Vrijdagochtend heeft DBC Pierre het over schrijvers en hun rituelen. Lize Spit stelt dat schrijvers bijgelovig zijn. Om mijn nek hangt een ketting met daaraan een in zilver gegoten vorkbeentje. Ik frunnik eraan onder mijn sjaal.
De officiële benaming van een vorkbeen is furcula. Dit is Latijn voor ‘vorkje’ en een goede beschrijving van de vorm van dit tweetandige bot. Mensen hebben geen furculae. Het bot komt alleen bij vogels voor. Het is een vergroeid sleutelbeen, dat het skelet de stevigheid biedt om te kunnen vliegen.
Mijn oma leerde me dat als twee personen elk met hun pink een uiteinde van het vorkbeen vastpakken en het doormidden breken, degene die het grootste stuk overhoudt een wens mag doen. Ik kan me herinneren dat ik dit spel speelde toen ik nog heel jong was. Vreemd genoeg weet ik niet meer of ik gewonnen heb, of dat mijn wens is uitgekomen. Maar ik herinner me het bleekgrijze oppervlak van het bot. Het voelde heel dun aan. Kennelijk waren wensen gemaakt van de breekbaarste dingen.
Het botje breken dat onder mijn hals bungelt heb ik nog niet geprobeerd. De mal waarin het gegoten is, is gevormd van het vorkbeen van een patrijs. De kunstenares die het gemaakt heeft vertelde me dat ze het botje van haar vader heeft gekregen. Volgens haar kon hij niet begrijpen waarom ze sieraden maakte van dierenskeletten, maar had hij het toch voor haar bewaard. Mijn partner heeft de halsketting voor me gekocht. Ik weet niet wat het te betekenen heeft wanneer je iemand de hele wens geeft, maar het voelde als een teken van genegenheid. Ik geloof dat het bot geluk brengt, al heb ik daar geen bewijs voor. Misschien heb ik gewoon geluk dat iemand me een wens gegeven heeft.
Langer geleden werd geloofd dat wanneer je het schouderblad van een konijn neemt, er negen spelden insteekt en het vervolgens onder je kussen legt, je zult dromen van je ware liefde. Ik ken niemand die het geprobeerd heeft. Misschien worden konijnen weinig meer gegeten. Misschien hechten we teveel waarde aan onze witte lakens. Misschien zijn we bang voor ziekteverwekkers. Ik vraag me af of iemand het dit jaar heeft gedaan. Waar droomden ze van? Wie hoopten ze te zullen zien?
Later op de dag loop ik naast Elinor Archer – die goed zorg draagt voor ons, de schrijvers. Ik vraag haar naar Nederlandse vormen van bijgeloof. Ze zegt dat ze eigenlijk niets typisch Nederlands kan bedenken, alleen de welbekende ladders en zwarte katten. Nederlanders, zegt ze, doen heel nuchter over dat soort dingen. Als je nuchter kunt zijn waar het op bijgeloof aankomt, kun je er dan ook dronken van zijn? Het lijkt me een prachtig idee dat je dronken kunt zijn van toverij. Zoiets als beneveld zijn van de fasen van de maan.
Elinor raadt me aan om rond te vragen, misschien dat iemand anders nog iets weet. Later, in de artiestenlounge, vraag ik of iemand een Nederlands bijgeloof kent. Ze kijken verbaasd en denken er even over na. Vervolgens schudt iedereen zijn hoofd. Nederlanders, zeggen ze, staan liever met beide benen op de grond. Ik denk dat het soort geloof in jezelf dat de behoefte aan bijgeloof wegneemt ook iets bovennatuurlijks is.