hun woorden naast hen in het Engels op schermen verschenen, werd ik verrast door de omvang van mijn eigen onwetendheid en wat een buitengewoon voorrecht het eigenlijk is om het werk te kunnen ervaren van mensen met wie ik geen taal deel. Dit benadrukte weer eens, mocht dat nog nodig zijn, dat lezen net zozeer een plicht is als schrijven, en dat het als schrijver mijn verantwoordelijkheid is om de beste lezer te zijn die ik kan zijn. Het is zo makkelijk om lekker binnen de grenzen van je eigen literaire cultuur te blijven. Toch zullen wij, de lezers, de grenzen van ons comfortabele wereldje over moeten gaan, en het zijn de vertalers die ons hierbij de weg zullen wijzen.

17-11-13

De column van vandaag bereikt jullie vanuit wat ongetwijfeld het meest kindvriendelijke café in Antwerpen is. Aan iedere tafel zit een baby. Drie van de baby’s huilen, twee zijn net gestopt met huilen, en eentje heeft een korte pauze ingelast om zich te oriënteren op zijn mogelijkheden met betrekking tot meer gehuil. Dat ik zelfs maar probeer hier te werken zorgt ervoor dat iedereen, baby’s én ouders, me aankijkt me alsof ik gestoord ben, maar ergens lijkt het de aangewezen omgeving voor dat waarover ik wilde schrijven.

Was vrijdag een dag van muziek, dan was zaterdag een dag van literatuur, die ’s middags begon met een bijzondere en zeer ontroerende lezing van Andrew Solomon.

In Solomons meest recente boek, Ver van de boom, worden de uitdagingen behandeld van ouders van kinderen die, om welke reden dan ook, ‘anders’ zijn, of dit nou is vanwege een handicap, psychische aandoeningen, criminaliteit of mogelijk zelfs een exceptioneel talent. Hij richt zich vooral op de liefde van ouders: haar kracht en haar beperkingen. Hoe kunnen we van iemand houden die ons leven zo moeilijk heeft gemaakt? Iemand die niet de persoon blijkt te zijn die we hadden gehoopt?

Wat me het meest van Solomons lezing is bijgebleven waren zijn opmerkingen over anders-zijn. Hij praatte over het ‘genezen’ van handicaps, of autisme, of doofheid, en voerde bijvoorbeeld aan dat niet iedereen met autisme dit ziet als iets waarvan zij genezen zouden moeten worden. Hij noemde ook onze blindelingse acceptatie van ontwikkelingen op wetenschappelijk en geneeskundig gebied die, ook al wordt onze samenleving steeds toleranter, erop uit zijn elke eigenschap die we als ongewenst beschouwen uit te wissen, waardoor de mogelijkheid om samenlevingen te creëren waar verschil en diversiteit zijn uitgeroeid steeds dichterbij komt.

Die avond heb ik vóór ons eerste optreden mijn Nederlandse uitgever voor het eerst ontmoet. Hij vertelde me over een vriendin van hem: iemand die het grootste deel van haar leven de constante aandrang had gevoeld al haar gevoelens te analyseren en te bespreken. Een paar jaar geleden kreeg ze een nieuwe relatie met een man die haar vertelde dat hij er niet zo goed in was alles wat hij voelde te bespreken. Hij stelde, nogal tegenintuïtief, voor om wat minder te praten en wat meer vertrouwen in elkaar te hebben. Ze zijn al zes jaar samen. Ze is, zei hij, gelukkiger dan ooit.

Toen ik net begon aan deze columns, met als uitgangspunt het idee van een Crossing Border Festival, moest ik vanzelf aan transgressie denken. Het idee van een grens, een scheidingslijn, gaat voor mijn gevoel gepaard met een onuitgesproken uitnodiging deze over te gaan. Het idee van verdeeldheid, van scheiding, zelfs van categoriseren, voelt zowel dwingend als bedwingend, beperkend en zelfbeperkend.

Maar als we ons een wereld zonder grenzen proberen voor te stellen, of dit nou op het emotionele vlak is, zoals in de relatie die ik zojuist heb beschreven, of op het tastbare vlak, zoals het idee dat we met behulp van wetenschap iedere volgende generatie gelijksoortiger kunnen maken, realiseren we ons al snel dat de kwestie ingewikkelder is dan het simpelweg uitvlakken van scheidingslijnen, of het overgaan van iedere grens die we tegenkomen.

Om me heen in dit café worden grenzen en scheidingslijnen afgetast op manieren die ik, als volwassene zonder kinderen, onvoorstelbaar ingewikkeld vind. Iedere baby probeert, op zijn of haar eigen manier, de grenzen van zijn wereld uit. Een van hen heeft een stoel omgegooid. Een andere slaat met een lepel tegen zijn kommetje. Volgens mij is het wel duidelijk dat wij, als volwassenen, het gevaar lopen dit gevoel van nieuwsgierige verkenning kwijt te raken, dit gevoel dat een grens iets is om op te zoeken en te verkennen, en niet iets om passief en braafjes te eerbiedigen. Maar misschien beschouwen we nóg iets als vanzelfsprekend: dat grenzen geruststellend zijn en dat we alleen hierdoor in staat zijn betekenis te geven aan iets wat in feite een chaotisch en zinloos bestaan is.

Misschien is het dus wel het belangrijkst dat we doorgaan met dingen in kaart brengen, met herdefiniëren. Volgens mij spelen schrijvers hierin een belangrijke rol. Romans brengen gebieden in kaart: emotionele en tastbare gebieden. Ze kunnen aanschurken tegen grenzen die onprettig zouden voelen wanneer ze in het echte leven werden overschreden.

Maar een roman zonder grenzen zou geen roman zijn. Net als de borgesiaanse kaart – zo allesomvattend dat hij precies het gebied bestrijkt dat hij moet laten zien – zou een roman zonder afbakening een onderneming met averechts effect zijn. Verhalen zijn immers, ongeacht hun mate van onnauwkeurigheid en ontoereikendheid, een poging om gestalte en betekenis te geven aan het vormeloze geheel van ons bestaan. Schrijvers moeten inderdaad grenzen overschrijden, maar om dit te kunnen moeten ze, paradoxaal genoeg, ook grenzen creëren.

16-11-13

Eenmaal terug op de juiste tijd en plaats door uiteindelijk toch Den Haag te bereiken, heb ik gister precies het tegenovergestelde ervaren van de dag ervoor. Waar donderdag werd overheerst door een gevoel van vervreemding, was dit op vrijdag een gevoel van verdieping. Er waren nieuwe mensen die ik moest leren kennen, namen om te onthouden, festivallocaties die gevonden moesten worden. Maar er was vooral muziek.

Voor mij is muziek altijd een belangrijk onderdeel geweest van zowel het schrijf- als het leesproces. Het komt maar zelden voor dat ik een woord schrijf zonder dat er muziek aan staat. Wanneer ik een boek onder ogen krijg dat ik niet goed kan omschrijven, van mij of van een ander, komt haast vanzelf de vraag in me op: hoe zou dit klinken? Het is dan ook niet echt verbazingwekkend dat, terwijl ik van de ene locatie naar de andere zwierf in een poging zo veel mogelijk te zien, de volgende vraag het vaakst kwam bovendrijven: hoe zou dit lezen?

De relatie tussen literatuur en muziek ligt vaak voor de hand: deze zit in de teksten, de narratieve vorm, het gevoel voor dramatiek. Het hoogtepunt van mijn dag was een fantastisch optreden van Villagers, begeleid door strijkers en blazers. Het was een concert waarin opvallend veel elementen aan bod kwamen, zonder ook maar iets aan samenhang in te boeten. De nummers van Villagers – van ingetogen, schrijnende ballads enkel begeleid door zijn akoestische gitaar, tot aan een complete wall of sound – werden bij elkaar gehouden door de wisselwerking tussen scherpzinnige, speelse teksten en hun gewaagde, ingewikkelde arrangementen. Voor mij had deze balans in stijl en opbouw tegenover zo’n gepolijst en verrassend tempo veel weg van een roman. Maar zijn zelfverzekerdheid bij het schakelen tussen emotionele registers, bijvoorbeeld door schurend kabaal op te volgen met een allerlieflijkste melodie, maakte weer eens duidelijk dat de roman in vorm nog steeds veel kan leren van een concert. Gelijkmatigheid en continuïteit worden bij fictie vaak meer gewaardeerd dan energie, lef en inventiviteit. Hoeveel romans zijn er nou eigenlijk die veranderingen van toon omarmen op de manier van, bijvoorbeeld, een album waarbij de volgorde van liedjes helemaal klopt? Naar mijn mening te weinig.

Ook al was Villagers mijn hoogtepunt, het was eerder die dag bij Ghostpoet dat mijn aandacht op een ander soort afwezigheid werd gevestigd. Tijdens het schrijven van mijn boek, Idiopathie, luisterde ik bijna uitsluitend naar dancemuziek. Ik wilde dat het boek waar mogelijk op zinsniveau iets van het stuwende van dance zou overdragen. Ik wist dat het geen ‘couplet-refrein’ roman zou worden, maar juist iets soepelers, opgebouwd rond een enigszins afwijkende verwachting in hevigheid van opbouw-en-ontlading. Hoe goed dat gelukt is, weet ik niet. Sterker nog: het feit dat ik er nog steeds over nadenk wijst erop het helemaal niet gelukt is, want vooralsnog lijkt het een onopgeloste kwestie. Kijkend naar Ghostpoet besefte ik plotseling dat ik een hoofdingrediënt van dance was vergeten. In fictie bestaan wel degelijk equivalenten van strak ritmische loop-muziek. Je hoeft je slechts vol op Don DeLillo’s werk te storten om erachter te komen dat doordachte herhalingen een fascinerend en hypnotiserend effect kunnen hebben. Maar waar zijn de lage tonen in fictie? Waar is die dreunende, donkere bas? Kijkend naar de muziek van Ghostpoet (en hem voelend), kwam er geen antwoord.

Misschien iets om me in een volgend boek op te richten.

15-11-13

Hallo en welkom bij mijn tweede bericht, dat jullie niet is toegestuurd uit de veelbelovende omgeving van een opwindend en onbekend Den Haag, maar uit de iets bekendere omgeving van mijn eigen bank, die ik vanochtend, nog vrij sensationeel, niet bleek te kunnen achterlaten. In plaats van een etentje met mijn medeschrijvers en vertalers, en misschien wel te mogen genieten van die karakteristieke spanning van een avondje in een onbekende stad, zit ik in mijn pyjama een pizza te eten en dit verslag te schrijven over dingen die ik niet heb gedaan op een plek waar ik nog niet ben.

Het is vreemd, maar niet onprettig. Vandaag voelde als een dag die nooit heeft bestaan. Niet alleen ben ik op de verkeerde plek, maar bijna iedereen die ik ken denkt dat ik elders ben, waardoor ik, voor tenminste vierentwintig uur, ook niet echt besta.

In ons huidige, hypermoderne bestaan is niet-bestaan nog een pittige klus. Ons bestaan wordt ons voortdurend opnieuw bevestigd, onze aanwezigheid steeds weer aangekondigd en door onszelf waargemaakt. Het meest noemenswaardige van vandaag, waarin tijd en plaats even geen grip op me hadden, was hoe weinig ik ervoor voelde om anderen in te lichten. Toen ik de stad inliep om eten te kopen waarvan ik niet had gepland dat ik het nodig zou hebben, voelde het alsof ik dit stiekem deed. Voor één dag leidde ik een heimelijk en onerkend leven. Ik was nergens, en niemand, en die gedachte maakte me onverwacht blij.

Er wordt ons vrijwel onophoudelijk opgedragen onszelf te definiëren, herkenbare vormen te maken van het rommelige gepriegel des levens dat ons wordt voorgezet. Het doel, wordt ons verteld, is een constante zelfverwezenlijking, ‘weten wie je bent’, en weten wat je wil. Dergelijke garanties geven zekerheid, maar beperken ons ook. Als ik altijd ben waar ik gepland had te zijn, zal ik in feite altijd zijn wíé ik gepland had te zijn.

Als aanwezigheid op Crossing Border een kans is om de esthetische en linguïstische grenzen die onze artisticiteit afbakenen te bestuderen en te ontrafelen (waar houdt de muziek bijvoorbeeld op en begint het schrijven; waar komen vertaling en expressie samen?), dan is mijn afwezigheid, al is het maar een dag, een kans om de onzichtbare grenzen te ontdekken die wie we zijn scheiden van wie we niet zijn, en waar we zijn van waar we niet zijn; een reminder dat, ondanks al ons geplan en gezond verstand en onze invloed en ogenschijnlijke grip op de realiteit, ieder van ons steeds opnieuw een opening moet zien te vinden in het semidoorlaatbare membraan dat dát wat we willen zijn scheidt van dat wat is.

Tegen de tijd dat deze column wordt gepubliceerd zal ik, als alles volgens plan verloopt, het vliegtuig hebben gepakt dat ik vandaag had moeten pakken en zijn teruggezakt in de uitgestippelde gang van zaken. Het zal waarschijnlijk zelfs lijken alsof vandaag nooit heeft plaatsgevonden. In veel opzichten is dat ook zo. Maar als dit zich ooit weer voordoet (wat op een dag ongetwijfeld het geval is) zal ik me hopelijk kunnen herinneren, zelfs wanneer de onvermijdelijke irritatie en stress die voortvloeien uit geruïneerde plannen aan me beginnen te vreten, hoe het was om weggevaagd te zijn uit een moment dat op mij wachtte, en hoe vreemd bevrijdend het voelde om in plaats daarvan een plaats en tijd in te nemen waar ik eigenlijk nooit onderdeel van had moeten zijn.