Een aantal literatuurwetenschappers – van het soort dat als toegevoegde waarde heeft dat ze ons met hun beweringen laat zien hoe het niet moet – stelde een paar jaar geleden dat het romangenre (met als hoofdvertegenwoordiger de zogeheten totaalroman) in ons ecosysteem, gekenmerkt door de meedogenloze opmars van het postindustriële kapitalisme, zou uitsterven. Volgens hen waren we getuige van de opkomst van iets anders, iets nieuws (het radicaal nieuwe, meestal onmogelijk of onleesbaar, is ook een stokpaardje van het laatkapitalisme), iets dat zeker geen eendagsvlieg zou zijn: Zeer Korte Verhalen.
Schrijvend vanuit het heden kan ik me alleen maar verbazen over dit soort stellingen. Al sinds de Renaissance sleept het Westen het gewicht van de alleenheerschappijan de roman met zich mee. Eerder dan wie dan ook aanvoelen dat er een verschuiving aan zit te komen die vergelijkbaar is met bijvoorbeeld die van de klassieke dialoog naar de moderne roman, impliceert dat we ons in net zo’n paradigmashift bevinden als die van de vijftiende naar de zestiende eeuw; het lijkt me sterk. De roman blaakt nog altijd van gezondheid. De roman Vaderland[1] van Fernando Aramburu is een pil van meer dan zeshonderd pagina’s die op verschillende bestsellerlijsten pronkt. Laatst zei een vriendin tegen me: “Als je een agent wilt veroveren, moet je aankomen met een roman onder je arm; korte verhalen zijn niet goed genoeg.”
Dit is geen nieuw fenomeen. Jorge Luis Borges rebelleerde al met stukken van tien pagina’s die bewaard zullen blijven als de volmaaktste voorbeelden van twintigste-eeuwse literatuur. Van Julio Cortázar herinneren we ons Rayuela: een hinkelspel, maar zijn korte verhalen zijn we al vergeten. Niemand buiten Argentinië en Uruguay weet nog wie Felisberto Hernández of Macedonio Fernández waren. En wat Juan Rulfo betreft: maar weinigen hebben gehoord van El llano en llamas (‘De vlakte die in vlammen opgaat’), want dat was een one-shot van een schrijver zonder plan. En dan hebben we het over de grote namen uit de Spaanstalige literatuur van de twintigste eeuw. Ook nu blijven de raderen draaien: lezers van Mariana Enríquez en Samanta Schweblin halen opgelucht adem als ze horen dat hun schrijvers eindelijk een roman hebben uitgebracht (met wisselende mate van succes, maar in beide gevallen waren het echte romans, geen novelles).
De verheerlijking van literatuur is dus te danken aan slechts één genre. De wichelaars van Zeer Korte Verhalen beweerden dat we in 2020 alleen nog verhalen zouden lezen die je op je nachtkastje kon leggen om af en toe eens van te snoepen, verhalen die in een tweet pasten of gelezen konden worden tussen twee metro- of bushaltes in. Niets is minder waar. Mensen tillen zich met trots een breuk aan de eminentste namen uit ‘onze’ literatuur. Het is mogelijk dat hun beweringen, zoals iedere profetie, in de loop van de tijd toch uitkomen; ze kunnen ons, zoals ik eerder al zei, via een eliminatieproces laten zien hoe het wel moet. Schrijvers lijken zich aan bepaalde soorten romans te wijden, in ieder geval schrijvers uit Spanje: hetzij aan een, volgens de negentiende-eeuwse gedachte, uitdrukking van de diepste subjectiviteit van de mens, hetzij een essentiële en bevoorrechte getuigenis van een bepaald aspect van onze maatschappelijke werkelijkheid. Laten we Vaderland er weer bij pakken – hoewel ook Lectura fácil (‘Lichte lectuur’) van Cristina Morales of La lección de anatomía (‘De anatomische les’) van Marta Sanz goed als voorbeeld zouden kunnen dienen – en Ordesa van Manuel Vilas, die ook te gast is tijdens Crossing Border. In het tweede boek vinden we een literaire versie van de testimonio, oftewel de ervaring van het individu. Het eerste boek daarentegen vertelt een collectieve ervaring, de jaren van de ETA, de slachtpartijen van de ETA, de terreur in het Baskenland, etc. Dit vertrekpunt is ongetwijfeld zorgwekkender: als de hedendaagse verteller een verteller van ‘de staat’ is (tegenover de ‘nomade’ van Deleuze en Guatarri) die niet alleen de nationale identiteit op schrift mag stellen maar ook de collectieve ervaring mag beschrijven, wat voor plaats heeft de literatuur dan? En waar is er dan nog ruimte voor de verbeelding? Moeten we opnieuw in Latijns-Amerika op zoek naar de juiste vragen om los te komen uit het moeras?
[1] Voordat iemand me beschuldigt van zwendelarij, moet ik opbiechten dat ik Patria niet heb gelezen en dat dat me ook niet nodig lijkt voor de doeleinden van dit artikel (die ik eerlijk gezegd ook niet helemaal helder voor ogen heb)