We bereiden ons voor op de lezing die we vrijdagavond in de Londense Poetry Society gaan houden, als Niels me vraagt naar de uitspraak van een aantal woorden uit de Engelse vertaling van zijn eerste column: ‘parentage’, ‘nuance’, ‘mediatory’. Ik aarzel over het laatste woord – mijn woordenschat is breed maar gebonden aan de pagina, waardoor ik om de paar maanden mijn vriendje versteld doe staan door een verkeerde uitspraak. ‘Dat krijg je als je liever leest dan onder de mensen komt,’ smaalt hij. Ik zeg Niels dat ik ‘míediejuttorie’ zou gokken, maar ik suggereer hem om het Priya te vragen en volgens haar moet het ‘miediejéétorie’ zijn.
Niet alleen de ‘juiste’ uitspraak is een struikelblok voor me. De afgelopen jaren vond ik het lastig mensen uit te leggen waar ik woon: Newcastle (of zoals de plaatselijke bevolking het uitspreekt: Nioekéssel). Maar een accent – met zijn suggesties van maatschappelijke klasse, regio, etniciteit – is in schrift moeilijk nauwkeurig over te brengen, laat staan in vertaling, waardoor alle complicaties die zich opeenstapelen wanneer ik mijn mond opentrek tot op zekere hoogte worden uitgewist. Sommige dingen zijn eenvoudiger in vertaling. Als mij in Londen werd gevraagd waar ik vandaan kwam, nam men nooit genoegen met ‘Hackney’ en moest ik altijd mijn familiegeschiedenis vertellen. In Newcastle kan ik me beperken tot Londen. En als ik de trein naar het noorden pak en na anderhalf uur aankom in de volgende stad, Edinburgh, wordt het nog beter, want dan ben ik de Schotse grens over en word ik simpelweg Engels.
Door vertaling escaleert die simplificatie. Zoals ik mezelf nooit Engels noem, behalve op school met Frans (toen iedereen gelijk was bij het papegaaien van ‘Je suis Anglaise’), zo hoor ik mij in de Poetry Society een vraag over culturele verscheidenheid beantwoorden met de bewering dat ik nooit zo Brits ben als in Nederlandse vertaling.
Deze consolidatie van mijn identiteit valt aan duigen als ik voor Crossing Border in Den Haag aankom en me meld bij het hotel; prompt val ik terug in mijn gewoonlijke hoedanigheid als ‘buitenlands meisje met een onuitsprekelijke naam’. De receptionist beweert dat er geen kamer voor me is gereserveerd, al heb ik mijn naam al twee keer voor hem gespeld. ‘Ik zou niet weten onder welke andere naam de reservering zou kunnen staan,’ zeg ik en ik spel mijn naam nog maar eens voor hem. De derde keer doet wonderen en hij vindt de reservering. ‘Zelf heb ik ook een moeilijke naam,’ zegt hij begripvol. Later eet ik in de hotelbar een hapje met Priya en de violiste Ruth Palmer, die ik die middag op Schiphol heb leren kennen, terwijl we wachtten tot een lachende klarinetspeler onze minibusrit naar het hotel kwam completeren. Hij stelde zich voor en hij was erg aardig en vermoedelijk afgrijselijk beroemd maar ik verstond slechts ‘Barbarous’ of ‘Barrabas’ en nu was ik degene die geen namen kon uitspreken. Na het avondeten wijst Ruth me op mijn achternaam terwijl ik de kwitantie voor mijn kamer onderteken. ‘Waarom,’ vraagt ze, ‘heb je de i weggelaten?’ Ik kijk, maar de i staat er wel degelijk – ik ben niet plotseling de spelling van mijn eigen naam verleerd – het is gewoon wat moeilijk leesbaar. Terug in mijn kamer zoek ik ‘I’ op in een van mijn twee nieuwe Nederlandse taalgidsen en oefen de zinsnede ‘ik ben’.