Ik ben op een reis geweest waarbij geen paspoortcontrole nodig is en waarbij de
enige controleposten bestaan uit sprankelende opwellingen van blijdschap die
me alert maken op de heerlijke rijkdom van het leven waar ik doorheen word
gedreven. Ik ben in een paar uur de wereld rond geweest en heb de bedoelingen
begrepen van mensen die in vreemde talen spreken.
Ik heb een Nederlandse acteur in het Nederlands zijn chagrijnige leraar Duits van
vroeger zien imiteren. Terwijl hij hakkelend en tierend voor de zaal stond, werd
ik, net als de anderen in het publiek, de onderdrukte, lijdzame, haatdragende
leerling die nooit zal vergeten zo iets afschuwelijks te hebben moeten doorstaan.
Ik heb de grimmige, indringende huivering van vioolsnaren gevoeld, trillend
onder de krachtig, meedogenloze strijkstok om uitdrukking te geven aan Bartoks
compositie van oude Hongaarse volksliedjes. Aan het einde van de solo kleven
mijn wangen aan mijn tanden en is mijn mond uitgedroogd – ik heb tijdelijk het
slikken verleerd.
Ik heb gelachen om de snijdende ironie over de Amerikaanse hegemonie in een
gedicht van een Libische dichter. Ik heb tatoeages, armoede en lelijkheid pijnlijk
aangrijpend in beeld gebracht zien worden in een prachtig foto-essay. Bang Bang.
Ik ben opgeschrikt uit zelfingenomen oordelen om dingen in een nieuw licht te
zien.
Ik heb het woord ‘psittacophile’ geleerd en, in een voorgelezen verhaal, een glimp
opgevangen van de gekwelde ziel van één zo’n papegaaienliefhebber. Ik heb de
Tunesische zon gevoeld in de warme, lyrische klanken van Anouar Brahem op
zijn luit, begeleid door een klarinetspeler en een percussionist. Hun melodieën
streelden het haar op mijn huid zoals een briesje door het gras op de buik van de
aarde strijkt. Hun plagerige, ontroerende klanken kabbelden rond mijn oren zoals
de koele zee rond hete voeten: ontspannend, verfrissend.
Ik heb over de straten van Accra gelopen en heb, dankzij enig evocatief proza,
pinda’s geroken in de adem van politieagenten die het recht zo willekeurig
handhaven alsof ze aan het dobbelen zijn. Ik heb het leed van Palestijnen gevoeld
en de urgentie van hun zaak gehoord in de flonkerende, messcherpe teksten van
de rapgroep Dam. Ik heb gegild voor vrede in Palestina, terwijl een zware bas zo
luid in mijn borst bonsde dat het bijna mijn eigen hartslag uitwiste.
Ik heb een avond doorgebracht op het grensoverschrijdende festival Crossing
Border.
In het verloop van de openingsavond ben ik naadloos door al deze media,
onderwerpen en stijlen gegleden – voortgedreven door wat je alleen maar
hartstocht kunt noemen. De hartstocht van de kunstenaars zoals die tot
uitdrukking komt door hun diverse buitengewone talenten. Zulke optredens doen
je weer beseffen dat vertalen soms niet nodig is. Het is genoeg om de geest van
het moment te bevatten en toe te laten. Het is genoeg om je geest open te stellen
en de grens te overschrijden – van taal, geloof, onbekendheid, wat dan ook. Eén
kleine stap, en even is de kloof onzichtbaar.