Didi van Ingen
De rustelozen
DOOR Monika Kompaníková
30-11-2013

Het vliegveld voor de derde keer! Wie had kunnen denken dat één vliegveld zo veel prikkels kon bieden. Amsterdam. Terug naar de realiteit. Vandaag is het of al die onbekende gezichten waar ik eerder over schreef, mij niet aangaan. Ze zijn er wel, maar ik zie ze niet. Ze lopen langs, sjouwen met hun koffers, maken een dutje, hun hoofd tegen een ander hoofd geleund. Maar vandaag slechts schaduwen, vlekken, vormeloze voorwerpen. Ik zie de vliegtuigen opstijgen, hun neuzen breken door de lucht, de staarten raken bij het loskomen bijna de betonnen baan. De baan glimt van de regen, in de plassen het onderstel van de gele voertuigen beladen met bagage. Herrie, vertrekken, aankomsten, verplaatsingen.  En ik zit in gedachten nog altijd ergens in Antwerpen, met korte flashbacks naar Den Haag.

Jaromír sms’t vanaf het centraal station in Antwerpen, hij is nog daar. We zijn nu in de prachtigste spoorwegkathedraal… het station… Als het ware een voortzetting van ons gesprek dat eigenlijk nog maar net, een paar uur geleden, was onderbroken door twee uur slaap.

Nog maar net had DBC Pierre naast het theater een non-stop-smoking bar ontdekt. Naar het schijnt de enige in Antwerpen, het zou zonde zijn die niet te bezoeken, nu die zo dichtbij was. Het zou zonde zijn om uit elkaar te gaan, nu we het zo goed met elkaar konden vinden. We zijn moe na vier dagen leven en werken op het festival, we halen talen door elkaar, de moedertaal vloeit samen met de aangeleerde taal. Alle grammaticale fouten en onnauwkeurigheden lossen op in het sterke trappistenbier. En het wemelt ervan. Tegen Didi zeg ik iets in het Engels, tegen Taco in het Slowaaks, maar geen van beiden merkt het en geeft me gewoon antwoord. Didi in het Nederlands, Taco in het Portugees. Denis, wiens moedertaal dezelfde is als die van mij, zegt iets tegen me in een vreemde taal, maar dat geeft niet, ik versta het wel, want ik wil het verstaan. Didi begint in het Tsjechisch. Ook Rudiš zou in het Tsjechisch kunnen spreken, maar die zit in zijn Duitse Engels tegen Ben Katchor aan te praten die constant een diep bedroefde uitdrukking op z’n gezicht heeft. Hij schenkt ons een korte, welwillende glimlach. Het geluid van gebroken glas in scherven op de grond, gelach, vermoeidheid, gelach. Why not? vraagt DBC Pierre. Gegiechel. Why not? Het lijkt of ik alle talen van de wereld begrijp, maar ook de geluiden die komen en gaan, alles en iedereen. Ik wil alle boeken lezen, van iedereen die hier is. Precies ontdekken wie wie is. Ik zal verbaasd zijn als ik het echt ontdek, zeer verbaasd. Voor complimenten is het dan te laat. Ik wil de kathedraal van Antwerpen gaan bekijken, het stenen plein zonder toeristen, vijf uur ’s ochtends, maar niemand wil met me mee.

Een dame in polkadotjurk zegt dat ze de man, die de tekst schreef van het liedje waarvan ik de ochtend daarvoor in mijn hotelkamer in Den Haag gedroomd had, zou laten weten dat het me zo ontzettend dierbaar geworden was. Ik val om van verbazing, zo klein kan de wereld toch niet zijn, zo’n toeval bestaat niet, ze kan hem toch niet kennen! Ik kom toch uit Manchester, zegt de dame rustig. Alle wegen van de wereld leiden naar Manchester, ook de rails van de hijskraan in Den Haag. De eenzaamheid van de kraanmachinist kan ons op dat moment echter niet opslokken, want wij zijn al lang opgeslokt door het Babylon van de talen.

Wij ook vliegveld met kater. De rustelozen.

Jaromír sms’t vanaf het vliegveld. Jaromír vliegt met Rudiš via Brussel naar Praag, Denis naar Parijs, Tatiana vliegt naar Portugal, Didi naar Leiden, Daphne met de trein naar Rotterdam, Sam haalt hopelijk het vliegtuig naar Londen, Patrick naar Canada, de dame uit Manchester naar Manchester. DBC Pierre is overal thuis waar een bar is, voor hem is het dus vrij makkelijk.

Het vliegveld. De rustelozen.

Het melancholische gevoel is ongewoon lang en diep.

 

Alle vertalingen van Didi van Ingen
De rustelozen
30-11-13

Het vliegveld voor de derde keer! Wie had kunnen denken dat één vliegveld zo veel prikkels kon bieden. Amsterdam. Terug naar de realiteit. Vandaag is het of al die onbekende gezichten waar ik eerder over schreef, mij niet aangaan. Ze zijn er wel, maar ik zie ze niet. Ze lopen langs, sjouwen met hun koffers, maken een dutje, hun hoofd tegen een ander hoofd geleund. Maar vandaag slechts schaduwen, vlekken, vormeloze voorwerpen. Ik zie de vliegtuigen opstijgen, hun neuzen breken door de lucht, de staarten raken bij het loskomen bijna de betonnen baan. De baan glimt van de regen, in de plassen het onderstel van de gele voertuigen beladen met bagage. Herrie, vertrekken, aankomsten, verplaatsingen.  En ik zit in gedachten nog altijd ergens in Antwerpen, met korte flashbacks naar Den Haag.

Jaromír sms’t vanaf het centraal station in Antwerpen, hij is nog daar. We zijn nu in de prachtigste spoorwegkathedraal… het station… Als het ware een voortzetting van ons gesprek dat eigenlijk nog maar net, een paar uur geleden, was onderbroken door twee uur slaap.

Nog maar net had DBC Pierre naast het theater een non-stop-smoking bar ontdekt. Naar het schijnt de enige in Antwerpen, het zou zonde zijn die niet te bezoeken, nu die zo dichtbij was. Het zou zonde zijn om uit elkaar te gaan, nu we het zo goed met elkaar konden vinden. We zijn moe na vier dagen leven en werken op het festival, we halen talen door elkaar, de moedertaal vloeit samen met de aangeleerde taal. Alle grammaticale fouten en onnauwkeurigheden lossen op in het sterke trappistenbier. En het wemelt ervan. Tegen Didi zeg ik iets in het Engels, tegen Taco in het Slowaaks, maar geen van beiden merkt het en geeft me gewoon antwoord. Didi in het Nederlands, Taco in het Portugees. Denis, wiens moedertaal dezelfde is als die van mij, zegt iets tegen me in een vreemde taal, maar dat geeft niet, ik versta het wel, want ik wil het verstaan. Didi begint in het Tsjechisch. Ook Rudiš zou in het Tsjechisch kunnen spreken, maar die zit in zijn Duitse Engels tegen Ben Katchor aan te praten die constant een diep bedroefde uitdrukking op z’n gezicht heeft. Hij schenkt ons een korte, welwillende glimlach. Het geluid van gebroken glas in scherven op de grond, gelach, vermoeidheid, gelach. Why not? vraagt DBC Pierre. Gegiechel. Why not? Het lijkt of ik alle talen van de wereld begrijp, maar ook de geluiden die komen en gaan, alles en iedereen. Ik wil alle boeken lezen, van iedereen die hier is. Precies ontdekken wie wie is. Ik zal verbaasd zijn als ik het echt ontdek, zeer verbaasd. Voor complimenten is het dan te laat. Ik wil de kathedraal van Antwerpen gaan bekijken, het stenen plein zonder toeristen, vijf uur ’s ochtends, maar niemand wil met me mee.

Een dame in polkadotjurk zegt dat ze de man, die de tekst schreef van het liedje waarvan ik de ochtend daarvoor in mijn hotelkamer in Den Haag gedroomd had, zou laten weten dat het me zo ontzettend dierbaar geworden was. Ik val om van verbazing, zo klein kan de wereld toch niet zijn, zo’n toeval bestaat niet, ze kan hem toch niet kennen! Ik kom toch uit Manchester, zegt de dame rustig. Alle wegen van de wereld leiden naar Manchester, ook de rails van de hijskraan in Den Haag. De eenzaamheid van de kraanmachinist kan ons op dat moment echter niet opslokken, want wij zijn al lang opgeslokt door het Babylon van de talen.

Wij ook vliegveld met kater. De rustelozen.

Jaromír sms’t vanaf het vliegveld. Jaromír vliegt met Rudiš via Brussel naar Praag, Denis naar Parijs, Tatiana vliegt naar Portugal, Didi naar Leiden, Daphne met de trein naar Rotterdam, Sam haalt hopelijk het vliegtuig naar Londen, Patrick naar Canada, de dame uit Manchester naar Manchester. DBC Pierre is overal thuis waar een bar is, voor hem is het dus vrij makkelijk.

Het vliegveld. De rustelozen.

Het melancholische gevoel is ongewoon lang en diep.

 

17-11-13

 

Sam Byers schreef zijn eerste column thuis op de bank in Engeland, in plaats van op zijn hotelkamer in Den Haag – hij had zijn vliegtuig gemist. En dit vond hij een uiterst prettige ervaring, want doordat hij zijn vliegtuig niet had gehaald, was hij een niet-bestaande persoon geworden. Hij was niet op de plek waar hij had moeten zijn –in Den Haag – en tegelijkertijd was hij, voor de mensen die ervan overtuigd waren dat hij wel in Den Haag was, ook niet thuis en dus werd hij niet bij hun plannen en eisen betrokken. Sam schrijft dat een dergelijk niet-zijn tegenwoordig letterlijk een hele kunst is, een moeilijk te bereiken toestand. En als we ons er dan in bevinden, voelen we meteen iets van schuld.

Ik begrijp nu precies wat hij bedoelt! Ook mijn dag bestaat uit tientallen verplichtingen, deadlines, gebeurtenissen en opdrachten die binnen bepaalde tijd en op een bepaalde plek vervuld moeten worden. Opstaan wanneer de wekker besluit dat het tijd is om op te staan, de kinderen wakker maken, voor hun tussendoortje zorgen, helpen met aankleden, ze op tijd naar school en naar de kleuterschool brengen, de trein halen die volgens de dienstregeling rijdt, elke dag hetzelfde, deadlines halen, mails redelijk op tijd beantwoorden, lunch in de tijd dat die geserveerd wordt halen, afspraken op tijd nakomen, de trein halen, de kinderen op tijd ophalen van de naschoolse opvang, op tijd bij naschoolse activiteiten zijn, en de kinderen daarvandaan weer zo ophalen dat ze niet als laatsten overblijven, met huiswerk helpen, het avondeten op het gebruikelijke tijdstip maken, een verhaaltje voor het slapengaan, elke avond hetzelfde. Als er iets fout gaat –  ik mis de trein, ik blijf ergens hangen –  stort het hele systeem in elkaar. Daarom mag ik niet ergens blijven hangen. Facebook wil weten waar ik  me nu bevind en waar ik was toen ik mijn status schreef. De bank wil weten waar ik woon en hoeveel ik verdien, al mijn rekeningen eisen dat ik me bij het internetbankieren identificeer, ze vragen een wachtwoord, antwoord op een controlevraag. Thuis verwacht iedereen dat ik ben, waar ik normaal gesproken hoor te zijn, dat ik constant online ben, dat ik constant mijn telefoon aan heb, en dat ik altijd opneem, dat ik dan daar in één van de mij toegedichte vormen ben – als moeder, echtgenote, dochter, manager, schrijfster.

Ik mis de stilte. Een gesprek dat niet bruut wordt verstoord door een arriverende trein, maar slechts zacht gedempt wordt door de slaap. Een ontmoeting waar niets belangwekkends uitkomt, slechts enkele gezamenlijke gedachtes, een mooie vertakte zin, een aanraking.

Soms is het frustrerend. Soms vraag ik me af of ik dit wilde, of ik er bedacht op was dat volwassenheid zo zou zijn. Geprogrammeerd als een trein die moet rijden volgens de dienstregeling, ontworpen met het oog op een zo groot mogelijk aantal reizigers. Een trein gekluisterd aan de rails, voortgeduwd door zijn eigen gewicht. De vraag is of het door de leeftijd of de tijdgeest komt. En ik vraag me af wat je eraan kunt doen…

Ik weet het niet hoe het met Sam zit – ik moet het hem vragen – maar ik ervaar hier en nu korte flitsen van het niet-zijn. In een stad waar niemand me kent, met een uitgeschakelde telefoon. Ik heb een aantal verplichtingen, maar vergeleken bij een gewone dag zijn dat peanuts. Ik heb wel een kaart, maar kijk er niet op. Ik heb mensen om me heen, maar geen van hen wil iets van me, niemand bemoeit zich met mijn beslissing om hier te zijn of daar te blijven. Het is geen negeren, het is respect, het voordeel van de anonimiteit van tijdelijke vastomlijnde ontmoetingen.

En zo dwaal ik door de straten, kijk ik door de ramen, zit ik met een koud geworden, leeg koffiekopje in een café. Lang. Ik weet niet hoe laat het is. Niemand groet me, niemand schenkt aandacht aan mij in de menigte. Mijn enige taak is nadenken. Met mezelf alleen zijn. En schrijven. Woorden, zinnen, verhalen, verhalen verzinnen, daarin mensen creëren, een nieuwe realiteit scheppen, samenhang zoeken. Dat is een territorium waarin alles mogelijk is, waarin je een sprong kunt maken in de tijd, die kunt inkorten, uitrekken, naar het verleden kunt terugkeren, het verbeteren, wijzigen, met de tijd werken als met klei.

Mijn vrijheid. Mijn autonomie.

The tower crane driver
16-11-13

Ik word op klaarlichte dag wakker. Ik kijk uit het raam van de hotelkamer. Donderdag regende het, vrijdag scheen de zon, vandaag is alles in mist gehuld, alleen de donkere tegels op het plein tussen het hotel en het theater glimmen, en in de verte meen ik de bewegende arm van een hijskraan te zien. Als een schim, een rondtastende stalen arm met vier sterke schijnwerpers. Ik moet aan een liedje denken dat mijn kleine jongens leuk vinden, omdat het over een kraanmachinist gaat en kleine jongens zijn nu eenmaal gek op kranen en allerlei grote machines. De machinist die de arm beweegt, zit helemaal alleen in de glazen cabine. De grond en de mensen zijn ver onder hem, de val zou lang duren, het einde pijnlijk zijn. Hij is echter dicht bij de hemel. Hij kan God gebeden doorgeven.

Ik zit na te denken over bouwmachines. Dankzij mijn zonen weet ik hoe een emmerbaggermolen, een kipper en een drilboor werkt. Hm… nu kan ik van een heel andere kant naar de opgebroken stad kijken waar druk gebouwd wordt. Dankzij hen en dankzij het liedje van de kraan. Dat is trouwens Elbow, een geweldig nummer.

Ik betrap er mezelf op, dat ik in het Engels denk en dat ik Engelse equivalenten zoek voor Slowaakse woorden. Dankzij de mensen van het festival, die communicatief zijn, vragen stellen, uitleggen, geduldig luisteren, voel ik dat ik voorzichtig de grens overga van mijn beperkte taalvaardigheden, mijn angst en twijfels over wat ik aan kan.

De mist is langzaam opgetrokken, slechts nog hier en daar hangt  een wit wolkje, maar het kan ook rook uit een schoorsteen zijn, een verlate droom die zich van een of andere slaapkamer via het raam een weg naar buiten baant, de realiteit in. De kraanmachinist is druk bezig, de kabels met vracht schommelen boven de hoofden van de fietsers, die net zo hard als hij op de pedalen trappen. Iedereen is druk bezig met zijn leven.

Mijn voeten doen pijn, al mijn tenen zijn verstijfd. Gister zijn Janet en ik ruim een uur aan het wandelen geweest langs de tramrails naar de kust. Een kilometer lang hebben we in het Engels gelopen, de resterende kilometers al naargelang de woordjes die ons als eerste invielen. De charme van de Nederlandse kust is dat je niet geleidelijk tot de zee wordt toegelaten. De nabijheid ervan wordt alleen aangekondigd door de krijsende vogels . Afgaand op het geluid van de meeuwen, op de kaart of de wind, loop je een duin op en … ligt de zee ineens voor je, in al zijn glorie. De ronde horizon rolt zich voor je af als een oneindige spoel. Aan de horizon tonnen ijzer aaneengelast tot walvissersschepen. Het lijkt alsof ze stilstaan, alsof het onmogelijk is dat zulke kolossen kunnen bewegen. De zachte haren van het zeegras schuren langs mijn benen, het gras zorgt ervoor dat het zand en water aan de kust daar blijven waar ze zijn moeten, namelijk zo ver mogelijk van de bebouwing. Net als de robuuste, kunstmatig gevormde dijken en strekdammen.

De zee. De harde wind waait in mijn gezicht. Mijn hart bonkt. Ik voel hoe ik met elke golf word overspoeld door zowel geluk als diep verdriet. Alleen. Mijn vingers zijn verkleumd en mijn nek is koud. Honden gooien zich in de golven achter een balletje aan, mensen springen opzij voor het water dat over het harde zand spoelt. In het zand sporen van paarden, honden, fietsers en mensen. Schelpen kraken onder de hakken van laarzen. Een jongen schermt zijn meisje af tegen de wind en een stel gekken in surfpak springen de koude golven in en kijken daar ook nog tevreden bij. Aan een kant vervagen de contouren van de kust die zich wazig kilometers ver uitstrekt. Aan de andere kant wordt die onderbroken door twee strekdammen in de vorm van een hoefijzer dat de toegang tot de haven beschermt tegen golfslag. De dammen bestaan uit enorme betonblokken. Waar dacht de kraanmachinist, in zijn glazen, tegen harde wind beschermde cabine, aan toen hij die hier jaren geleden plaatste? Aan het einde van de betonblokken staan dag en nacht geduldig twee vuurtorens – een rode en een groene. Ik herinner het me nog – ik was hier vijftien jaar geleden, dezelfde wind, hetzelfde zand, alleen ik was totaal anders.

Ik weet nog dat ik een keertje in een kraan probeerde te klimmen, en nu pas hier realiseer ik me dat dit eigenlijk tijdens een bizarre stop op weg naar Den Haag was, ooit vijftien jaar geleden.

15-11-13

 

Ik sta weer op het vliegveld. Dit keer op Schwechat in Wenen, op een steenworp afstand van Bratislava. Dit keer alleen, met een klein koffertje en verscheidene pasjes in mijn portemonnee. Richting Amsterdam.

In mijn koffer zit het Tsjechische oktobernummer van National Geographic, een fotospecial. Op het vliegveld heb ik uitzonderlijk veel tijd om te lezen. Op de voorpagina staat één van de bekendste Pakistaanse gezichten – het van angst doordrongen gezicht van het jonge Afghaanse meisje genaamd Sharbat Gula, dertig jaar geleden gefotografeerd door Steve McCurry in een Pakistaans vluchtelingenkamp. Een chocoladebruin gezicht, een gescheurd sjaaltje in terracottakleur, groengrijze ogen met daarin heel haar levensverhaal, angst, wantrouwen, de vastberadenheid van een vrouw.

Ik zit te bladeren en vanaf de glossy pagina’s die aangenaam  tussen m’n vingers piepen kijken nog meer gezichten mij aan – de tekst gaat over ras en nationaliteit. Gezichten van kinderen, gezichten van vrouwen, gezichten van mannen, van grijsaards. Gezichten, gezichten, gezichten. Een kind met een melkwitte huid en rood haar, een vrouw met smalle zwarte ogen, licht haar en een roze teint, een vrouw met een donkere teint en blauwe ogen, een man met een gelige teint en krullend haar, een jongeman met een zwarte huid en typisch Aziatische ogen, allerlei combinaties van allerlei trekken, kleuren en gezichten. Een prachtige bonte boel van niet te identificeren rassen en nationaliteiten, van moeilijk te plaatsen individuen. Maar er is één ding dat al deze gezichten verbindt – het gaat hier om de kinderen of ouders van andere moeilijk te plaatsen mensen, van vluchtelingen en moderne nomaden die een thuis hebben daar, waar ze zich op dat moment bevinden, die rondtrekken, verhuizen, zich verplaatsen naar de andere kant van de aardbol omdat ze het zelf willen, of omdat omstandigheden hen er toe dwingen. De ooit simpele verdeling in drie rassen – blank, zwart en geel, zoals we het leerden in de eerste klas van de lagere school –gaat al lang niet meer op, net zoals op veel plekken de grenzen allang zijn vervaagd die voorheen letterlijk in het aardoppervlak gekerfd waren; visueel overduidelijk, zodat iedereen wist waar zijn plek was, waar hij thuishoorde. Prikkeldraad, betonnen muren, controleposten. De bewegingsvrijheid heeft elke verdeling als het ware ingewikkelder gemaakt.

Ik loop tussen de stoelen door het gangpad, gemarkeerd door twee reflecterende stroken die me tot bij het toilet brengen. Ik zie rugleuningen, verwarde haren, de tot aan de grond loshangende armen van de slapende passagiers. Ik struikel over iemands tas, een kind begint te huilen. De stewardess probeert voor mij uit de weg te gaan door met het wagentje met versnaperingen achteruit te rijden. Het vliegtuig vliegt 750 kilometer per uur en buiten, op een hoogte van 10 kilometer, is het -64°C. We zitten ergens boven Duitsland, wie zal het zeggen, misschien zijn we de grens met Nederland al gepasseerd, tussen Nederland en Duitsland is geen Chinese Muur die je vanuit de ruimte kunt zien, geen lijn, en geen van de reizigers maakt zich daar kennelijk druk om, Duitsland of Nederland, wat maakt het uit. Het toestel spint zachtjes, boven de wolken schijnt de zon.

Wanneer ik een tijdje later uit het donker van de cabine stap en de stewardess het blauwe gordijn opzijschuift, schijnt het licht fel in mijn ogen en heb ik alle passagiers als op een presenteerblaadje. Ik zie alle gezichten netjes van voren, de hoofden op regelmatige afstand opgesteld, precies zoals net op de pagina in het tijdschrift. Ze bewegen nauwelijks en dat versterkt de illusie van een bevroren moment nog meer. Sommigen slapen, het hoofd achterover, de verslapte mond op een kier, alsof ze hun ziel willen laten ontsnappen, nu ze zo dicht bij de hemel zijn. Sommigen zitten op hun mobiel te kijken, te lezen, te dromen, te lijden. Een ongelofelijke mengelmoes. Rustig loop ik door het gangpad, een blanke vrouw met botoxlippen draait aan haar ring om haar goed verzorgde vinger, de oude man naast haar lijkt op Herman Hesse in zijn laatste jaren. Achter hen een donkere dame van mijn moeders leeftijd met paars haar, twee coole Aziaten zitten muziek te luisteren, met elkaar verbonden door één paar oortjes. Een forse joodse man met een keppeltje strekt zijn been uit in het gangpad en zijn schoen is zo klein als een kinderschoentje. Mijn buurman heeft in de duty free shop pumpkin oil gekocht en wil deze aan de dame achter ons geven. Ze bloost, lacht gelukzalig – misschien leidt dit wel weer tot een romantische kennismaking en nog een kind van een onduidelijk ras en onduidelijke nationaliteit.

02-11-13

Ik sta op het vliegveld van Bratislava in de rij voor de bagagecontrole, achter mij m’n zus van twintig, voor mij m’n moeder. Mijn moeder is nerveus, op haar hoede, in staat van paraatheid, ze volgt wat er om haar heen gebeurt, wie wat doet, om zonder het te vragen, te weten wat ze zelf moet doen. Ze is voor het eerst op het vliegveld, wacht op haar eerste vlucht. Rome, een grote stad, een grote droom, staat haar te wachten.

Ik zie haar onzekerheid en verborgen angst. De angst om iets anders te doen dan ze zou moeten doen – om haar koffer op de verkeerde band te leggen, om in de koffer iets te vergeten dat er niet in mag zitten, om in de verkeerde rij te gaan staan, om uitleg te moeten geven, want daar houdt ze niet van. Praten, daar houdt ze niet van, niet met vreemde mensen. En dan zijn we nog maar op een piepklein vliegveld in Bratislava, waar het personeel een taal spreekt die ze verstaat. Zelf spreekt ze dialect.

In haar hand houdt ze enkel haar identiteitskaart, een simpel pasje en één klein koffertje. ‘Mam, je moet niet te veel spullen meenemen, hoor, mocht er iets ontbreken, dan hebben we een pasje, dan kopen we het wel,’ hebben we haar voor de reis gezegd.  Ze vroeg of er in Rome pinautomaten zijn.

Toen ze twintig was, zoals mijn jongere zus nu, was het toenmalige Tsjecho-Slowakije omheind met prikkeldraad, omsingeld door controleposten, ingeklemd tussen andere landen in de wurggreep van het communistische regime. Haar werkzame leven bracht ze door in een land dat slechts zelden de grenzen openstelde voor zijn inwoners, slechts voor enkelen en slechts naar enkele landen.  Als je naar westerse, democratische landen wilde reizen, moest je een geldig paspoort hebben, een visum, een uitreisvergunning, een schriftelijke toezegging van de bank voor deviezen, een douane- en valutaverklaring en nog meer papieren, waarvan de toekenning afhankelijk was van de goede wil van de bureaucraten. Je moest melden waar je zou verblijven, bij wie, wat je daar zou gaan doen en wanneer je terug zou komen. Bij terugkomst werd je bagage doorzocht, en boeken en tijdschriften die de mensen in Tsjecho-Slowakije zouden kunnen laten zien dat er over de grens een andere wereld bestond, werden in beslag genomen. In 1989, na de Fluwelen Revolutie knipte men het prikkeldraad door, vertrapte de zorgvuldig aangeharkte grensstrook, waarlangs soldaten tot die tijd gespeurd hadden naar voetafdrukken van emigranten in de aarde. Men opende de grensbunkers, verbrandde de uitreispapieren en ging begerig de wereld in, waarvan het regime jarenlang had beweerd dat die kwaadaardig en verdorven was. Men sprak geen vreemde talen, alleen Russisch, want het regime beweerde ook dat Russisch de taal van de toekomst was, dat het niet nodig was andere talen te spreken. Stel je eens voor hoe men zich gevoeld moeten hebben, als dieren die uit een donkere kist het daglicht zien.

Nu kan men reizen, vreemde talen leren, gaan waarheen men wil zonder aan wie dan ook iets uit te leggen. Iedereen. Maar terwijl ik achter mijn moeder sta, zie ik dat het geheugen te diep is, dat er vele schuilplaatsen en hoekjes zitten, waarin herinneringen van lang geleden, beperkingen, angst en gewoonten sluimeren. En ik weet dat je dit alles niet kunt uitwissen, zoals je grenzen wel uit kunt wissen, controleposten op kunt heffen, grenswachters naar huis kunt sturen en van de bunkers musea kunt maken. Je kunt je eigen grens niet overschrijden, de grens van je innerlijke vrijheid.

Over enkele weken stap ik weer in het vliegtuig, richting Amsterdam. Ik neem één koffertje mee en een paar kleine pasjes in mijn portemonnee. Het zal één van de vele keren zijn dat ik dit jaar de grens over ga, maar terugdenkend aan de eerste reis van mijn moeder, krijgt het deze keer een heel andere dimensie.