Mijn ideaal van een reiziger is Immanuel Kant. Reizen ongeacht waarheen is volledig verstoken van enige zin. Je zult er niets zien, niets ervaren. Ten eerste, het is overal min of meer hetzelfde. Waar je ook heen gaat, weet dat het daar allemaal min of meer ingericht is als bij jou. Ten tweede, zelfs als ze daar wat te tonen hebben wat je nog niet gezien hebt, dan lukt het je toch niet om alles te zien, en zelfs als je het te zien krijgt, dan onthoud je het toch niet, je haalt alles door elkaar en alles vloeit samen tot een groot geheel. Zinloos. De confrontatie met zinloosheid is echter altijd enigszins nuttig. Misschien is dat juist de zin van het reizen.
Ik ben bang dat in tegenstelling tot wat de volksmond beweert, reizen niet vormen. Dat wil zeggen, ze vormen, maar alleen degenen die daarvoor al voldoende gevormd waren. In het museum zie je alleen de schilderijen die je eerder in de reisgids hebt gezien. Zonder voorbereiding zie je het onderscheid niet tussen Vermeer en de brandveiligheidsinstructie. Sinds een aantal weken ben ik me dus intensief aan het voorbereiden op mijn verblijf in Nederland. Ik bekijk albums, blader Spinoza door, lees de Erflaters van onze beschaving, Herbert en Huizinga. Ik herlees Mulisch, Wolkers en Nooteboom. Wie weet komt er een overhoring?
Want ja, ik heb desondanks besloten om Vermeer eens van dichtbij te gaan bekijken nu ik die gelegenheid krijg (de enigszins genante narratieve situatie is dat Nederlanders mij laten komen om een paar dagen voor Nederlanders reportages uit Nederland te schrijven – zo staan de zaken er helaas bij). Daarom bekijk ik hem van tevoren om hem vervolgens al aandachtig bekeken te hebben en te kunnen schrijven dat ik hem zojuist heb gezien en hoe mij dat heeft geraakt. Ik moet me thuis boven de boeken voldoende laten raken en proberen deze emotionele staat in stand te houden tot het fysieke bezoek aan het Haagse Mauritshuis en het Amsterdamse Rijksmuseum. Over het algemeen zijn de deelnemers aan het festival, waarvan ik verslag moet doen, die me het meest interesseren toch Vermeer en Spinoza; dat is de waarheid. ‘Dat moet je ze alleen niet zeggen’, suggereert mijn vrouw.
‘Ook denk ik niet dat ze je daar gaan overhoren over de grondleggers van de Nederlandse cultuur’, zegt ze. ‘Ze zullen eerder belangstelling hebben voor de Poolse cultuur. Vooral de hedendaagse’. Dat is dan nog erger, denk ik bij mezelf, want ik ben niet zo goed thuis in de Poolse cultuur, vooral de hedendaagse. ‘Of die zogenaamde Pools-Nederlandse culturele banden’. Die zijn er toch wel?
Ja, er is een gedicht van Zagajewski over Hollandse meesters, er is Szymborska over Vermeer (dat leer ik nog wel uit mijn hoofd), en een van onze romantici heeft zelfs een Nederlandse periode gehad, maar ik kan me op dit moment helaas niet meer herinneren wie dat ook alweer was. Is dat voldoende? (‘Wel een beetje duf’, merkt mijn vrouw op).
Goed, ik weet het, in dat geval kan ik je vertellen hoe Marco van Basten het communisme omver heeft geworpen. Wil je dat horen? Dat ging zo: ik was acht en ik keek bij mijn opa en oma de finale van het Europees kampioenschap. Voetbal, mannen, senioren. Nederland speelde tegen de Sovjet-Unie (ik vrees dat opa eerder voor de Sovjet-Unie was, maar daar gaat het nu niet om). Het was dus 1988 en de Sovjet-Unie had eigenlijk al haar beste tijd gehad, maar hield zich nog best aardig staande, maar Gullit scoorde eerst met het hoofd (want hij scoorde altijd met het hoofd), en daarna maakte Van Basten een van de meest adembenemende doelpunten uit de geschiedenis van het voetbal en kon de Russische keeper Dasajev lange tijd niet van zijn knieën omhoogkomen alvorens ten slotte de bal uit het net te halen. Maar de Sovjet-Unie is niet meer van haar knieën omhooggekomen, een jaar later hadden we in Polen vrije verkiezingen.
‘Ik wist niet dat je belangstelling had voor voetbal’, zegt mijn vrouw. Want ik heb er ook helemaal geen belangstelling voor. Niet meer. Ik verloor mijn interesse in 1992 bij het volgende Europees Kampioenschap. Marco van Basten miste een penalty. Toen constateerde ik dat het heelal een plek is die onverschillig is voor menselijke zaken, god niet bestaat en de fysieke werkelijkheid wordt beheerst door chaos. Zinloos. Het is met voetbal waarschijnlijk net als met reizen. De enige zin is dat het de mogelijkheid geeft tot een confrontatie met zinloosheid.