Vandaag sprak ik voor het eerst de vertaler van deze korte teksten, Fleur Jeras, die opmerkte dat haar een thematische lijn in de eerste twee blogs was opgevallen. Fleur heeft natuurlijk gelijk: de lezer hoeft niet te lijden onder mijn obsessies. Daarom – al kan ik misschien niet voorkomen dat ze toch af en toe de kop opsteken – ga ik van onderwerp veranderen. Ik heb overigens altijd gedacht dat dat (‘Van onderwerp veranderen’) een geweldige titel voor een roman zou zijn. Het schijnt dat James Joyce ooit zei: ‘Omdat we de werkelijkheid niet kunnen veranderen, veranderen we maar van onderwerp.’
Daarom ga ik in de drie blogs die overblijven een verband leggen tussen het verhaal waar ik momenteel aan werk, literaire utopieën in sciencefiction en een van de beste verhalen van Borges. Ik vraag om uw geduld.
De afgelopen jaren spookte er een aantal ideeën door mijn hoofd die allemaal al lang en breed besproken bleken te zijn in het literaire veld. Als er nog iets waardevols te halen valt uit dit hele proces (afgezien van frustratie en plezier), dan is het de manier waarop ik bij die ideeën terechtkwam. Ik bedoel het debat over of het in het Westen nog mogelijk was om utopische verhalen te schrijven na de drie grote oorlogen van de eerste helft van de twintigste eeuw. Die vraag is, zoals de lezer vast weet – kennelijk wist iedereen dit behalve ik – al uitgebreid besproken in verband met sciencefictionliteratuur. Het opmerkelijke is, zoals ik al zei, dat ik bij dezelfde vragen uitkwam – ongetwijfeld met veel meer moeite dan nodig was geweest als ik gewoon het juiste pad had gekozen – via, jawel, Borges.
Ik maak al een paar jaar aantekeningen voor een artikel dat als titel ‘De dappere bibliothecaris’ of ‘De bibliothecaris en de revolutie’ had moeten hebben, of iets in die richting. Gelukkig denk ik dat ik het nooit echt ga schrijven, dus die titels kan ik allebei wel weggooien; de ene omdat ik dan Bolaño zou plagiëren, de andere gewoon omdat hij verschrikkelijk is. In het artikel zou ik hebben geprobeerd een dimensie toe te voegen aan een briljant boek van Beatriz Sarlo: Borges, un escritor en las orillas (Borges, een schrijver op de rand), waarin de essayist de politieke lading in het werk van Borges blootlegt. Los van het nationale vraagstuk – dat prompt lost in translation raakte tijdens het exporteren van Borges’ oeuvre – hoef je alleen maar door de verzamelde verhalen van de Argentijn te bladeren om vast te stellen dat daaruit, zelfs uit de meest terughoudende, een zekere politieke, laten we het betrokkenheid noemen, spreekt. In ‘De loterij van Babylonië’ stelt hij een mogelijk sociaal model voor (hij dringt het overigens niet op), in ‘Utopie van een vermoeid man’ confronteert hij de lezer met een verontrustend toekomstbeeld, in ‘De Zahir’ reflecteert hij op de aard van geld en op de crisis van de jaren dertig, etc. Je kunt het ‘politiek met een hoofdletter P’ noemen, die bijeenkomsten van belangrijke mannen waar wordt besloten dat ideologische overwegingen minder zwaar wegen dan handel, dan de status quo. Jammer genoeg kennen we in ons schrift niets groters dan hoofdletters, maar misschien kunnen we wat Borges in zijn vreemdste verhalen doet ‘vetgedrukte politiek’ noemen. Ik kom er nu gek genoeg achter dat, met het verstrijken van de jaren, het juist die vreemde verhalen zijn die me het meest interesseren en die ik als het meest politiek ervaar. Het idee voor het artikel uit de vorige alinea kwam eigenlijk voort uit misschien wel het meest buitenaardse verhaal van Borges: ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’, wat een zombieverhaal is op dezelfde manier als Le Horla van Guy de Maupassant.
Over de ondergrondse genealogie waar de literatuur van doortrokken is, schrijf ik in de blog van morgen. To be continued…