Elbert Besaris
DOOR Fatma Aydemir
19-11-2017
‘Het is verschrikkelijk wat er nu allemaal in Turkije gebeurt.’ ‘Voor Aziatisch eten moet je in Den Haag zijn.’ ‘Waarom staat daar een piano?’ ‘De laatste trein naar Amsterdam gaat om 23.20.’ ‘Zullen we het niet over Erdogan hebben?’ ‘Ik heb niks tegen feminisme, ik heb alleen iets tegen wit feminisme.’ ‘Waarom schrijf je niet in het Turks?’ ‘Ik dacht dat Duitsers bekrompen waren, maar Nederlanders zijn zelfs daarin beter.’ ‘Een derde van de vrouwen ziet eruit als Marine Le Pen.’ ‘Berlijn is een stad waar je je prima in je eentje kan redden.’ ‘Elke Nederlander verstaat Duits.’ ‘De tekst was een half uur te laat.’ ‘Kun je Beeldende Kunst ook in deeltijd studeren?’ ‘We zijn elkaar helaas misgelopen.’ ‘Tot ik ging studeren had ik eigenlijk nooit koffie gedronken.’ ‘Normaal gesproken haat ik festivals, maar dit festival is echt chill.’ ‘Waar koop je wiet in Berlijn?’ ‘We hebben elkaar via internet leren kennen.’ ‘Kom, we gaan naar de boekwinkel om te kijken of ze mijn boek hebben.’ ‘Marokkanen hebben niet zo’n hecht netwerk als Turken.’ ‘Dat bedoelde ik niet zo.’ ‘Wat wordt er nu in Nederland gelezen?’ ‘Ik doe een residency in een verzorgingstehuis.’ ‘Deze band is eigenlijk te goed om nu weg te gaan.’ ‘Ik begrijp deze zin niet.’ ‘Waarom ben ik altijd zo moe?’ ‘Als ik deze show zie, krijg ik het gevoel dat ik niet eens vijf procent van mijn lichaam gebruik.’ ‘We moeten eens afspreken als je in Amsterdam bent.’ ‘Mijn boek wordt op dit moment in het Turks vertaald.’ ‘Het stinkt hier echt in deze rookruimte.’ ‘Wil je nog een biertje?’ ‘Ik ben een week geleden getrouwd.’ ‘Het ontbijt is echt goed.’ ‘Dat ding is eigenlijk zwart en niet blauw.’ ‘Is er nog iets van de catering over?’ ‘Je jurk is prachtig.’ ‘Geen idee waar ik over moet schrijven.’ ‘Het doet er niet toe of het klopt, ik schrijf fictie.’ ‘Ben je al eens bij zee geweest?’ ‘Ik kan niet slapen als ik te veel heb geblowd.’ ‘We zitten al vier uur te eten.’ ‘Zal ik je een tip geven?’ ‘Nee.’ ‘Ik weet niet zo veel van Latijns-Amerikaanse literatuur.’ ‘Je tekst is heel mooi geworden.’ ‘Ik miste het eenzaam zijn.’ ‘De vertaler moet ook eigen keuzes maken.’ ‘Hema is de beste winkel ter wereld.’ ‘Heb je een sigaretje, mooie vrouw?’ ‘Hier gaan mensen graag uit.’ ‘Het is zo’n bedrijfsevenement, stelt niet zo veel voor.’ ‘Oké, zeg dat zo nog een keer, maar dan korter.’ ‘Say my name, say my name.’ ‘I am flying to Dublin but I still have 5 hours or so.’ ‘Kan je deze zin niet beter in het Engels schrijven?’ ‘Literatuur ontstaat uit literatuur.’ ‘Ik weet het, ik kijk alsof het ontzettend moeilijk is om die plek te vinden, maar dat valt mee.’ ‘Weet je de weg terug?’
Alle vertalingen van Elbert Besaris
19-11-17
‘Het is verschrikkelijk wat er nu allemaal in Turkije gebeurt.’ ‘Voor Aziatisch eten moet je in Den Haag zijn.’ ‘Waarom staat daar een piano?’ ‘De laatste trein naar Amsterdam gaat om 23.20.’ ‘Zullen we het niet over Erdogan hebben?’ ‘Ik heb niks tegen feminisme, ik heb alleen iets tegen wit feminisme.’ ‘Waarom schrijf je niet in het Turks?’ ‘Ik dacht dat Duitsers bekrompen waren, maar Nederlanders zijn zelfs daarin beter.’ ‘Een derde van de vrouwen ziet eruit als Marine Le Pen.’ ‘Berlijn is een stad waar je je prima in je eentje kan redden.’ ‘Elke Nederlander verstaat Duits.’ ‘De tekst was een half uur te laat.’ ‘Kun je Beeldende Kunst ook in deeltijd studeren?’ ‘We zijn elkaar helaas misgelopen.’ ‘Tot ik ging studeren had ik eigenlijk nooit koffie gedronken.’ ‘Normaal gesproken haat ik festivals, maar dit festival is echt chill.’ ‘Waar koop je wiet in Berlijn?’ ‘We hebben elkaar via internet leren kennen.’ ‘Kom, we gaan naar de boekwinkel om te kijken of ze mijn boek hebben.’ ‘Marokkanen hebben niet zo’n hecht netwerk als Turken.’ ‘Dat bedoelde ik niet zo.’ ‘Wat wordt er nu in Nederland gelezen?’ ‘Ik doe een residency in een verzorgingstehuis.’ ‘Deze band is eigenlijk te goed om nu weg te gaan.’ ‘Ik begrijp deze zin niet.’ ‘Waarom ben ik altijd zo moe?’ ‘Als ik deze show zie, krijg ik het gevoel dat ik niet eens vijf procent van mijn lichaam gebruik.’ ‘We moeten eens afspreken als je in Amsterdam bent.’ ‘Mijn boek wordt op dit moment in het Turks vertaald.’ ‘Het stinkt hier echt in deze rookruimte.’ ‘Wil je nog een biertje?’ ‘Ik ben een week geleden getrouwd.’ ‘Het ontbijt is echt goed.’ ‘Dat ding is eigenlijk zwart en niet blauw.’ ‘Is er nog iets van de catering over?’ ‘Je jurk is prachtig.’ ‘Geen idee waar ik over moet schrijven.’ ‘Het doet er niet toe of het klopt, ik schrijf fictie.’ ‘Ben je al eens bij zee geweest?’ ‘Ik kan niet slapen als ik te veel heb geblowd.’ ‘We zitten al vier uur te eten.’ ‘Zal ik je een tip geven?’ ‘Nee.’ ‘Ik weet niet zo veel van Latijns-Amerikaanse literatuur.’ ‘Je tekst is heel mooi geworden.’ ‘Ik miste het eenzaam zijn.’ ‘De vertaler moet ook eigen keuzes maken.’ ‘Hema is de beste winkel ter wereld.’ ‘Heb je een sigaretje, mooie vrouw?’ ‘Hier gaan mensen graag uit.’ ‘Het is zo’n bedrijfsevenement, stelt niet zo veel voor.’ ‘Oké, zeg dat zo nog een keer, maar dan korter.’ ‘Say my name, say my name.’ ‘I am flying to Dublin but I still have 5 hours or so.’ ‘Kan je deze zin niet beter in het Engels schrijven?’ ‘Literatuur ontstaat uit literatuur.’ ‘Ik weet het, ik kijk alsof het ontzettend moeilijk is om die plek te vinden, maar dat valt mee.’ ‘Weet je de weg terug?’
05-11-17
‘Heb je een boek gekocht?’ ‘Ja,’ zeg ik dolgelukkig. (Ik ben namelijk een beetje koopziek). ‘Welk boek precies?’ ‘Dat van Margo Jefferson. Ze is hier ook op het festival.’ ‘Cool. Hoe heet het?’ ‘Sorry?’ zeg ik alsof ik de vraag niet heb verstaan. ‘Hoe heet het boek?’ ‘Eh... het zijn haar memoires.’ Ik aarzel. ‘Wacht, ik laat het je zien.’ Instemmend geknik, geïnteresseerde blik. De avond daarop, op weg naar het Humanity House, begint het pijpenstelen te regenen. Ik vind toevlucht in de inrit van een parkeerkelder, rook een sigaret en luister. Het gekletter van regendruppels. Vloekende meisjes op weg naar huis. Turkse popmuziek uit een langsrijdende auto. Het blijft regenen. Ik vis het boek waarvan ik de naam niet kan uitspreken uit mijn tas, sla het open: ‘I was taught to avoid showing off.’ Een ijzersterke zin. Een eerste zin die het hele verhaal omvat: privileges, status, de angst voor verlies. Voorop  een lachende vrouw in een chic mantelpak. Witte handschoenen. Jaren vijftig. Ik zit op de houten trap van het Humanity House en staar naar de saffierblauwe schoenen van Margo Jefferson. De zeventigjarige kleedt zich eenvoudig en best wel cool. Haar afro heeft een gouden schijnsel, als de kroon van een koningin. Toen ze klein was, moest ze haar haar laten stijlen, vertelt Jefferson ons meteen aan het begin. Dat vonden haar ouders heel belangrijk. ‘We moesten er niet alleen wit uitzien. Het was een heel specifieke witte look waar we ons op richtten. De Afro-Amerikaanse toneelcriticus is opgegroeid in een gezin uit de upper middle class in het Chicago van de jaren vijftig. Ze woonde in een goede buurt, ging naar een goede school en had witte vriendinnen – in schril contrast met de meeste andere zwarte kinderen van haar generatie. En in de kern gaat Jeffersons boek precies daarover. Over een leven dat indruist tegen het stereotype, maar toch altijd weer met dat stereotype wordt geconfronteerd. Over de verdringing van ethnische afkomst door sociale klasse. Ze vertelt hoe haar werd geleerd om in taal en gedrag zo min mogelijk op te vallen, zo perfect mogelijk te zijn. ‘Als ik op school een slecht cijfer had, zei mijn moeder: “Nu denkt je docent dat zwarte kinderen dom zijn.” We waren representanten van een hele bevolkingsgroep. Alles wat we deden was symbolisch,’ zei ze. Later was Jefferson actief in de Black Powerbeweging. Haar geprivilegieerde jeugd weerhield er haar uiteindelijk niet van om te protesteren tegen ongelijke machtsverhoudingen. Als vrouw, als zwarte vrouw ervaart ze onderdrukking namelijk ook in zogenaamde ‘verlichte’ contexten. De boektitel die ik niet kan uitspreken luidt overigens Negroland. En Jefferson ontleende hem aan juist die tijd van empowerment waarin de Black Powerbeweging het woord ‘Negro’ (met hoofdletter N) als politieke begrip gebruikte. Later veranderde die geuzennaam ‘Negro’ in ‘Black’, en ten slotte ‘Afro-American’. De boektitel, zo verklaart Jefferson, beoogt wel degelijk om een bepaalde historische periode expliciet te beschrijven. ‘En ja, dat ongemak is de bedoeling.’ Ik denk dat ik niet de enige zal zijn die bij het lezen in de tram overweegt de titel af te dekken.
04-11-17
'Was het een Nederlander?' vraagt hij me. We zitten aan het avondeten in een voormalige kerk. Er staat witte koolsalade op het menu. 'Volgens mij wel, maar geen idee, we spraken Engels met elkaar,' antwoord ik. 'Was zijn Engels goed?' Ik denk na. 'Ja, nou... Jawel. Niet slechter dan dat van mij.' 'Maar was het een Nederlander?' vraagt hij weer. 'Waaraan had ik moeten zien of het een Nederlander was?' 'Zag hij eruit als een Nederlander?' Ik ben in de war. 'Hoe ziet een Nederlander eruit?' 'Nou, zoals ik,' antwoordt hij. Ik kijk hem onderzoekend aan en drink een slok Sprite. De eerste festivalavond pulseert en ruikt naar bier. Een flesje valt op de grond, een gespierde man duwt me opzij om zijn geliefde, die achter de bar werkt, te zoenen. Roze en neongeel licht wordt op gevels geworpen zodat we in een oogopslag kunnen zien waar de festivallocaties zich bevinden. We lezen verhalen over auto's en over schoonmaken en sterven en over gejatte lippenstift en het leven zelf. Ik doe mijn ogen dicht. Ik open ze. Sytske en ik zitten op een koude stenen trap voor de ingang van Het Paard. Ik vis twee tijdschriften uit mijn tas waar we op kunnen gaan zitten zodat we geen blaasontsteking oplopen. Sytske zit op het Missy Magazine (dat wordt uitgegeven in Berlijn, daar waar ik woon), ik zit op De Groene Amsterdammer (uit de stad waar Sytske woont). We hebben het erover hoe moeilijk het is om in het openbaar over je eigen teksten te spreken. 'Ik wil niet praten. Dat is waarom ik schrijf,' zegt Sytske en neemt een trek van haar sigaret. Ik moet lachen. Omdat ze gelijk heeft. Natuurlijk kan ook ik niet met elke persoon eerlijk praten over mijn eigen schrijfwerk. Maar mensen hebben vragen. Meestal zelfs dezelfde. Daarom verzin ik een paar antwoorden en herhaal die telkens opnieuw. Sytske vindt dat een goede oplossing. We gaan naar binnen. In het Heartbreak Hotel spelen Massih Hutak en Kerem Özilhan. Ze rappen in het Nederlands over vluchtelingen. Dat is althans het enige woord dat ik begrijp. Maar het nummer is helemaal niet melancholisch of bozig. Integendeel, er wordt gedanst. Sytske vertaalt in mijn oor: 'Nederland is zo mooi dat ik constant moet huilen'. We kijken elkaar grijnzend aan. Niet dat ik het er niet mee eens zou zijn. Nederland is natuurlijk fantastisch mooi, voor mij, als toerist. Maar ik mag die bijtende ironie wel van iemand die waarschijnlijk geen ander land zo goed kent als Nederland, maar die niet voor 'Nederlander' doorgaat. Volgens bepaalde criteria tenminste. (Hij is niet wit). Ik wil nog één nummer van Pink Occulus meepakken, maar als ze op het podium staat, lukt het me niet meer om weg te gaan. Ze draagt een gouden jurk, heeft een ontzettend ontroerende stem en danst als een godin. Het voelt alsof ik aan alle nummers en zangeressen word herinnerd die ik op mijn zestiende keihard draaide wanneer ik verdrietig was en ik mijn kamerdeur op slot deed. Het is als hypnose. Op een zeker moment ga ik op weg terug naar het hotel. Oververmoeid sta ik weer voor de sculptuur van de Vriendinnen en rook. Ik denk terug aan tijden waarin alles zo fragiel leek.
03-11-17
We zijn in het uiterste westen. Ten westen van Den Haag is er niets, is de zee, dus niets. Of niet niets. Er is water, water, water en dan het Engelse Lowestoft. Volgens Google Maps althans. Ik ken Lowestoft niet, heb het nog nooit gezien, kan niet garanderen dat Lowestoft bestaat. Ik heb nog nooit een plek westelijker dan Den Haag gezien. Of wel? Ligt de rest van de wereld misschien ten westen van Den Haag? Ik geloof van niet. Maar het zou kunnen. Ik ken Den Haag. Ik ken de brede straten van Den Haag, en die paar grasvelden en bomen en dieren. Ik zie veel rechthoekige tegels in Den Haag, overal lijnen, verticaal en horizontaal, ik zie rechte hoeken, ik zie geometrie, ik zie De Stijl. Ik was twee maanden geleden voor het eerst in Den Haag. Ik raakte de weg kwijt, of wist beter gezegd niet welke weg ik was kwijtgeraakt. Ik liep niet naar het westen maar naar het noorden en kwam niemand tegen. De stad was leeg. Ik zag alleen auto's voorbijrijden, of parkeren, ik zag gezinnen uit auto's buitelen, en op een zeker moment zag ik een hert achter een grote boom en onder de grote boom zat een stelletje te knuffelen. Op een gegeven moment belandde ik in Chinatown. Vroeg of laat beland ik altijd in Chinatown. Waarom zoek ik in het westen altijd naar plekken die op het oosten willen lijken? Waarom ga ik niet meteen naar het oosten? Ik heb nooit op reis gewild naar China, maar ik wil altijd naar Chinatown, of Little Istanbul, of naar de Street of Arabs. Ik ben op mijn gemak tussen mensen die zich overal thuis voelen. Die hun slakkenhuis meeslepen zoals ik mijn handbagagekoffertje met kapotte wieltjes. Ik voel me daar op mijn gemak. Ik begrijp het idee, het is een museum, ik hou van musea met gratis toegang. Dat zijn meestal de beste. Voor ik afsla richting Chinatown, stuit ik op een sculptuur, pal voor de bibliotheek. Ze staat op een zwarte sokkel en heet 'Vriendinnen'. Ze toont twee meisjes die samen naar een smartphone kijken. Of meer een tablet eigenlijk, gezien het formaat. De vriendinnen glimlachen terwijl ze naar de tablet kijken. Ze dragen alle twee een tuniek over hun jeans, en een blauwe hijab op hun hoofd. Ze vielen me pas 's nachts op, toen ik slapeloos over straat liep om moe te worden. Ik bleef staan, bekeek ze. Ik voelde me minder alleen. Ik heb Salima gesproken. Ze woont in Amsterdam en zegt: 'Fuck! Fatma, waarom heb jij dat boek geschreven? Dat is mijn verhaal! Dat moest ik schrijven.' Ik had haar graag omhelsd. Ik heb gesproken met de man in de winkel die Waterworld heet, helemaal aan de rand van Chinatown. Hij hield me een zakje voor en zei: 'Ruik eens, is zoet! Met ananas!' Ik hou eigenlijk niet van ananas, maar dat zei ik niet tegen hem, uit beleefdheid. 'Mmm,' deed ik en nam het zakje met dank aan. Ik heb iemand gekend, jaren geleden, hooguit tien, ik schopte een scène in zijn bijzijn en verdween. Toen ik hem daarna toch maar besloot te zoeken, was hij verdwenen. Ik hoorde dat hij naar Den Haag was gegaan om het Meisje met de Parel te bekijken. Hij is nooit meer boven water gekomen. Hier is hij niet. Maar ik zoek ook niet meer.
20-10-17
Ik ben opgegroeid in een dorpje in het zuiden van Duitsland, vijf minuten van de Franse grens. Toen ik op mijn achttiende mijn rijbewijs haalde, werd ik me pas echt bewust van de geografische ligging van mijn thuis. Keer op keer reed ik met vrienden naar het dichtstbijzijnde provinciestadje aan de andere kant van de grens, waar zich een filiaal bevond van de Franse supermarktketen Super U. We kochten er koekjes en limonade die we in Duitsland niet hadden. Er was niets speciaals aan de producten die we zochten. Steeds kochten we iets anders, als het maar onbekend was. Want het gaf ons een bijzonder gevoel van vrijheid om in een half uurtje op en neer naar het buitenland te rijden en zelfs souvenirs mee te nemen. Dat nu het festival in Den Haag, dat ik als observeerder mag bijwonen, ‘Crossing Borders’ heet, stemt me enigszins nostalgisch. Omdat het me aan de koekjes van de Super U doet denken. Maar ook omdat ik het gevoel heb dat het passeren van grenzen iets van vroeger heeft. Natuurlijk klopt dat niet. In tijden van Brexit en de onafhankelijkheidsstrijd van de Catalanen krijgen grenzen weer in toenemende mate betekenis. Mensen kiezen per referendum voor nieuwe grenzen, ze gaan ervoor de straat op, zetten hun vrijheid ervoor op het spel. En dan heb je nog de grensmarkeringen die niet bepaald gewenst waren, en waarbij overschrijding ervan je het leven kan kosten. Ik herinner me hoe een heel goede vriend me vertelde hoe zijn moeder op weg van Aleppo naar Antiochië langs meerdere checkpoints moest die nieuwe grenzen markeerden in een oeroude streek. Bij bepaalde checkpoints moest ze zich sluieren, aan de Turkse kant van de grens legde ze de zwarte stof die haar lichaam had verborgen weer af. Hij liet me foto’s van haar zien, hoe ze gierde van de lach, alsof ze zich in haar kostuum stond te hijsen voor een belachelijk themafeestje. Grenzen zijn ingewikkelde dingen. Ze laten zich niet zomaar categoriseren als goed of slecht. Pas twee zomers geleden zagen we honderdduizenden mensen op voettocht door Europa om de grens van een leefbare omgeving te bereiken. Er zijn talloze minderheden op de wereld, de Koerden in Turkije bijvoorbeeld, die al decennia lang vechten voor hun autonomie omdat ze onderdrukt worden en een grens hun bescherming zou kunnen bieden. Er zijn landen als Georgië, dat sinds 1989 onafhankelijk is maar desondanks grenzen kent die regelmatig zijn verschoven – met grof geweld. Dat de combinatie van muziek en literatuur net als de internationale line-up op dit festival kan worden opgevat als grensoverschrijding, heeft in zekere zin iets volstrekt eigentijds. Want in tijden van aanwassende en verhardende grenzen is het des te noodzakelijker om door kunst en collectiviteit de grenslijnen in ons denken en voelen in twijfel te trekken, ze af te tasten, en misschien er zelfs een stap overheen, aan de andere kant te wagen. Ze zijn er tenslotte om overschreden te worden.