Elies Smeyers
De tijd doden
13-08-2014

Belfast, 1992

Ik probeer zelfmoord te plegen op de eerste dag van maart, een zondag. Ik heb het niet gepland. Op de één of andere manier sta ik ineens zomaar in de badkamer met bonzend hart naar het waterachtige licht door de geribbelde vensterruiten te kijken, ik weet dat ik het ga doen, en opeens lijkt het allemaal te kloppen. Ik ga op mijn knieën zitten om helemaal tot achter in de kast onder de wastafel te kunnen komen waar de medicijnen liggen, rommelend tussen pleisters en maandverbanden en plakkerige flesjes kruidenhoestsiroop, en voor ik het goed en wel besef zit ik in kleermakerszit op mijn bed, duw ik de paracetamoltabletten uit de doordrukstrip en schud ik alle overgebleven kinderaspirines uit het flesje, tot er een hoopje ontstaat dat ik in een rijtje leg op het dekbed.

Ik heb geen flauw idee van de dosering. Mijn moeder, een fitnessverslaafde gezondheidsfreak, gelooft niet in pijnstillers, behalve in uiterste noodgevallen. Mijn broer en ik zijn opgegroeid met kruidnagelolie tegen kiespijn, valkruid tegen blauwe plekken en kamillethee tegen buikpijn. Ze koopt de kamillebloemen in stoffige zakjes bij Nature’s Way op de Upper Newtownards Road, samen met gedroogde moederkruidblaadjes voor haar terugkerende hoofdpijn en van die Chinese thee die bedoeld is om je eetlust te verminderen. Ik heb hem ooit geprobeerd: het is waterig en bitter en heeft een bruinige smaak, en je tong wordt er droog van in je mond.

Ook nu is mijn mond droog. De tijd gaat hortend en stotend vooruit, en toch ben ik methodisch genoeg geweest om de tandenborstelbeker met water te vullen en die met me mee naar de slaapkamer te nemen. Ik breng de beker naar mijn mond en neem een slokje. De rand is breed en het water erin is slijmerig en heeft een muntig smaakje. Maar ik vertrouw mezelf niet om naar beneden te gaan en een echt glas te halen, of zelfs om naar de badkamer te gaan om de beker uit te spoelen en opnieuw te vullen. Ik slik en probeer de gebruiksaanwijzing op het pakje paracetamol te lezen. Kinderen onder de 12 jaar, staat er, mogen niet meer dan vier tabletten per 24 uur innemen. Volwassenen mogen er maximaal acht innemen. Er zijn nog acht tabletten over, en ik ben nog maar net dertien. Ze allemaal tegelijk innemen moet zeker ook een verschil maken. Ik bekijk de verpakking van de kinderaspirines aandachtig. Het zijn kauwtabletten met kersensmaak en de vervaldatum is al jaren verstreken. Het meeste dat ze kunnen uithalen, besluit ik, is niets. Ik leg één van de tabletten op het dekbed recht, op gelijke hoogte met een tweede tablet. Ik hoor een soort gesuis in mijn oren. Ik neem nog een slokje van het zompige water. Dan begin ik de paracetamol door te slikken, twee per keer. Een liedje barst los in mijn hoofd: een fragment van een liedje, een onnozel kinderrijmpje van jaren geleden. De dieren liepen per twee naast elkaar, hoera hoera. Ik slik de laatste twee tabletten paracetamol in. De olifant en de ooievaar. De kinderaspirines smaken scherp en in het geheel niet naar kersen. Ik moet mezelf inhouden om ze niet uit te spugen. Ik blijf eventjes stilzitten. Het liedje en de dieren paraderen door mijn hoofd, telkens opnieuw, met hun onophoudelijk dreunende poten. De eenhoorn kwam juist te laat om te schuilen voor de regen. Ik veeg het spoor van wit stof dat op mijn dekbed ligt weg en sta op. Ik staar mezelf aan in de spiegel. Mijn pony is toe aan een knipbeurt. Ik neem de beker mee naar de badkamer en zet er voorzichtig de tandenborstels weer in, fel en onbuigzaam op hun plastic stelen. Dan poets ik mijn tanden om de chemische smaak uit mijn mond te krijgen en loop ik terug naar mijn slaapkamer en ga op bed liggen.