Fleur Jeras
BY Munir Hachemi
09-11-2020

Gisteren sloot ik mijn blog af door te zeggen dat ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ in zekere zin een zombieverhaal is. Daarmee wil ik niet zeggen dat het een woedend anticommunistisch pamflet is of iets dergelijks, maar dat het verhaal het onverwachtse verkent, de grenzen van het denken opzoekt tot het volstrekt buitenaards wordt, iets dat niet van deze wereld is, iets vreemds, iets van daarbuiten.

In het verhaal wordt een wereld getoond die door en door idealistisch is. Niet in de zin dat de bewoners van die wereld fanatieke idealisten zijn, maar in de zin dat de wetten van de werkelijkheid er worden bepaald door die filosofische stroming (Borges leunde hiervoor op het subjectief idealisme van Berkeley). Het is een geniale en zeer borgesiaanse wending, want in een idealistische wereld is dat onderscheid betekenisloos, en daarom is er geen enkele reden waarom de ‘buitenaardse’ werkelijkheid niet zou kunnen gaan heersen over de ‘onze’ naarmate de mensheid langzaam in de ban raakt van de ideeën van de idealisten. Een voorbeeld: in het verhaal komen voorwerpen voor die hrönir heten, die ontstaan door de verwachting van de ontdekking ervan. Iemand overtuigt een groep studenten ervan dat ze iets zullen vinden aan de oever van een rivier, en de studenten gaan erheen en stuiten erop. Het verhaal slaat talrijke gewaagde zijwegen in; ik raad u aan het te lezen of herlezen. Ik hoop het tweede.

In de vorige blog zei ik dat ik pas laat op de hoogte was van de debatten over utopieën, die zich vooral vanaf mei 1968 hadden ontwikkeld in de Verenigde Staten in verband met ‘sciencefiction’ literatuur. Die aanhalingstekens geven een persoonlijke tekortkoming aan: ik heb die categorie nooit begrepen. En dan heb ik het niet over het feit dat labels in het algemeen vaak laf zijn, maar bedoel ik specifiek dit label, dat van ‘sciencefiction’. Die term volstaat vast prima voor het genre waarbij het draait om roestbakken in de ruimte, maar een space opera als Star Wars heeft weinig gemeen met boeken als Ubik of Zenumagiër. Ik zie de rode draad in ieder geval niet. Toch zie ik wel een lijn die me eindeloos fascineert: die van de speculatieve literatuur.

Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar De ontheemde van Ursula K. Le Guin. Ik weet dat het lijkt alsof deze redenering nergens naartoe gaat, dat ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ niets te maken heeft met De ontheemde en nog minder met het verhaal waar ik nu aan werk, dat ik een onmogelijke driehoek probeer te construeren; nog even geduld. De ontheemde is een boek waar roestbakken in voorkomen; het zijn er maar een paar, het verhaal zou prima zonder kunnen. Het boek van Le Guin is een grootse literaire onderneming: ze bedenkt Anarres, een dorre, haast onvruchtbare planeet waarop zich een anarchistische gemeenschap heeft gevestigd die het al meer dan honderdvijftig jaar heeft weten uit te zingen. Daar blijft het echter niet bij; net als Borges waagt Le Guin zich aan alle zijtakken waar haar literaire logica haar naartoe leidt. Ze vertelt over de tegenstellingen op Anarres, het gevaar van instituties die hun burgers bespieden, de fundamentele verschillen tussen hen en ons. Ze beschrijft de reis van een prominente natuurkundige die van Anarres naar Urras reist, een planeet waar het kapitalisme heerst en waar mensen zijn theorieën proberen te kopen. Het is duidelijk dat de verschillende planeten met hun eigen systemen van pas komen voor Le Guin, wat overigens niet betekent dat ze er anders niet was uitgekomen.

Ik moet me inhouden. Ik zal de laatste blog nodig hebben om van mijn gedachten een samenhangende driehoek te maken. Tot vrijdag.

Fleur Jeras
16-11-20

Ik weet niet hoeveel lezers genoeg geduld hebben gehad om tot hier te komen. Hoe dan ook, ik ben dankbaar en zal nu wat orde aanbrengen in de ideeën uit de blogs hiervoor.

In mijn vorige blog stelde ik voor om literaire verhalen niet te beschouwen als sciencefiction, maar als speculatieve fictie. Het is goed mogelijk dat iemand dit al eerder heeft geopperd; als dat zo is, vergeef me. In ieder geval staat vast dat het speculatieve een grotere plek inneemt in sciencefiction dan in welk ander genre dan ook (met uitzondering van fantasy, want het vermogen om te speculeren hoort ten slotte bij de verbeelding).

Speculatieve literatuur hoeft natuurlijk niet utopisch te zijn. Het verhaal van Borges is net zo min utopisch als bijvoorbeeld de roman Plop van Rafael Pinedo, een van de fascinerendste staaltjes taalkundige speculatie die ik ken. Het is echter ook niet dystopisch (misschien zou je het eerder ‘heterotopisch’ noemen). Geïnspireerd door deze vraagstukken besloot ik voor het eerst in lange tijd een verhaal te schrijven, waarin het volgende gebeurt.

In het jaar 2020 vindt de eerste bemande missie naar Mars plaats. Ergens gedurende de reis wordt het contact verbroken en worden de expeditieleden dood verklaard. Maar wat er eigenlijk gebeurt is dat de bemanning, ver verwijderd van alle toestellen waardoor we denken zoals we denken, praten zoals we praten, et cetera, nieuwe manieren van leven ontwikkelt en om een of andere reden (die ons natuurlijk vreemd is) de communicatie verbreekt. Eenmaal aangekomen op Mars zetten ze een koepel op en beginnen ze hun nederzetting te bouwen. De groep, bestaande uit experts op alle denkbare gebieden en geselecteerd met het oog op diversiteit, brengt een samenleving tot stand die radicaal anders is. Enkele generaties later is het moment van aankomst niet meer dan een lang vervlogen mythe in een conceptuele kosmos die wij natuurlijk niet kunnen begrijpen.

Met dit idee heb ik al tientallen blaadjes gevuld in wat ik het ‘Mars-schrift noem, maar het is me nog niet gelukt om een einde te verzinnen. Dankzij het boek van Le Guin (dat ik nog niet had gelezen toen ik het plot bedacht) begrijp ik nu waarom: normaal gesproken verzet ik me tegen het idee van alwetendheid en probeer ik alles wat ik schrijf tekstueel te onderbouwen, oftewel mijn teksten kunnen zowel in hun eigen universum bestaan als in dat van ons. Maar hoe maak ik iets dat radicaal alien is verstaanbaar in het hier en nu? Dat is de vraag waar ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ en De ontheemde vanuit de literatuur antwoord op geven.

Hier stop ik. Het speculatieve genre is de literaire vorm die ons toestaat onder de loep te nemen wat niet is, wat anders is. Je een ‘andere’ wereld voorstellen is politiek bedrijven in vetgedrukte letters. Sinds het vormen van de vrijhandelszones lijkt het onmogelijk om het kapitalisme nog weg te denken; dat de literatuur daar iets over kan zeggen is noch een boutade noch naïviteit. ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ is geen filosofische tekst van Berkeley; De ontheemde is geen boek over het anarchisme. Beide verhalen doen iets wat je alleen kunt doen met literatuur. Speculatieve fictie komt neer op het opstellen van wat regels en accepteren dat we niet weten waartoe ze leiden, tot op het punt dat we ze niet meer kunnen volgen. Door deze manier van onderzoeken en experimenteren kunnen de meest complexe politieke onderwerpen onbevreesd benaderd worden.

09-11-20

Gisteren sloot ik mijn blog af door te zeggen dat ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ in zekere zin een zombieverhaal is. Daarmee wil ik niet zeggen dat het een woedend anticommunistisch pamflet is of iets dergelijks, maar dat het verhaal het onverwachtse verkent, de grenzen van het denken opzoekt tot het volstrekt buitenaards wordt, iets dat niet van deze wereld is, iets vreemds, iets van daarbuiten.

In het verhaal wordt een wereld getoond die door en door idealistisch is. Niet in de zin dat de bewoners van die wereld fanatieke idealisten zijn, maar in de zin dat de wetten van de werkelijkheid er worden bepaald door die filosofische stroming (Borges leunde hiervoor op het subjectief idealisme van Berkeley). Het is een geniale en zeer borgesiaanse wending, want in een idealistische wereld is dat onderscheid betekenisloos, en daarom is er geen enkele reden waarom de ‘buitenaardse’ werkelijkheid niet zou kunnen gaan heersen over de ‘onze’ naarmate de mensheid langzaam in de ban raakt van de ideeën van de idealisten. Een voorbeeld: in het verhaal komen voorwerpen voor die hrönir heten, die ontstaan door de verwachting van de ontdekking ervan. Iemand overtuigt een groep studenten ervan dat ze iets zullen vinden aan de oever van een rivier, en de studenten gaan erheen en stuiten erop. Het verhaal slaat talrijke gewaagde zijwegen in; ik raad u aan het te lezen of herlezen. Ik hoop het tweede.

In de vorige blog zei ik dat ik pas laat op de hoogte was van de debatten over utopieën, die zich vooral vanaf mei 1968 hadden ontwikkeld in de Verenigde Staten in verband met ‘sciencefiction’ literatuur. Die aanhalingstekens geven een persoonlijke tekortkoming aan: ik heb die categorie nooit begrepen. En dan heb ik het niet over het feit dat labels in het algemeen vaak laf zijn, maar bedoel ik specifiek dit label, dat van ‘sciencefiction’. Die term volstaat vast prima voor het genre waarbij het draait om roestbakken in de ruimte, maar een space opera als Star Wars heeft weinig gemeen met boeken als Ubik of Zenumagiër. Ik zie de rode draad in ieder geval niet. Toch zie ik wel een lijn die me eindeloos fascineert: die van de speculatieve literatuur.

Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar De ontheemde van Ursula K. Le Guin. Ik weet dat het lijkt alsof deze redenering nergens naartoe gaat, dat ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ niets te maken heeft met De ontheemde en nog minder met het verhaal waar ik nu aan werk, dat ik een onmogelijke driehoek probeer te construeren; nog even geduld. De ontheemde is een boek waar roestbakken in voorkomen; het zijn er maar een paar, het verhaal zou prima zonder kunnen. Het boek van Le Guin is een grootse literaire onderneming: ze bedenkt Anarres, een dorre, haast onvruchtbare planeet waarop zich een anarchistische gemeenschap heeft gevestigd die het al meer dan honderdvijftig jaar heeft weten uit te zingen. Daar blijft het echter niet bij; net als Borges waagt Le Guin zich aan alle zijtakken waar haar literaire logica haar naartoe leidt. Ze vertelt over de tegenstellingen op Anarres, het gevaar van instituties die hun burgers bespieden, de fundamentele verschillen tussen hen en ons. Ze beschrijft de reis van een prominente natuurkundige die van Anarres naar Urras reist, een planeet waar het kapitalisme heerst en waar mensen zijn theorieën proberen te kopen. Het is duidelijk dat de verschillende planeten met hun eigen systemen van pas komen voor Le Guin, wat overigens niet betekent dat ze er anders niet was uitgekomen.

Ik moet me inhouden. Ik zal de laatste blog nodig hebben om van mijn gedachten een samenhangende driehoek te maken. Tot vrijdag.

07-11-20

Vandaag sprak ik voor het eerst de vertaler van deze korte teksten, Fleur Jeras, die opmerkte dat haar een thematische lijn in de eerste twee blogs was opgevallen. Fleur heeft natuurlijk gelijk: de lezer hoeft niet te lijden onder mijn obsessies. Daarom – al kan ik misschien niet voorkomen dat ze toch af en toe de kop opsteken ga ik van onderwerp veranderen. Ik heb overigens altijd gedacht dat dat (‘Van onderwerp veranderen’) een geweldige titel voor een roman zou zijn. Het schijnt dat James Joyce ooit zei: ‘Omdat we de werkelijkheid niet kunnen veranderen, veranderen we maar van onderwerp.’

Daarom ga ik in de drie blogs die overblijven een verband leggen tussen het verhaal waar ik momenteel aan werk, literaire utopieën in sciencefiction en een van de beste verhalen van Borges. Ik vraag om uw geduld.

De afgelopen jaren spookte er een aantal ideeën door mijn hoofd die allemaal al lang en breed besproken bleken te zijn in het literaire veld. Als er nog iets waardevols te halen valt uit dit hele proces (afgezien van frustratie en plezier), dan is het de manier waarop ik bij die ideeën terechtkwam. Ik bedoel het debat over of het in het Westen nog mogelijk was om utopische verhalen te schrijven na de drie grote oorlogen van de eerste helft van de twintigste eeuw. Die vraag is, zoals de lezer vast weet – kennelijk wist iedereen dit behalve ik – al uitgebreid besproken in verband met sciencefictionliteratuur. Het opmerkelijke is, zoals ik al zei, dat ik bij dezelfde vragen uitkwam – ongetwijfeld met veel meer moeite dan nodig was geweest als ik gewoon het juiste pad had gekozen – via, jawel, Borges.

Ik maak al een paar jaar aantekeningen voor een artikel dat als titel ‘De dappere bibliothecaris’ of ‘De bibliothecaris en de revolutie’ had moeten hebben, of iets in die richting. Gelukkig denk ik dat ik het nooit echt ga schrijven, dus die titels kan ik allebei wel weggooien; de ene omdat ik dan Bolaño zou plagiëren, de andere gewoon omdat hij verschrikkelijk is. In het artikel zou ik hebben geprobeerd een dimensie toe te voegen aan een briljant boek van Beatriz Sarlo: Borges, un escritor en las orillas (Borges, een schrijver op de rand), waarin de essayist de politieke lading in het werk van Borges blootlegt. Los van het nationale vraagstuk – dat prompt lost in translation raakte tijdens het exporteren van Borges’ oeuvre – hoef je alleen maar door de verzamelde verhalen van de Argentijn te bladeren om vast te stellen dat daaruit, zelfs uit de meest terughoudende, een zekere politieke, laten we het betrokkenheid noemen, spreekt. In ‘De loterij van Babylonië’ stelt hij een mogelijk sociaal model voor (hij dringt het overigens niet op), in ‘Utopie van een vermoeid man’ confronteert hij de lezer met een verontrustend toekomstbeeld, in ‘De Zahir’ reflecteert hij op de aard van geld en op de crisis van de jaren dertig, etc. Je kunt het ‘politiek met een hoofdletter P’ noemen, die bijeenkomsten van belangrijke mannen waar wordt besloten dat ideologische overwegingen minder zwaar wegen dan handel, dan de status quo. Jammer genoeg kennen we in ons schrift niets groters dan hoofdletters, maar misschien kunnen we wat Borges in zijn vreemdste verhalen doet ‘vetgedrukte politiek’ noemen. Ik kom er nu gek genoeg achter dat, met het verstrijken van de jaren, het juist die vreemde verhalen zijn die me het meest interesseren en die ik als het meest politiek ervaar. Het idee voor het artikel uit de vorige alinea kwam eigenlijk voort uit misschien wel het meest buitenaardse verhaal van Borges: ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’, wat een zombieverhaal is op dezelfde manier als Le Horla van Guy de Maupassant.

Over de ondergrondse genealogie waar de literatuur van doortrokken is, schrijf ik in de blog van morgen. To be continued…

06-11-20

Een aantal literatuurwetenschappers – van het soort dat als toegevoegde waarde heeft dat ze ons met hun beweringen laat zien hoe het niet moet – stelde een paar jaar geleden dat het romangenre (met als hoofdvertegenwoordiger de zogeheten totaalroman) in ons ecosysteem, gekenmerkt door de meedogenloze opmars van het postindustriële kapitalisme, zou uitsterven. Volgens hen waren we getuige van de opkomst van iets anders, iets nieuws (het radicaal nieuwe, meestal onmogelijk of onleesbaar, is ook een stokpaardje van het laatkapitalisme), iets dat zeker geen eendagsvlieg zou zijn: Zeer Korte Verhalen.

Schrijvend vanuit het heden kan ik me alleen maar verbazen over dit soort stellingen. Al sinds de Renaissance sleept het Westen het gewicht van de alleenheerschappijan de roman met zich mee. Eerder dan wie dan ook aanvoelen dat er een verschuiving aan zit te komen die vergelijkbaar is met bijvoorbeeld die van de klassieke dialoog naar de moderne roman, impliceert dat we ons in net zo’n paradigmashift bevinden als die van de vijftiende naar de zestiende eeuw; het lijkt me sterk. De roman blaakt nog altijd van gezondheid. De roman Vaderland[1] van Fernando Aramburu is een pil van meer dan zeshonderd pagina’s die op verschillende bestsellerlijsten pronkt. Laatst zei een vriendin tegen me: “Als je een agent wilt veroveren, moet je aankomen met een roman onder je arm; korte verhalen zijn niet goed genoeg.”

Dit is geen nieuw fenomeen. Jorge Luis Borges rebelleerde al met stukken van tien pagina’s die bewaard zullen blijven als de volmaaktste voorbeelden van twintigste-eeuwse literatuur. Van Julio Cortázar herinneren we ons Rayuela: een hinkelspel, maar zijn korte verhalen zijn we al vergeten. Niemand buiten Argentinië en Uruguay weet nog wie Felisberto Hernández of Macedonio Fernández waren. En wat Juan Rulfo betreft: maar weinigen hebben gehoord van El llano en llamas (‘De vlakte die in vlammen opgaat’), want dat was een one-shot van een schrijver zonder plan. En dan hebben we het over de grote namen uit de Spaanstalige literatuur van de twintigste eeuw. Ook nu blijven de raderen draaien: lezers van Mariana Enríquez en Samanta Schweblin halen opgelucht adem als ze horen dat hun schrijvers eindelijk een roman hebben uitgebracht (met wisselende mate van succes, maar in beide gevallen waren het echte romans, geen novelles).

De verheerlijking van literatuur is dus te danken aan slechts één genre. De wichelaars van Zeer Korte Verhalen beweerden dat we in 2020 alleen nog verhalen zouden lezen die je op je nachtkastje kon leggen om af en toe eens van te snoepen, verhalen die in een tweet pasten of gelezen konden worden tussen twee metro- of bushaltes in. Niets is minder waar. Mensen tillen zich met trots een breuk aan de eminentste namen uit ‘onze’ literatuur. Het is mogelijk dat hun beweringen, zoals iedere profetie, in de loop van de tijd toch uitkomen; ze kunnen ons, zoals ik eerder al zei, via een eliminatieproces laten zien hoe het wel moet. Schrijvers lijken zich aan bepaalde soorten romans te wijden, in ieder geval schrijvers uit Spanje: hetzij aan een, volgens de negentiende-eeuwse gedachte, uitdrukking van de diepste subjectiviteit van de mens, hetzij een essentiële en bevoorrechte getuigenis van een bepaald aspect van onze maatschappelijke werkelijkheid. Laten we Vaderland er weer bij pakken – hoewel ook Lectura fácil (‘Lichte lectuur’) van Cristina Morales of La lección de anatomía (‘De anatomische les’) van Marta Sanz goed als voorbeeld zouden kunnen dienen – en Ordesa van Manuel Vilas, die ook te gast is tijdens Crossing Border. In het tweede boek vinden we een literaire versie van de testimonio, oftewel de ervaring van het individu. Het eerste boek daarentegen vertelt een collectieve ervaring, de jaren van de ETA, de slachtpartijen van de ETA, de terreur in het Baskenland, etc. Dit vertrekpunt is ongetwijfeld zorgwekkender: als de hedendaagse verteller een verteller van ‘de staat’ is (tegenover de ‘nomade’ van Deleuze en Guatarri) die niet alleen de nationale identiteit op schrift mag stellen maar ook de collectieve ervaring mag beschrijven, wat voor plaats heeft de literatuur dan? En waar is er dan nog ruimte voor de verbeelding? Moeten we opnieuw in Latijns-Amerika op zoek naar de juiste vragen om los te komen uit het moeras?

[1] Voordat iemand me beschuldigt van zwendelarij, moet ik opbiechten dat ik Patria niet heb gelezen en dat dat me ook niet nodig lijkt voor de doeleinden van dit artikel (die ik eerlijk gezegd ook niet helemaal helder voor ogen heb)

08-10-20

De festivalorganisatie heeft mij gevraagd deze eerste tekst te laten fungeren als een – mijn vertaling is geïmproviseerd – ‘soort proloog, zodat je je voor kunt stellen, vertellen waar je nu bent, et cetera.’

Ook als we de dreiging die in iedere ‘et cetera’ schuilt even buiten beschouwing laten, is dit geen onschuldig verzoek en roept het een vraag op (waarom is het belangrijk om mij te leren kennen, of te weten op welke plaats ik ben?) die op zijn beurt weer een andere, algemenere vraag impliceert: wat is de waarde van de identiteit of plaats van een schrijver?

Het makkelijke antwoord is een laffe, barthesiaanse bewering: die waarde bestaat niet omdat die plaats niet bestaat, het geschrevene gebeurt buiten de schrijver om. Maar ze hebben mij uitgenodigd voor dit festival als auteur van Levende dingen, dat wil zeggen: van een ‘autobiografische’ roman (aldus het cliché), oftewel een roman die de eigen ervaring als materiaal gebruikt.

Of de eigen ervaringen (eigenlijk moet ik schrijven: de eigen herinneringen) een oneindig veel rijker resultaat opleveren dan welk verzinsel ook heeft op een heimelijke manier veel te maken met de achtergrond van de schrijver. Er lijkt een consensus te bestaan – waar ik me bij aansluit – dat een witte, cisgender heteroman afkomstig uit de middenklasse nooit dezelfde roman zal schrijven als een lgbti-persoon van kleur uit de arbeidersklasse. En zelfs als we buiten beschouwing laten dat je dat ook kunt omdraaien (dat we door een roman te lezen kunnen zeggen wat voor iemand de schrijver is) lijkt de bewering te kloppen, ook al dreigt die de literatuur te reduceren tot een afzetmarkt van ervaringen. Jaren geleden verbaasde een van mijn docenten, Eduardo Becerra – het lijkt erop dat ik nu toch eindelijk over mezelf ga praten –, mij en mijn medestudenten door te vertellen dat iconische auteurs uit de nieuwe generatie iconische auteurs (ik herinner me namen als Philip Roth en Roberto Bolaño) veel bijbaantjes hadden gehad, zoals ober of bewaker op een camping. Wat heeft het cv – herinner ik me te hebben gedacht – te maken met literatuur?

In politieke zin (in de breedste betekenis van het woord) is de ervaringsgerichte wending van de literatuur tegenstrijdig en brengt deze volgens mij een crisis teweeg in het romangenre. Is ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ van Borges minder ‘biografisch’ dan De wilde detectives van Bolaño? Als ervaring herinnering is en verbeelding een combinatie van die twee, zijn beide teksten dan mozaïeken van de herinneringen van hun auteurs?

Naast dat alle herinnering uiteindelijk collectief is, lijkt hier een idealistische opvatting van literatuur te botsen met een materialistische, wat ons terugvoert naar een uitgekauwd debat. Het interessante eraan is dat de waarde van literatuur in mainstream-kringen momenteel wordt bepaald door de waarde van de ervaringen die erin worden beschreven. Ik herinner me een inmiddels mythisch verleden waarin de niet geringe hoeveelheid mensen met literaire pretenties die we tijdens protesten tegenkwamen op pleinen door heel Spanje ons vroegen wat een van de zogenaamde leiders van de 15 mei-beweging bedoelde toen die het had over ‘de roman van 15-M die elk moment geschreven kon worden (het lijkt erop dat schrijver Alberto Olmos zich later het auteurschap heeft toegeëigend). Hebben we het over een roman die gaat over de ervaring(en) van 15-M? Of beschikte de beweging over een eigen grammatica, vocabulaire en een concrete reeks discursieve vormen? Was het echt mogelijk dat wij niet de roman van 15-M zouden schrijven?

Misschien kan deze gordiaanse knoop worden doorgehakt met een zwaard dat ik niet kan optillen, maar als ze me vragen wie ik ben – als schrijver – dan antwoord ik: iemand die de druk voelt van de tegenstelling tussen de verkoopbare ervaring en de speculatieve fictie, tussen schrijven voor of tegen een literatuurmarkt die ik nodig heb om te bestaan. Waar ik ben? In dit conflict, in deze knoop die me gevangen houdt en me onderwerpt, of liever, mij tot onderwerp maakt.