1. Het einde
Op de publiciteitskaarten voor The Chronicles staren we je met ons zessen aan, maar in de praktijk is er een zevende, Matthijs Sluiter, kunstenaar, Hagenaar, chroniqueur van The Chronicles, die tekent zoals andere mensen ademhalen. In Londen kwam ons gesprek op hoe je kunstwerken in gaat (misschien was Niels gedachten over ‘interfaces’ uit aan het stralen en waren wij in het schootsveld beland) en op het feit dat je bij het bekijken van een beeld op elk punt kunt beginnen. Een verhaal in een foto of een plaatje is noodzakelijkerwijs non-lineair, omdat het oog van de kijker overal kan vallen. ‘Anders dan bij boeken,’ merk ik op, ‘waar je aan het begin moet beginnen.’ ‘O, begin jij altijd aan het begin?’ vraagt Matthijs. ‘Ik begin een boek vaak ergens in het midden.’ Daar heb ik even niet van terug. Strips lees ik nog wel eens zoals het uitkomt, afleveringen oppakkend die midden in een reeks zitten, soms zonder de laatste aflevering te halen. Poëziebundels lees ik ook vaak in willekeurige volgorde. Maar romans zijn anders. Met een hopeloos ouderwets gevoel zeg ik Matthijs: ‘Nee, ik begin altijd aan het begin.’ Maar toen ik me afvroeg welk boek ik naar Den Haag mee zou nemen om te lezen, moest ik – in een van die vloeiende overgangen van het universum – ineens denken aan het onaangeraakte exemplaar van Alasdair Gray’s Lanark in mijn boekenkast. De ondertitel luidt A Life in Four Books en het begint met boek drie. Dus ik kan aan het begin én in het midden beginnen.
2. Apocalypse whenever
Wrm houdn jongrn nt vn bkn? Gisteren kwamen we bijeen met een grote groep leraren voor een symposium over de klaarblijkelijke neergang van de literatuur in het Nederlandse onderwijs. Ik mag de apocalyps even graag voorspellen als iedere andere sensatiebeluste pessimist, maar ik begin moe te worden van alle mensen die het boek, het lezen of de cultuur dood verklaren. Dingen veranderen, maar je hoort mij niet zeggen of het ten goede of ten kwade is. Alleen door verandering weet je dat je níet dood bent en hetzelfde geldt voor taal en voor hoe we communiceren. Sommige mensen betoogden dat de Nederlandse woordenschat krimpt, dat jongeren een beperkt stel woorden gebruiken om een breed scala aan ervaringen te benoemen. Vergelijkbare angsten hoor je in Groot-Brittannië. ‘Zet de tv’s en de computers uit,’ opperde één leraar, vermoedelijk als grap. ‘Als ze zich vervelen, gaan ze wel lezen.’ Heeft literatuur werkelijk zo weinig waarde dat ze enkel in een vacuüm tot bloei komt? Ik geloof er niets van. Het boek is niet dood. Computerspelletjes en sms zijn niet het einde van de wereld. Wat mijn bewijs is? Dat heb ik niet, behalve dat de wereld ook niet ten gronde is gegaan toen mensen dingen begonnen op te schrijven in plaats van uit het hoofd te leren. En idem dito toen de drukpers het kloosterscriptorium uit de markt prijsde. Ons geheugen is kleiner geworden, dus het gaat me vermoedelijk niet lukken Beowulf regel voor regel in Oud Engels uit het hoofd te leren (tenzij ik besluit Brian Blessed te worden, de acteur die zo vaak historische rollen speelt) en de kunst van de marginaliën en de kaligrafie is verloren gegaan, maar hoeveel mensen kan dat iets schelen (buiten mijzelf)? Als er geen wereldwijde milieuramp of Derde Wereldoorlog komt, voorspel ik dat mensen die over duizend jaar op ons terugkijken zullen lachen om onze angsten. Maar ondertussen wel klagen dat de cultuur van hun eigen tijd dood is, dat spreekt.