Je moet zogenaamd je beste beentje voor zetten. Volgens een oud Keltisch volksgeloof brengt een reis waaraan je met je linkerbeen begint ongeluk. Lang was ik ervan overtuigd dat ik linksvoetig was. Toen vertelde een professionele zorgverlener me dat ik geen-van-beide-voetig was. Mijn lichaam kiest willekeurig voor links of rechts. Ik vraag me af hoe vaak ik de ongelukskant kies?
Ik sta op in het donker en wacht buiten op straat tot de Uber komt. City Airport? Ja, ik vertrek van London City Airport. De chauffeur wil weten waar ik heenga en ik zeg Rotterdam. Vakantie? Nee, werk. Woon je daar? Nee – hier, in Londen. Waar kom je vandaan? Ik zeg dat ik hier vandaan kom. Je ziet eruit alsof je uit Vietnam komt.
Een bepaald type gesprek voer ik uitsluitend als ik alleen in een Uber zit. Ik ga zelden alleen. Over het algemeen ben ik meer een openbaar-vervoersgebruiker. Maar in het holst van de nacht, of met een zware koffer, of naar het vliegveld gun ik mezelf een solorit. Daar is wel een meerprijs aan verbonden. De taximannen willen altijd weten waar ik vandaan kom. Eerdere inschattingen waren Thais, Chinees, Japans, Oosters, Exotisch. Ik ben van gemengde afkomst, al is dit meer of minder vanzelfsprekend voor verschillende mensen. Een ex-vriend reageerde verbaasd omdat ik niet gewoon een blank meisje was. En toch heeft deze chauffeur iets buitenlands aan me ontdekt. Hij moet mijn gezicht nauwelijks kunnen zien. Ik verzink in de schaduw van de achterbank. De flauwe oranje gloed van straatlantaarns flitst in strepen over mijn schoot terwijl de taxi over de weg voortsnelt. Het is een raadsel hoe hij genoeg van mijn gelaatstrekken heeft kunnen onderscheiden om hem nieuwsgierig te maken. Maar ik dis mijn genetische voorgeschiedenis op. Gaaf. Opgelucht door dit eenlettergrepige antwoord steek ik mijn handen dieper in mijn jaszakken. De jas is zo oud dat de zakken zijn doorgesleten en mijn gebalde handen liggen in mijn schoot. Ik hoop maar dat hij niet begint over de vele deugden van de Oosterse vrouw, wat eerdere chauffeurs weleens gedaan hebben.
Ik protesteer niet hardop tegen deze keuring van mijn DNA. Daarvoor ben ik me er te sterk van bewust dat de chauffeur aan het werk is en ik de verwende klant ben die achterin lekker kan luieren. Dus glimlach ik en vraag of hij altijd al in Londen heeft gewoond? Hij komt uit Roemenië. Intussen al vier jaar in Londen. Hoe bevalt het hem in Londen? Soms prima. Soms verschrikkelijk. Hier ben je altijd maar aan het werk. Hij vertelt me dat hij voorheen bestellingen rondbracht, maar dit is beter. Meer rust. Het is lang niet zo zwaar als eerst. Ooit ga ik een eigen bedrijf beginnen. Ik vraag wat voor bedrijf, maar dat weet hij nog niet. Die kans komt nog wel. Hoop ik. Wat voor werk doe jij?
Ik ben een schrijver. Ik vertel hem dat ik naar Nederland ga om over een festival te schrijven.
Dan ben je vast een goede schrijver.
Ik zou het niet weten.
We komen op tijd aan. Veel geluk en verdien maar heel veel geld!
Ik lach om de onverwachtse, ongepolijste gelukwens en bedank hem. Later in het vliegtuig vraag ik me af, had ik hem niet hetzelfde moeten wensen? Of, op zijn minst, tegen hem moeten zeggen dat ik hoop dat zijn kans snel opduikt?