Toen ik in een boekhandel werkte, trof ik zo af en toe klanten die er iets tegen hadden om vertaalde teksten te lezen. ‘Alle nuances gaan toch zeker verloren?’ voerden ze dan aan. Tot op zekere hoogte heb ik wel begrip voor hun standpunt. Als je fictie leest – en dat doe ik vaak – vanwege het plezier van hóé iets gezegd wordt, dan kun je toch zeker maar het beste alleen teksten in je eigen taal lezen?
Ik vind het leuk om naar zinnen te kijken, naar hoe ze opgebouwd zijn. Soms word ik zelfs enthousiast over interpunctie, over de intrigerende plaatsing van een komma, bijvoorbeeld. Als ik eraan denk met hoeveel genoegen ik iemand als James Salter lees – het soort schrijver in wiens werk alles draait om minuscule details, glasheldere zinnen, niets op de verkeerde plek – kan ik me niet goed voorstellen dat hij in vertaling tot zijn recht zou komen.
Ik kan het ook niet weten, want ik spreek, lees en schrijf alleen Engels. (Ik ben hopeloos in het leren van talen. Ik heb meerdere mislukte pogingen gedaan.)
Nu ga ik mezelf tegenspreken door te zeggen dat mijn favoriete schrijver ooit Knut Hamsun is, die ik alleen maar in vertaling heb gelezen. Als ik Hamsun lees, gebeurt er iets met me dat eigenlijk bij geen enkele andere schrijver gebeurt: het treft me fysiek. Ik moet hardop lachen als de hoofdpersoon lacht, ik moet opstaan en een beetje door de kamer lopen en daarna weer gaan zitten, ik moet op mijn knieën slaan en op mijn lip bijten.
Er lijkt een soort ‘geest’ in zijn werk te zitten die uitstijgt boven de taal waarin het is geschreven. Ik heb bijvoorbeeld inmiddels drie verschillende vertalingen van Honger gelezen en hoewel de ene misschien ‘beter’ leek dan de andere (d.w.z. hij las makkelijker), had ik nog steeds dezelfde emoties; met andere woorden, er sprak nog steeds dezelfde opstandige geest uit.
Mijn roman wordt volgend jaar vertaald in het Frans, Duits, Italiaans en Nederlands. Tot nog toe heb ik geen enkel contact gehad met de mensen die aan die vertalingen werken. Ik moet erop vertrouwen dat ze hun werk goed doen. Eigenlijk voelt de hele onderneming als een oefening in vertrouwen – zelfs als de boeken klaar zijn en gedrukt, en ik heb er een in mijn hand, moet ik maar gewoon trots zijn, ernaar knikken en hopen dat die mysterieuze vertalers hun werk goed hebben gedaan.
Dat is dan ook een van de redenen waarom ik uitkijk naar het Crossing Border Festival: ditmaal ga ik mijn vertaler echt ontmoeten. Ik zit vol tegenstrijdige gevoelens. Hoewel ik zojuist schreef dat de ‘geest’ van Hamsun duidelijk aanwezig was, zelfs in vertalingen (gemaakt door mensen die hem nooit hebben ontmoet), heb ik stiekem ook een beetje het idee dat mijn werk misschien beter vertaald wordt als ik mijn vertaler ook echt ontmoet en zij een idee krijgt van hoe ik ‘in elkaar zit’.
Ik vind het ook wel een beetje eng. Ook dit is een oefening in vertrouwen. Ik zal kennismaken met An de Greef en zij spreekt Engels, maar ik spreek geen Nederlands, en zodra ze deze tekst en mijn andere stukken heeft vertaald, moet ik er maar gewoon naar kijken, er trots op zijn en hopen dat ze haar werk goed heeft gedaan. En: stel dat ik tijdens het festival per ongeluk iets doe waar ze pissig om wordt, en zij reageert zich af op de vertaling van mijn stukken, door me een vreselijke stem te geven, door me dingen te laten zeggen die ik niet heb gezegd.
Ik zal het nooit weten.
Ik zal gewoon trots moeten knikken en blijven hopen, wat er ook gebeurt.