Sanne van der Meij
Hier
17-06-2014

Het begon met twee naar elkaar uitgestoken handen. Ik was een jaar of zes. De eerste blijvende herinnering van mijn leven: de hand van mijn vader, eeltig, zwart, ruw, stoffig en gehard door het werk in de velden, uitgestoken naar een andere hand, zacht, verfijnd en verzorgd, met daarin het grootste geldbedrag dat ik tot dan toe ooit onder ogen had gehad. 15.000 Afrikaanse frank (23 euro), en mijn lot was bezegeld. Ik herinner me mijn vader, zijn gezicht, zijn getaande huid, zo gespannen als het leer van een tamtam. En zijn glimlach. Ik blijf het onuitwisbare beeld zien: zijn opgekrulde bovenlip, die een rij gele tanden blootgaf. Ik vraag me af waar hij aan dacht. Waar denk je aan als je je eigen zoon verkoopt? Op die vraag zou ik helaas antwoord krijgen, maar pas veel later, toen ikzelf, als volwassene, de dierbaarste persoon van mijn leven zou verkopen. Er zijn vele jaren voorbijgegaan dat ik het mijn vader kwalijk nam, niet per se die daad op zich, die ik op de een of andere manier nog wel had kunnen verklaren, maar vooral de uitdrukking op zijn gezicht op het moment dat hij het geld aannam. Geen voldoening, maar ook geen verdriet. Het gezicht van mijn vader ging schuil achter het masker dat ik het grootste deel van mijn toekomstige leven zou proberen te ontcijferen. Ik weiger te denken dat het onverschilligheid was. Want dat zou betekenen dat mijn leven geen enkele betekenis had en dat het verkopen van een kind vergelijkbaar is met het verkopen van vee. Een simpele economische transactie. Vreugde wil ik ook niet, want wat moet je denken van een vader die blij is dat hij zijn kind verkoopt? Een derde van mijn identiteit heb ik van mijn vader gekregen, nog een derde van mijn moeder, en het laatste deel is gevormd door mijn persoonlijke ervaringen. Ik denk maar liever dat zo’n groot deel van mij ook niet blij was toen ikzelf de dierbaarste van mijn leven verkocht. En verdriet? Ik weet niet of ik had gewild dat mijn vader verdrietig was, want zou dat niet betekenen dat hij vermoedde dat hij me blootstelde aan het kwaad en het toch deed? Wat brengt een man ertoe zich van zijn eigen vlees en bloed te ontdoen? Noodzaak? Ik heb er moeite mee dat te geloven. Ik heb geleerd dat er voor degenen van wie je houdt geen noodzaak bestaat, dat je moet vechten tot het bittere einde. Dat heeft Iman me geleerd.

Wat de reden ook was, ik kostte 15.000 Afrikaanse frank op een regenachtige dag. Veel later zou ik per maand evenveel verdienen en rilde ik over mijn hele lichaam als mijn werkgever de kreukelige biljetten aan het einde van de maand in mijn hand drukte. De biljetten waarmee ik werd gekocht waren daarentegen nieuw. Ze waren nog stijf en glanzend. Ze waren mooi. Later zou ik horen dat de vrouw die me kocht, die me vroeg haar tantie Caro te noemen, een paar uur eerder langs de bank was gegaan, vlak voordat ze op weg ging van de hoofdstad naar mijn dorp, iets verder naar het noorden. Ze maakte die reis regelmatig, minstens één keer per maand. Dat was haar werk. Ze kocht kinderen van hun ouders en verkocht ze door aan de hoogste bieder. Ze ontving dan maandelijks een vergoeding voor het werk dat de kinderen verrichtten, die ze weer gebruikte om andere kinderen te kopen. Als tegenprestatie kregen de kinderen de kans om hun geluk te beproeven in de grote stad. Zo’n vijftien jaar later plukten de ouders de vruchten van hun investering: ze konden trots zijn dat ze een kind hadden dat was opgegroeid in de stad, dat onafhankelijk was en vooral beschaafd. Als alles goed ging. Ik heb me vaak afgevraagd hoe tantie Caro erbij was gekomen om kinderen te gaan verkopen voor haar geld. Ik heb even gedacht dat het was omdat ze zelf geen kinderen had. Maar op den duur kwam ik tot de conclusie dat het met kinderen van anderen misschien gewoon anders was.