Frederik Willem Daem
06-10-2015

Alles is heel paars en het lijkt alsof dit charmante opzet het in zich draagt een, niet al te beladen, zelfmoordbrief te worden. Iets luchtigs en romantisch, over sporen in vlees, een man en een paard, een woestijn en geratel, Tantalus of Sisyphus. Deze persoon heeft in het verleden beweerd dat hij zich herhaaldelijk aan hetzelfde thema heeft gewaagd. De voorbeelden daarvan zijn legio. Ze liggen handgeschreven op een kast, zijn gepubliceerd of zoekgeraakt. In betere tijden heeft hij ooit gegrapt: de eindigheid van de liefde, mijn stokpaardje. Het enige onderwerp dat momenteel – nu nood wet gebroken heeft – nog te behandelen (in dit geval verhandelen) valt. Een slopende ziekte waarbij artsen voor raadsels staan. Hun diagnose angstvallig: eenheidsworst.
Eén van hen zegt: elk begin van een einde moet noodzakelijkerwijs toch ook een nieuw begin zijn maar deze persoon kan enkel aan haar, toch ook zijn, vrienden denken. Aan hoe ze losbandigheid veroordelen en hoe hij zijn uiterste best doet het allemaal zomaar naast zich neer te leggen alsof een horoscoop het hen voorspeld had. Niet nu, dan morgen, volgende week allicht.
Deze persoon vindt troost in de zaken die hem zullen blijven omringen: een stad waarnaar hij gelang het type trein x kwartier voor onderweg is, een dialect dat hij meester is, vrienden die hem begrijpen, of dat volhouden, maar hoe kan hij er ooit geheel van overtuigd zijn dat zij dat niet alleen maar doen omdat zij heil vinden in een logica die haarzelf even vaak weerlegt.
Wanneer zij belt, laat hij de telefoon soms nodeloos lang rinkelen om dan te antwoorden op reeds beantwoorde vragen. Hoe het met hem gaat, wat er met hen gaat gebeuren, waar hij is, waar hij is geweest. Deze persoon heeft nog nooit zoveel ik weet het niet gezegd en vreest een kinderspel met gevouwen papier, een hoed op vingertoppen, een getal en een kleur die een toekomst voorspellen van een zwembad, een auto, een kind of een meisje in de klas waarmee je zal trouwen omdat de vouw je dat dicteert.
Zij concludeert dat deze persoon alles in een weegschaal heeft gelegd om met twee verschillende maten te meten. Zijn zij dan geen krijgers? Een zeldzaam ras dat blijft vendelen met een lap katoen waarop een gelijmd hart is afgebeeld… Met slechts het onvermijdelijke wachten op een nieuwe mededinger. Ondertussen warmen ze lauwer wordende koffie op in magnetrons, proeven ze de afdronk van een vage ambitie naar meer.
Er is een beeld dat hem achtervolgt van een waterfiets te midden van een meer. Een koppel dat deze persoon goed kent ook al is hij totaal van hen vervreemd. Een kanoër raast hen voorbij en kondigt een schaduw aan die sluipt over de heuvelkammen die van een vallei een vallei maken. Een zon – toen waren er nog twee.
Eén ervan fonkelt in een sieraad dat een desbetreffende vinger streelt. Er speelt een lied dat hij nooit meer zal kunnen horen en zes maanden later verwijt ze hem dat ze het ding zal verpanden en hij hoopt dat zij met de opbrengst iets moois koopt dat haar dierbaarder wordt dan hij ooit geweest is kunnen zijn.
Deze persoon kan niet meer terug.
Op de voorpagina van een krant, een zoveelste wetenschappelijke ontdekking waar straks bij het koffieapparaat, tussen voordrachten, dieper op ingegaan zal worden. Hij wordt verplicht opnieuw onder de mensen te komen, collega’s ditmaal, en hij gesticuleert dingen met handen, lacht onbewust te luid, is eerst verlegen, dan praatgraag, als niet -ziek, en komt in het beste geval oprecht over. Deze persoon belooft dit thema nooit meer te behandelen. Liegt.

Alle verhalen van Frederik Willem Daem
01-12-15

Na twee maanden van omzwervingen besef ik dat ik er goed aan doe om nu voor eens en voor altijd te bepalen dat ik maar één thuis kan hebben. Een plek waar ik mezelf kan zijn zonder over mezelf te praten. Eerdere bestemmingen waar ik de voorbije weken onsuccesvol toevlucht in heb gezocht: Den Haag, Amsterdam, Lissabon, Leuven, Antwerpen, …

Een lijst die zal blijven groeien en waarvan de genomineerden allemaal slechts een tijdelijkheid gemeenschappelijk hebben. De stad als transitzone, die me ofwel elders heenvoert, dan niet terug naar huis leidt.

Lang heb ik geloofd – momenteel weet ik niet meer wat ik geloof – dat een thuis ook een persoon kon zijn. Dat alles wat die persoon omringt overtollige bagage was en de aanwezigheid van deze persoon voldoende was om een omgeving tot een thuis te maken. Het principe “thuis” zou ook tot iets materieels gereduceerd kunnen worden zoals in een bierreclame, die ik me herinner uit mijn jeugd, waarin iemand verkondigt dat zijn thuis simpelweg bestaat uit de plek waar zijn Stella staat. De protagonisten in die reclames zijn veelal mannelijk en zo wil ook de slogan van een ander biermerk getuigen dat zweert bij de woorden “mannen weten waarom”. Ook al voel ik me vertrouwd rond bier en weet ik volgens mij ook waarom, ben ik blij dat ik beslist heb dat mijn thuis vanaf nu toch gewoon een plaatsbepaling zal zijn.

Specifieker nog de stad waarin ik ben geboren, opgegroeid en vervolgens een kwarteeuw heb geleefd. Dezelfde stad die ik de rug toegekeerd heb toen ik er nog rotsvast van overtuigd was dat een thuis toch uit niet meer hoefde te bestaan dan een individu. Nu ik deze persoon niet langer mijn thuis kan/mag noemen, roept zij noodgedwongen opnieuw mijn naam. De lokzang van haar sirenes door een terreurdreiging van allerhoogste niveau.

Thuis is het tegenwoordig moeilijk het onderscheid te maken tussen bescherming en bezetting en over dat laatste schreef een landgenoot ooit een dichtbundel met experimentele typografische kenmerken. Onlangs kreeg ik het verwijt dat ik in mijn verwijzingen minder cryptisch moet zijn wanneer het al helder is wie of wat ik bedoel. Dus bij deze, louter voor haar: de dichters naam is Paul van Ostaijen, de stad in kwestie Brussel.

Thuis is alles in en rond een vijfhoek waar uitbaters van alle slag momenteel aangemaand worden hun deuren te sluiten. Het leven niet anders kan dan trager te verstrijken, het tegen wil en dank een beetje stil gaat staan. In haar straten gaan mannen gehuld in camouflagekleuren die hun doel ondermijnen omdat ze afsteken tegen beton, reclame en alledaagsheid. Rond hun schouders dragen ze wapens die langer zijn dan kinderarmen en rijden ze in wagens met luchtafweergeschut. De vogels blijven in hun nesten omdat het daar veiliger is.

Ondertussen zit ik tweeduizend kilometer zuidelijker in een stad waar ik toevallig zap op een Belgische politicus die ondertiteld wordt in het Portugees. Ook hun nieuws bericht over haar. Het meeste kan ik niet volgen waardoor ik van zender verander en de onverschilligheid niet langer met hetzelfde schuldgevoel gepaard gaat. Zelfs in tragedie bestaat zoiets als gewenning, de pijn die onderdeel wordt van een dagdagelijkse routine.

Zo vaak is alles gemakkelijker gezegd dan gedaan.

– FWD

16-11-15

Het strand is een uur wandelen en ik beslis om er heen te gaan omdat ik het strand haat, zal de bestemming nooit bereiken net omdat ik het strand haat.

Op mijn pad is een winkelstraat afgezet voor de intrede van een heilige die ze hier en thuis De Sint noemen. Het regent en waait zoals het dat de voorbije dagen onophoudelijk gedaan heeft maar daar lijdt de belangstelling niet onder. Kinderen wachten met ouders onder paraplu’s en zien slecht versierde praalwagens voorbij rollen. Uit luidsprekers schallen schelle liederen van een Pietenband. Ze gaan van “maakt niet uit wat het is, het komt allemaal goed” en wij geloven hen. De stoet kabbelt voort op het tempo van buikpotigen en reikt verder dan de winkelstraat, die zeker een halve kilometer lang is. Ik zie geen Sint. Ik zie wel kleine ezels met mandjes, sluikreclame, mandarijnen, smartphones, blanke mensen met zwartgeverfde gezichten die roet moeten suggereren. De Zwarte Pieten zijn verkleed als brandweermannen ook al blussen ze geen brandjes en er is een fanfare in een treintje. Eén enkele Zwarte Piet manoeuvreert zich door de massa op een Segway. Er zijn kinderen voor wie de wereld nog iets wonderlijks heeft, er zijn mensen die vandaag door de bril van die kinderen kijken. Heb ik al gezegd dat het regent?

Ik ben hier nu vier dagen. Wat al eens langer, dan eens korter dan dat aanvoelt. Mijn kleren liggen verspreid over een rode fauteuil. Er is een bureau dat van een douche gescheiden wordt door middel van een raam en fantasieën teelt. In de tussentijd ben ik deze stad mijn thuis gaan noemen ook al kan ik me er nog steeds niets bij voorstellen. Den Haag een begrip dat ik enkel ken van nieuwsberichten op radiozenders. Een plaatsbepaling bij artikels en een plek waar problemen van wereldlijke omvang opgelost moeten worden. Bij dat laatste kan ik me evenveel verbeelden als bij de opstropping in de Waaslandtunnel in datzelfde nieuwsbericht. Maar hé, ik ken wel blind de route van het hotel naar de schouwburg, vind de Schlemmer – waar we goede aflopen vieren en David Vann danst op wat vermoedelijk amfetaminen zijn – ertussenin. Vann knikt naar mij en voor sommigen is deze erkenning van hun bestaan iets benijdenswaardig, het kind gekust door de Sint. In deze illusie die een organisatie voortgebracht heeft, met behulp van toegangsprijzen en subsidies, heeft de literatuur allure en ontstaat een onzichtbare hiërarchie waar schijnwerpers van mensen helden maken. Voor die uitzonderingstoestand ben ik hen erkentelijk.

Het regent nog steeds beklemmende uitzichtloosheid wanneer een vacuüm, ademruimte gunt aan de verschijning van een getransponeerd schrijver. Hij bezit de flair van een Brit pop zanger met een achterban van tienermeisjesharten, een bijpassende zwierigheid maar bovenal een vertrouwd accent. Soms hebben vreemden niet meer dan een ongekunstelde openingszin nodig om te weten wat ze voor elkaar kunnen betekenen. Vervolgens schouderklopjes, anekdotiek, een gedeelde tewerkstellingsconsulent, een Brusselse gemeente, actualiteit, een uitnodiging naar Athene te komen, de zin “het kwam tot mij in een droom.”

Het zijn deze kleine details die mij de moed geven morgen hetzelfde als gisteren te doen en verwoed verder te wroeten in dat grote onoverzichtelijke geheel. Slaven van onze ervaringen gaan we gebukt onder ons verleden. Einde.

Schoonmaaksters vervangen bedlinnen en maken plastiek prullenbakken leeg. Deuren sluiten achter ruggen met een klik en de irreële ambitie dat ze ooit nog door dezelfde persoon geopend worden. In de lobby maken mensen elkaar dingen wijs: we houden contact, ik mail je nog, het was mij een genoegen, veel succes. Maar zoals in de literatuur worden de voorwendsels gemeend en gelooft. Naar meer ben ik niet op zoek.

14-11-15

Nog meer van hetzelfde gemeander in twee hoofdstukken.

(1) In tijden van tragedie vinden mensen elkaar terug, zalven ze open wonden en vergeven ze voorgaande zonden. Zo was het bij mijn vader en zo hoop ik dat het, gezien een onvoltooid recent verleden, ook ooit bij mij mag zijn. …

Gisterennamiddag (13/11) besliste ik dat mijn stuk op deze wijze zou openen. Het was een inleiding die volgde op een bericht van mijn broer en zei dat “ze” ingebroken hadden in het huis van mijn moeder. Het huis waarin ik ben opgegroeid en waar mijn jongste broer op dat moment wakker werd geblaft door een hond die de inbrekers in het toilet probeerden op te sluiten. Zijn woorden: “tis een zigeunerbende da rondtrekt, gelukkig was ik ziek en thuis om ze weg te jagen”. Naast een gevoel van veilig- of geborgenheid gingen ze ook aan de haal met wat juwelen. Dat durfde ik dan tragisch te noemen. Bitter…

Want ondertussen staat een stad in brand of zo berichten de kranten. Ze hebben het over een slachting. Over hoe onze wereld nooit meer dezelfde wereld zal zijn. Opiniemakers gebruiken de gebeurtenis om samenhorigheid of verdeeldheid te zaaien. Mensen schrijven steunbetuigingen, Parijse vrienden delen mee dat ze veilig zijn, muren worden opgetrokken. Eén iemand tweet tot mensen die de “vluchtelingen” beschuldigen van de aanslag, zegt: “zien jullie niet in dat de daders net de mensen zijn van wie die vluchtelingen vluchten.” Alles krijgt een duim omhoog. In de lichtstad komen mensen samen om zich op te warmen aan elkaar en aan het nog smeulende vuur. De rook neemt de gedaante aan van woede, bezorgdheid, onbegrip, voortgang. We kunnen niet verder, we moeten verder!

Veertien uur vroeger: het is iets na elven en ik heb net meer dan een uur languit gelegen op een met tapijt beklede vloer. Een Britse singer-songwriter, wiens voor- en achternaam met hetzelfde initiaal begint, zong o.a. een nummer over een eenzame man wiens koninkrijk deze aarde toebehoort. Het klinkt allemaal herkenbaar en ik beslis dat het welletjes is geweest met de melancholie, dat dit alvast een goeie avond was.

Met een simpele ziel die de woorden “Mijn eerste vrouw noemde me poedel, als ik aan haar denk worden mijn ogen troebel” sprak en een zaal ontroerde. Met Kevin Barry die me leert dat het schrijven van korte verhalen vergelijkbaar is met koorddansen. Elke zin, een stap op de kabel. Bij de minste misstap ziet de situatie er voor de schrijver, zowel als voor de lezer, vergeefs uit. Ik: Philippe Petit.

Waar tussen twee schouwburgen in geladen en gelost wordt, rook ik hoogmoedig. Naast me ijsbeert een Amerikaan van mijn leeftijd. Daarnet stond hij op het podium met iets wat het internet indie folk noemt. Hij is bezorgd om een bevriende muziekgroep die samen met toeschouwers gegijzeld worden in een concertzaal met Chinese architectuur. De daders dragen bomgordels en Kalasjnikovs. Het aantal doden stijgt exponentieel, verdubbelt tot het drie cijfers bereikt. Ik kijk rond me en zie mannen, vrouwen, oud en jong en hier is daar en daar is hier. Een aanslag op sport, op uiteten, op kletsen, op kunst. Op camaraderie en zorgeloos escapisme.

Net als iedereen van ons wilden deze mensen het einde van de week vieren, maar velen van hen haalden zelfs het weekend niet. Het zal de bloedigste aanslag in tien jaar worden, hoor ik en ik voel me dom omdat ik me niet eens herinner wat er toen gebeurd is. Wij drinken allemaal verder en op het podium staat nog een dichter, vervolgens een schrijver met eenzelfde smaak voor Scorsese, Kerouac en Presley. Daarna dans ik alsof niets me parten speelt en probeer ik het onderscheid te maken tussen vrienden, kennissen en collega’s.

Op een hotelkamer klinkt Drake en deelt een sociaal medium mee dat tien vrienden in Parijs ongedeerd zijn. Van twee mensen heb ik nog nooit gehoord.

 

13-11-15

“Al mijn jongens zijn strijders als Manilla, al mijn jongens die streven naar die mille.”

Het is de eerste boodschap die me hier in mijn moedertaal meegedeeld wordt. Ze wordt begeleid door een geroffel, een weinig inspirerende melodie; is dansbaar. Ze vindt haar oorsprong in een winkel die rox heet en handelt in betaalbare vrouwenkleren die vermoedelijk conform de huidige mode zijn. Ik heb er niks te zoeken maar blijf voor de etalage staan en in afwachting van iets dat niet op til is, analyseer ik de liedtekst. Probeer ik me in te beelden hoe jongens dan strijden in de hoofdstad van de Filipijnen? Of is dit zo’n schoolvoorbeeld van hoe mensen variaties op dezelfde taal spreken, betekenissen verloren gaan in vertalingen, zoals een Amerikaans dichter ooit zijn eigen ambacht omschreef? Manilla in het Zuid-Nederlands – Vlaams zou een pejoratief zijn… – wordt Mandela in het Noord-Hollands en maakt de boodschap van het nummer ietwat zinvoller, nog steeds behoorlijk triviaal.

Ik ben verdwaald.

Op de treden van het hotel dronken jongeren bier en gaven ze joints rond met behulp van woordspelletjes. Ze hebben zich het Spui toegeëigend, weten waar ze heen moeten om zich thuis te voelen. Zo richt de mens zijn leven in. Door keuzes te maken en deze te verdedigen met argumenten die gemoedsrust garanderen. Gewoontedieren. Ik eet BK en geen Mickey D’s omdat… Omdat ik het gewend ben. Thuis in Brussel zat ik op het Sint-Katelijneplein omdat… Omdat iemand daar destijds mee begon. Nu doe ik het nooit meer anders.

Daar, toen, een tijd die minder lang geleden lijkt dan hij hoogstwaarschijnlijk is, koesterde ik dezelfde vrijetijdsbestedingen als de jongeren achter het Mercure Hotel waar ik vanop het plein het licht op mijn kamer kan zien branden, vijf hoog, tweede raam van links. Wie wil zou kunnen concluderen dat er niets verandert is en het grootste deel van mijn leven nog steeds bestaat uit het doden van tijd in gezelschap van vrienden of van alcohol. Al weet ik dat ik me van hen onderscheid aangezien ik niet langer over dezelfde zorgeloosheid beschik. Ik sta voor keuzes. Wat is het doel? Hoe versmoor ik verdriet? Waarvan zal ik in Den Haag mijn uitvalsbasis maken? Wat wordt hier mijn Stanny, mijn Au Laboureur of De Raaf? Waar zal ik een wanhoopspoging doen me te nestelen?

Net als in Brussel is ook hier een Grote Markt. Ze delen dezelfde karakteristieken zijnde kasseien, verwarmde terrassen, legendes, erfgoed, bier dat onder druk staat, gaat zo nog even door. Hier, op dat plein van welke de naam zo vertrouwd klinkt, werp ik mijn anker uit in een kroeg die September heet en mijn voorkeur draagt omdat de Grolsch er even slecht smaakt als bij de concurrentie en de negende maand degene is waarin ik geboren ben. Dit jaar kreeg ik enkel rommel als cadeau dus trakteer ik mezelf op een oester vermits die hier minder kosten dan een pils. Ik koop alsnog pils om de oester door te spoelen en vraag me af wat mensen denken als ze me zien zitten in een kroeg die hun voorkeur draagt, de anderen hun afkeur. Wie is die man die zijn muts ophoudt, die luistervinkt, die op niemand wacht en nergens heen lijkt te moeten gaan? Hij vertegenwoordigt een zonderlinge teruggetrokkenheid. “Zijn keuze,” beslissen ze haast meteen. Eén die hij verdedigt met onweerlegbare argumenten als “het is” en waar wij ons gemakshalve maar bij moeten neerleggen.

06-10-15

Alles is heel paars en het lijkt alsof dit charmante opzet het in zich draagt een, niet al te beladen, zelfmoordbrief te worden. Iets luchtigs en romantisch, over sporen in vlees, een man en een paard, een woestijn en geratel, Tantalus of Sisyphus. Deze persoon heeft in het verleden beweerd dat hij zich herhaaldelijk aan hetzelfde thema heeft gewaagd. De voorbeelden daarvan zijn legio. Ze liggen handgeschreven op een kast, zijn gepubliceerd of zoekgeraakt. In betere tijden heeft hij ooit gegrapt: de eindigheid van de liefde, mijn stokpaardje. Het enige onderwerp dat momenteel – nu nood wet gebroken heeft – nog te behandelen (in dit geval verhandelen) valt. Een slopende ziekte waarbij artsen voor raadsels staan. Hun diagnose angstvallig: eenheidsworst.
Eén van hen zegt: elk begin van een einde moet noodzakelijkerwijs toch ook een nieuw begin zijn maar deze persoon kan enkel aan haar, toch ook zijn, vrienden denken. Aan hoe ze losbandigheid veroordelen en hoe hij zijn uiterste best doet het allemaal zomaar naast zich neer te leggen alsof een horoscoop het hen voorspeld had. Niet nu, dan morgen, volgende week allicht.
Deze persoon vindt troost in de zaken die hem zullen blijven omringen: een stad waarnaar hij gelang het type trein x kwartier voor onderweg is, een dialect dat hij meester is, vrienden die hem begrijpen, of dat volhouden, maar hoe kan hij er ooit geheel van overtuigd zijn dat zij dat niet alleen maar doen omdat zij heil vinden in een logica die haarzelf even vaak weerlegt.
Wanneer zij belt, laat hij de telefoon soms nodeloos lang rinkelen om dan te antwoorden op reeds beantwoorde vragen. Hoe het met hem gaat, wat er met hen gaat gebeuren, waar hij is, waar hij is geweest. Deze persoon heeft nog nooit zoveel ik weet het niet gezegd en vreest een kinderspel met gevouwen papier, een hoed op vingertoppen, een getal en een kleur die een toekomst voorspellen van een zwembad, een auto, een kind of een meisje in de klas waarmee je zal trouwen omdat de vouw je dat dicteert.
Zij concludeert dat deze persoon alles in een weegschaal heeft gelegd om met twee verschillende maten te meten. Zijn zij dan geen krijgers? Een zeldzaam ras dat blijft vendelen met een lap katoen waarop een gelijmd hart is afgebeeld… Met slechts het onvermijdelijke wachten op een nieuwe mededinger. Ondertussen warmen ze lauwer wordende koffie op in magnetrons, proeven ze de afdronk van een vage ambitie naar meer.
Er is een beeld dat hem achtervolgt van een waterfiets te midden van een meer. Een koppel dat deze persoon goed kent ook al is hij totaal van hen vervreemd. Een kanoër raast hen voorbij en kondigt een schaduw aan die sluipt over de heuvelkammen die van een vallei een vallei maken. Een zon – toen waren er nog twee.
Eén ervan fonkelt in een sieraad dat een desbetreffende vinger streelt. Er speelt een lied dat hij nooit meer zal kunnen horen en zes maanden later verwijt ze hem dat ze het ding zal verpanden en hij hoopt dat zij met de opbrengst iets moois koopt dat haar dierbaarder wordt dan hij ooit geweest is kunnen zijn.
Deze persoon kan niet meer terug.
Op de voorpagina van een krant, een zoveelste wetenschappelijke ontdekking waar straks bij het koffieapparaat, tussen voordrachten, dieper op ingegaan zal worden. Hij wordt verplicht opnieuw onder de mensen te komen, collega’s ditmaal, en hij gesticuleert dingen met handen, lacht onbewust te luid, is eerst verlegen, dan praatgraag, als niet -ziek, en komt in het beste geval oprecht over. Deze persoon belooft dit thema nooit meer te behandelen. Liegt.