‘Was het een Nederlander?’ vraagt hij me.
We zitten aan het avondeten in een voormalige kerk. Er staat witte koolsalade op het menu.
‘Volgens mij wel, maar geen idee, we spraken Engels met elkaar,’ antwoord ik.
‘Was zijn Engels goed?’
Ik denk na.
‘Ja, nou… Jawel. Niet slechter dan dat van mij.’
‘Maar was het een Nederlander?’ vraagt hij weer.
‘Waaraan had ik moeten zien of het een Nederlander was?’
‘Zag hij eruit als een Nederlander?’
Ik ben in de war.
‘Hoe ziet een Nederlander eruit?’
‘Nou, zoals ik,’ antwoordt hij.
Ik kijk hem onderzoekend aan en drink een slok Sprite.
De eerste festivalavond pulseert en ruikt naar bier. Een flesje valt op de grond, een gespierde man duwt me opzij om zijn geliefde, die achter de bar werkt, te zoenen. Roze en neongeel licht wordt op gevels geworpen zodat we in een oogopslag kunnen zien waar de festivallocaties zich bevinden. We lezen verhalen over auto’s en over schoonmaken en sterven en over gejatte lippenstift en het leven zelf. Ik doe mijn ogen dicht.
Ik open ze. Sytske en ik zitten op een koude stenen trap voor de ingang van Het Paard. Ik vis twee tijdschriften uit mijn tas waar we op kunnen gaan zitten zodat we geen blaasontsteking oplopen. Sytske zit op het Missy Magazine (dat wordt uitgegeven in Berlijn, daar waar ik woon), ik zit op De Groene Amsterdammer (uit de stad waar Sytske woont). We hebben het erover hoe moeilijk het is om in het openbaar over je eigen teksten te spreken.
‘Ik wil niet praten. Dat is waarom ik schrijf,’ zegt Sytske en neemt een trek van haar sigaret.
Ik moet lachen. Omdat ze gelijk heeft. Natuurlijk kan ook ik niet met elke persoon eerlijk praten over mijn eigen schrijfwerk. Maar mensen hebben vragen. Meestal zelfs dezelfde. Daarom verzin ik een paar antwoorden en herhaal die telkens opnieuw. Sytske vindt dat een goede oplossing.
We gaan naar binnen. In het Heartbreak Hotel spelen Massih Hutak en Kerem Özilhan. Ze rappen in het Nederlands over vluchtelingen. Dat is althans het enige woord dat ik begrijp. Maar het nummer is helemaal niet melancholisch of bozig. Integendeel, er wordt gedanst. Sytske vertaalt in mijn oor: ‘Nederland is zo mooi dat ik constant moet huilen’. We kijken elkaar grijnzend aan. Niet dat ik het er niet mee eens zou zijn. Nederland is natuurlijk fantastisch mooi, voor mij, als toerist. Maar ik mag die bijtende ironie wel van iemand die waarschijnlijk geen ander land zo goed kent als Nederland, maar die niet voor ‘Nederlander’ doorgaat. Volgens bepaalde criteria tenminste. (Hij is niet wit).
Ik wil nog één nummer van Pink Occulus meepakken, maar als ze op het podium staat, lukt het me niet meer om weg te gaan. Ze draagt een gouden jurk, heeft een ontzettend ontroerende stem en danst als een godin. Het voelt alsof ik aan alle nummers en zangeressen word herinnerd die ik op mijn zestiende keihard draaide wanneer ik verdrietig was en ik mijn kamerdeur op slot deed. Het is als hypnose. Op een zeker moment ga ik op weg terug naar het hotel. Oververmoeid sta ik weer voor de sculptuur van de Vriendinnen en rook. Ik denk terug aan tijden waarin alles zo fragiel leek.