Je kunt niet om de kraaien heen op Crossing Border. Op de plattegronden, programmaboekjes en tickets zingt een kraai en speelt hij ukelele. Kraaiensilhouetten hangen als mobiles boven de podia. Hun schaduwen tollen rond over de vloer. Wanneer PJ Harvey haar poëzie voordraagt, worden ze op de muur geprojecteerd. Ze bestaan dan uit rood licht.
Althans, ik neem aan dat het kraaien zijn. Twee keer noem ik ze kraaien en twee keer wordt ik niet gecorrigeerd. Het zouden ook merels of raven kunnen zijn. Stom van me dat ik het niet gevraagd heb. Ik ben altijd dol geweest op de Corvidae – kraaien, raven, eksters en kauwen. Maar het lijkt een vreemde keuze waar het gaat om een muziek- en literatuurfestival.
Vergilius beschreef de rauwe schreeuw van de kraai als een roep om regen. Tijdens mijn verblijf regent het elke dag. Op zaterdagochtend gaat mijn jas kapot. Het was een fijne jas, versleten, in een donkergrijze tint die beter aanvoelde dan zwart. Hij ging dicht met een zware metalen sluiting op mijn linkerschouder. Een vriend heeft ooit een tekening van me gemaakt met die jas aan – hij noemde het een heksenmantel.
Ik sta in het museum. Ik draai me om zodat ik Vermeers Meisje met de parel aan kan kijken, en hoor geklingel. Andere bezoekers draaien zich om en kijken naar me. Aan mijn voeten ligt de helft van de sluiting, door midden gebroken. Zonder waarschuwing heeft hij me in de steek gelaten. Ik had geen plotselinge bewegingen gemaakt, ik had er niet aangezeten. Misschien had ik de gescheurde jaszakken niet moeten beschrijven in het tweede blog in deze reeks. Misschien was het overmoedig om er trots op te zijn dat ik hem al zo lang had.
Ik dwaal rond op het festival met de slobberige grijze trui aan die in de winkel werd aangeprezen als een Wolkentrui. Uit wolken moet het regenen, ze moeten niet verregend raken. Daarom zoek ik mijn toevlucht in een klein cafétje met het boek dat ik heb meegenomen. Het is geschreven door Nicholson Baker en gaat over een dichter. De dichter in het boek heeft het over het gedicht van Poe, The Raven. En ik herinner me dat Dickens een tamme raaf had die Grip heette. Het verhaal gaat dat Poe deze raaf een keer heeft ontmoet en sommigen vermoeden zelfs dat het huisdier van Dickens de inspiratie vormde voor Poe’s gedicht. Misschien is de vogel van Crossing Border wel deze literaire held. Ik werp een snelle blik online en inderdaad, de vogel blijkt een raaf te zijn. Dus toch geen kraai.
Als ik het café uit loop, regent het nog steeds. Eenmaal weer in het hotel is mijn haar even pluizig als mijn trui. Ik sta even stil voor de spiegel in de badkamer, overweeg hoe ik mezelf moet fatsoeneren. Kraaiachtigen zijn in staat zichzelf te herkennen in een spiegel. Een spreeuw zal denken dat de gereflecteerde bruine bal dons een andere vogel is. Een volksgenoot. Een kraaiachtige weet wanneer hij alleen is. Blijkbaar is dit een graadmeter van intelligentie – het vermogen jezelf te herkennen.
Het is me wel eens overkomen dat ik in een drukke kamer stond en aan de andere kant een lichaam zag, om vervolgens te beseffen dat het om mijn eigen lichaam ging. En dat wat ik zag mezelf in spiegelbeeld was. Naderhand probeer ik me dan te herinneren wat voor indruk de vreemde die eigenlijk mij was op me maakte. Meestal helemaal geen.
In het hotel keer ik de spiegel de rug toe. Het is tijd om me weer bij de raven te voegen.