De column van vandaag bereikt jullie vanuit wat ongetwijfeld het meest kindvriendelijke café in Antwerpen is. Aan iedere tafel zit een baby. Drie van de baby’s huilen, twee zijn net gestopt met huilen, en eentje heeft een korte pauze ingelast om zich te oriënteren op zijn mogelijkheden met betrekking tot meer gehuil. Dat ik zelfs maar probeer hier te werken zorgt ervoor dat iedereen, baby’s én ouders, me aankijkt me alsof ik gestoord ben, maar ergens lijkt het de aangewezen omgeving voor dat waarover ik wilde schrijven.
Was vrijdag een dag van muziek, dan was zaterdag een dag van literatuur, die ’s middags begon met een bijzondere en zeer ontroerende lezing van Andrew Solomon.
In Solomons meest recente boek, Ver van de boom, worden de uitdagingen behandeld van ouders van kinderen die, om welke reden dan ook, ‘anders’ zijn, of dit nou is vanwege een handicap, psychische aandoeningen, criminaliteit of mogelijk zelfs een exceptioneel talent. Hij richt zich vooral op de liefde van ouders: haar kracht en haar beperkingen. Hoe kunnen we van iemand houden die ons leven zo moeilijk heeft gemaakt? Iemand die niet de persoon blijkt te zijn die we hadden gehoopt?
Wat me het meest van Solomons lezing is bijgebleven waren zijn opmerkingen over anders-zijn. Hij praatte over het ‘genezen’ van handicaps, of autisme, of doofheid, en voerde bijvoorbeeld aan dat niet iedereen met autisme dit ziet als iets waarvan zij genezen zouden moeten worden. Hij noemde ook onze blindelingse acceptatie van ontwikkelingen op wetenschappelijk en geneeskundig gebied die, ook al wordt onze samenleving steeds toleranter, erop uit zijn elke eigenschap die we als ongewenst beschouwen uit te wissen, waardoor de mogelijkheid om samenlevingen te creëren waar verschil en diversiteit zijn uitgeroeid steeds dichterbij komt.
Die avond heb ik vóór ons eerste optreden mijn Nederlandse uitgever voor het eerst ontmoet. Hij vertelde me over een vriendin van hem: iemand die het grootste deel van haar leven de constante aandrang had gevoeld al haar gevoelens te analyseren en te bespreken. Een paar jaar geleden kreeg ze een nieuwe relatie met een man die haar vertelde dat hij er niet zo goed in was alles wat hij voelde te bespreken. Hij stelde, nogal tegenintuïtief, voor om wat minder te praten en wat meer vertrouwen in elkaar te hebben. Ze zijn al zes jaar samen. Ze is, zei hij, gelukkiger dan ooit.
Toen ik net begon aan deze columns, met als uitgangspunt het idee van een Crossing Border Festival, moest ik vanzelf aan transgressie denken. Het idee van een grens, een scheidingslijn, gaat voor mijn gevoel gepaard met een onuitgesproken uitnodiging deze over te gaan. Het idee van verdeeldheid, van scheiding, zelfs van categoriseren, voelt zowel dwingend als bedwingend, beperkend en zelfbeperkend.
Maar als we ons een wereld zonder grenzen proberen voor te stellen, of dit nou op het emotionele vlak is, zoals in de relatie die ik zojuist heb beschreven, of op het tastbare vlak, zoals het idee dat we met behulp van wetenschap iedere volgende generatie gelijksoortiger kunnen maken, realiseren we ons al snel dat de kwestie ingewikkelder is dan het simpelweg uitvlakken van scheidingslijnen, of het overgaan van iedere grens die we tegenkomen.
Om me heen in dit café worden grenzen en scheidingslijnen afgetast op manieren die ik, als volwassene zonder kinderen, onvoorstelbaar ingewikkeld vind. Iedere baby probeert, op zijn of haar eigen manier, de grenzen van zijn wereld uit. Een van hen heeft een stoel omgegooid. Een andere slaat met een lepel tegen zijn kommetje. Volgens mij is het wel duidelijk dat wij, als volwassenen, het gevaar lopen dit gevoel van nieuwsgierige verkenning kwijt te raken, dit gevoel dat een grens iets is om op te zoeken en te verkennen, en niet iets om passief en braafjes te eerbiedigen. Maar misschien beschouwen we nóg iets als vanzelfsprekend: dat grenzen geruststellend zijn en dat we alleen hierdoor in staat zijn betekenis te geven aan iets wat in feite een chaotisch en zinloos bestaan is.
Misschien is het dus wel het belangrijkst dat we doorgaan met dingen in kaart brengen, met herdefiniëren. Volgens mij spelen schrijvers hierin een belangrijke rol. Romans brengen gebieden in kaart: emotionele en tastbare gebieden. Ze kunnen aanschurken tegen grenzen die onprettig zouden voelen wanneer ze in het echte leven werden overschreden.
Maar een roman zonder grenzen zou geen roman zijn. Net als de borgesiaanse kaart – zo allesomvattend dat hij precies het gebied bestrijkt dat hij moet laten zien – zou een roman zonder afbakening een onderneming met averechts effect zijn. Verhalen zijn immers, ongeacht hun mate van onnauwkeurigheid en ontoereikendheid, een poging om gestalte en betekenis te geven aan het vormeloze geheel van ons bestaan. Schrijvers moeten inderdaad grenzen overschrijden, maar om dit te kunnen moeten ze, paradoxaal genoeg, ook grenzen creëren.