Ik schrik wakker uit een nachtmerrie: mijn vader is veroordeeld tot gevangenisstraf en hij vertelt me dat hij zelfmoord gaat plegen. Ik probeer hem ervan te overtuigen het niet te doen, maar hij houdt voet bij stuk.
Nog steeds ben ik versuft door de jetlag, en hoewel ik opsta blijven mijn gedachten rondwaren door het rijk van de losse beelden. De stem van mijn vader komt en gaat. Wilde ik met de droom wraak nemen op hem omdat hij me heeft vergeleken met Spinoza? Of komt het doordat ik me schuldig blijf voelen over het feit dat ik hem publiekelijk ben afgevallen?
Op de gang kom ik Daphne tegen, de mooie schrijfster die niet graag haar huis uitkomt. Ik weet niet hoe ik me moet gedragen in haar gezelschap. Moet ik mijn mond houden? Weggaan om haar eenzaamheid niet te verstoren? In haar eerste column schreef ze immers dat ze niet graag onder de mensen komt. Toch is zij het die het gesprek aangaat, zonder omhaal zegt ze dat ik er moe uitzie. Zou ze mijn nachtmerrie ook al hebben ontrafeld? Zou ze ontdekt hebben dat ik schuldig ben aan de arrestatie en zelfmoord van mijn vader?
Terwijl Daphne een broodje salami eet en ik yoghurt met muësli, praten we over onszelf en we ontdekken overeenkomsten en verschillen. Als ze zegt dat ze naar Museum de Gevangenpoort wil, om de verhalen achter de politieke intriges, de strafmethoden en de folteringen te leren kennen, moet ik denken aan het laatste wat ik las voor ik naar bed ging: een artikel over de veroordeling van betrokkenen bij een groot corruptieschandaal in Braziliaanse kabinetskringen. Dankzij Daphne wordt het me duidelijk: het had allemaal niets met schuld, noch met wraak te maken, en al helemaal niet met Spinoza.
*
Telkens als ik iemand ontmoet uit Oost-Europa bedenk ik hoe relatief alles is. Terwijl in de jaren zestig en zeventig in Brazilië het communisme synoniem was aan vrijheid – of in ieder geval aan het bevrijd raken van de gruwelijke militaire dictatuur – was in Slowakije, waar Monika vandaan komt, het communisme juist de grondslag voor de dictatuur. Daar betekende vrijheid het bereiken van het vliegveld en de grens oversteken.
*
Veel van de tot gevangenisstraf veroordeelde politici maakten deel uit van het verzet in Brazilië, ze hadden idealen en vochten voor een betere wereld. Zo ook mijn vader en daarom ben ik, in ballingschap, geboren in Lissabon. Onderweg naar mijn kamer, na het gesprek met Daphne, voel ik me opgelucht over mijn vader, die zijn politieke activiteiten al lang geleden heeft laten varen. De gevangenis is een ongegronde angst die zich alleen in dromen openbaart.
*
Bij de receptie pak ik een plattegrond van de stad, ik vraag naar de bezienswaardigheden en hoop een perfecte wandeling uitgestippeld te krijgen. Eenmaal op straat vergeet ik de kaart in mijn jaszak, ik slenter zonder doel en let niet op straatnamen, ervan overtuigd dat ik straks niet meer weet hoe ik terug bij het hotel kom.
Bij toeval kom ik aan bij de Gevangenpoort. In het museum bekijk ik martelwerktuigen, strafbanken en teksten over de verschillende strafmethoden uit vervlogen eeuwen: oog om oog, tand om tand. Het museum zelf is niet bijster interessant, maar bewijst me toch een dienst: het brengt me naar de galerie ernaast, waar het schilderij “Een jongen gebeten door een hagedis” van Caravaggio hangt. Als er één schilder in de wereld is waarvoor ik kilometers zou lopen om een enkel doek van te zien is hij het wel.
*
Eenmaal achter de computer besef ik dat ik Spinoza ben vergeten, ik ben niet op zoek gegaan naar zijn sporen. En ik bedenk dat reizen, net als schrijven, bestaat uit het vergeten van bepaalde dingen om weer andere te ontdekken.
*
Zojuist kreeg ik een mailtje van de Portugese vriend in Amsterdam, hij schrijft dat hij vandaag een literatuurdocent heeft ontmoet die gespecialiseerd is in de inquisitie. Hij weet alles over de joden uit de zeventiende en achttiende eeuw in Nederland en heeft een boek geschreven over de rabbijnen die van over de hele wereld het land bezocht hebben. Hij stelt voor morgenmiddag met hem af te spreken, dan kan hij me alles vertellen over Salom Salem.