Elise Kuip
De waarheid van Komsomol
30-07-2014

Eind september 2008 ontving ik een e-mail van ene ELMONSTRO met als onderwerp ‘Hallo, Alina! Charkov hier!’ ELMONSTRO bleek in het echt Kiril te heten en te schrijven voor de Charkov-editie van de krant Komsomolskaja Prawda, wat hij voor me vertaalde als ‘De ware Komsomol’. Hij had ontdekt dat ik in Charkov was geboren en wilde me interviewen over mijn nieuwe album, een verzameling covers van de Sovjetpunkzanger Yanka Dyagileva. ‘Als jij wil,’ schreef Kiril, ‘onthul dan alle nieuws over jouw creatie aan ons.’

Niemand uit mijn Oekraïense geboortestad had ooit eerder belangstelling getoond voor mijn muziek, dus dit kwam als een verrassing. Het ontroerde me zelfs een beetje. Ik was zo jong toen mijn ouders de Sovjet Unie als politieke vluchtelingen verlieten dat ik me er niets meer van kon herinneren, maar soms voelde ik het toch: een Charkov-vormig gat in mijn hart. Bovendien had de roep van het vaderland geklonken op een moment dat ik me bijzonder thuisloos voelde, want ik was net van North Carolina naar een tijdelijke onderhuurwoning in Brooklyn verhuisd. Mijn nieuwe appartement besloeg de bovenste verdieping van een oud, bakstenen herenhuis dat dringend aan renovatie toe was. De eerste keer dat ik er binnen stapte lagen de kastdeuren bovenop elkaar op de grond en de gaten langs de verrotte raamkozijnen waren zo groot als handgranaten. Het opendraaien van de warmwaterkraan in de douche stelde je geluk dusdanig op de proef dat het leek op het draaien aan een roulettewiel. En in plaats van uit de douchekop kwam het meeste water uit de muur, die zo net een soort Bijbelse rots leek. Ik duwde ’s ochtends mijn lichaam tegen het water dat langs de tegels stroomde voordat het laatste beetje warmte in de muur verdween. Het was zo’n plek waar je gedachten te vaak afdwaalden naar je huidige situatie en je sombere vooruitzichten. Een interview met de ‘De ware Komsomol’ zou in ieder geval betekenen dat me ik eens op iets anders kon richten dan de drie nummers in het geheugen van mijn telefoon waarop ik volgens mijn huisbazin haar mogelijk denkbeeldige klusjesman kon bereiken.

We waren weggegaan uit Charkov omdat mijn vader op de zwarte lijst van de KGB stond, maar als ik vroeg waarom antwoordde papa altijd dat hij dat niet precies wist. Dacht ik soms dat hij op een dag simpelweg een standaardbrief op KGB-papier in de bus had gekregen die begon met ‘Het spijt ons u te moeten meedelen dat…’ en eindigde met een keurige opsomming van zijn overtredingen? Als je hem bleef uithoren sputterde hij uiteindelijk altijd dat ik geen ‘dissidente vrijheiddstrijder’ van hem moest maken waarna hij zijn toevlucht zocht in een geel notitieblok met wiskundige vergelijkingen. Hij weigerde om onze vlucht uit de Sovjet Unie te romantiseren, om me er een voorstelling van een soort avontuurlijke actiefilm uit de jaren tachtig van te laten maken. ‘Je moet niet denken dat ik ooit een Stormtrooper heb afgeslacht,’ leek zijn waarschuwende blik te zeggen, ‘of me al breakdansend naar de vrijheid heb gedanst.’

Papa gaf wel toe dat het waarschijnlijk iets te maken had met het feit dat hij als student niet was ingegaan op wervingspogingen van de KGB. In ieder geval werd mijn familie daarna getroffen door een reeks vervelende gebeurtenissen. Mijn vaders medische vrijstelling voor militaire dienst (hij had als kind polio gehad) werd zonder enige uitleg ingetrokken en in plaats van te dienen in het officierenkorps zoals de meeste afgestudeerden moest hij samen met gewelddadige criminelen werken bij de genie van het Sovjetleger, die bekend stond om zijn hardvochtigheid. Mijn moeder moest ontslag nemen en ook al was ze cum laude afgestudeerd aan de staatsuniversiteit, ze kon vreemd genoeg geen nieuwe baan vinden. Werkloosheid was officieel verboden, maar ze bleef bij mij in het appartement dat we deelden met de ouders en zus van mijn vader terwijl papa een reeks laaggeschoolde baantjes doorliep die hij maar zelden lang wist te behouden.