Ik sta weer op het vliegveld. Dit keer op Schwechat in Wenen, op een steenworp afstand van Bratislava. Dit keer alleen, met een klein koffertje en verscheidene pasjes in mijn portemonnee. Richting Amsterdam.
In mijn koffer zit het Tsjechische oktobernummer van National Geographic, een fotospecial. Op het vliegveld heb ik uitzonderlijk veel tijd om te lezen. Op de voorpagina staat één van de bekendste Pakistaanse gezichten – het van angst doordrongen gezicht van het jonge Afghaanse meisje genaamd Sharbat Gula, dertig jaar geleden gefotografeerd door Steve McCurry in een Pakistaans vluchtelingenkamp. Een chocoladebruin gezicht, een gescheurd sjaaltje in terracottakleur, groengrijze ogen met daarin heel haar levensverhaal, angst, wantrouwen, de vastberadenheid van een vrouw.
Ik zit te bladeren en vanaf de glossy pagina’s die aangenaam tussen m’n vingers piepen kijken nog meer gezichten mij aan – de tekst gaat over ras en nationaliteit. Gezichten van kinderen, gezichten van vrouwen, gezichten van mannen, van grijsaards. Gezichten, gezichten, gezichten. Een kind met een melkwitte huid en rood haar, een vrouw met smalle zwarte ogen, licht haar en een roze teint, een vrouw met een donkere teint en blauwe ogen, een man met een gelige teint en krullend haar, een jongeman met een zwarte huid en typisch Aziatische ogen, allerlei combinaties van allerlei trekken, kleuren en gezichten. Een prachtige bonte boel van niet te identificeren rassen en nationaliteiten, van moeilijk te plaatsen individuen. Maar er is één ding dat al deze gezichten verbindt – het gaat hier om de kinderen of ouders van andere moeilijk te plaatsen mensen, van vluchtelingen en moderne nomaden die een thuis hebben daar, waar ze zich op dat moment bevinden, die rondtrekken, verhuizen, zich verplaatsen naar de andere kant van de aardbol omdat ze het zelf willen, of omdat omstandigheden hen er toe dwingen. De ooit simpele verdeling in drie rassen – blank, zwart en geel, zoals we het leerden in de eerste klas van de lagere school –gaat al lang niet meer op, net zoals op veel plekken de grenzen allang zijn vervaagd die voorheen letterlijk in het aardoppervlak gekerfd waren; visueel overduidelijk, zodat iedereen wist waar zijn plek was, waar hij thuishoorde. Prikkeldraad, betonnen muren, controleposten. De bewegingsvrijheid heeft elke verdeling als het ware ingewikkelder gemaakt.
Ik loop tussen de stoelen door het gangpad, gemarkeerd door twee reflecterende stroken die me tot bij het toilet brengen. Ik zie rugleuningen, verwarde haren, de tot aan de grond loshangende armen van de slapende passagiers. Ik struikel over iemands tas, een kind begint te huilen. De stewardess probeert voor mij uit de weg te gaan door met het wagentje met versnaperingen achteruit te rijden. Het vliegtuig vliegt 750 kilometer per uur en buiten, op een hoogte van 10 kilometer, is het -64°C. We zitten ergens boven Duitsland, wie zal het zeggen, misschien zijn we de grens met Nederland al gepasseerd, tussen Nederland en Duitsland is geen Chinese Muur die je vanuit de ruimte kunt zien, geen lijn, en geen van de reizigers maakt zich daar kennelijk druk om, Duitsland of Nederland, wat maakt het uit. Het toestel spint zachtjes, boven de wolken schijnt de zon.
Wanneer ik een tijdje later uit het donker van de cabine stap en de stewardess het blauwe gordijn opzijschuift, schijnt het licht fel in mijn ogen en heb ik alle passagiers als op een presenteerblaadje. Ik zie alle gezichten netjes van voren, de hoofden op regelmatige afstand opgesteld, precies zoals net op de pagina in het tijdschrift. Ze bewegen nauwelijks en dat versterkt de illusie van een bevroren moment nog meer. Sommigen slapen, het hoofd achterover, de verslapte mond op een kier, alsof ze hun ziel willen laten ontsnappen, nu ze zo dicht bij de hemel zijn. Sommigen zitten op hun mobiel te kijken, te lezen, te dromen, te lijden. Een ongelofelijke mengelmoes. Rustig loop ik door het gangpad, een blanke vrouw met botoxlippen draait aan haar ring om haar goed verzorgde vinger, de oude man naast haar lijkt op Herman Hesse in zijn laatste jaren. Achter hen een donkere dame van mijn moeders leeftijd met paars haar, twee coole Aziaten zitten muziek te luisteren, met elkaar verbonden door één paar oortjes. Een forse joodse man met een keppeltje strekt zijn been uit in het gangpad en zijn schoen is zo klein als een kinderschoentje. Mijn buurman heeft in de duty free shop pumpkin oil gekocht en wil deze aan de dame achter ons geven. Ze bloost, lacht gelukzalig – misschien leidt dit wel weer tot een romantische kennismaking en nog een kind van een onduidelijk ras en onduidelijke nationaliteit.