Annemart Pilon
In de naam van de Oom
07-04-2014

             Anthony (nadat de Oom is gevlucht)

‘Oké, waar hou je van?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Muziek, dansen, katten, de wereld redden, waar hou je van?’
‘Dansen? Peppino, je denkt toch niet dat ik een nicht ben?’
De vetzak smeet bij wijze van antwoord zijn .44 Magnum met korte loop op het smerige bureau, waarna hij met de rug van dezelfde hand de jongen tegenover hem in zijn gezicht sloeg. Hij was dan misschien geen nicht, maar zijn gezicht was roodverbrand van de zonnebank, zijn wenkbrauwen waren dunne streepjes en zijn overhemd stond open tot halverwege zijn bruine borst, die vol zat met piepkleine zwarte stoppels. Daar kon je aan zien dat zijn borsthaar weer begon te groeien, nadat hij het kort geleden heel secuur had afgeschoren. In het halfduister van het souterrain, waar de luiken gesloten waren en de stilte af en toe werd onderbroken door het gebrom van scooters, leken de twee wel een slap aftreksel van de Dikke en de Dunne. De jongen stond paf dat hij was geslagen. Hij wilde opstaan, maar toen, de vetzak hoefde niet eens zijn pistool van het bureau te pakken, begreep hij dat dat geen slimme zet zou zijn.

Peppino de Smeerlap zat op een gammel houten stoeltje, zijn vet blubberde over de zijkanten van de stoel alsof hij hem helemaal opslokte, en hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, dit is niet goed. Hier maak je me niet blij mee. We hebben je een belangrijke taak toevertrouwd, en in plaats van dat je je vereerd voelt, zit je tegen me te zeiken.’

De ogen van de jongen waren vochtig. Hij deed zijn mond open en wilde iets terugzeggen maar Peppino, die al wist wat hij wilde zeggen, was hem voor: ‘We doen het zo: ik ga je voor de vierde keer vragen stellen, maar alleen omdat ik je aardig vind. Als je je misdraagt, dan geef ik je er nog eentje met de loop van de 44. Als je je dan nog een keer misdraagt, dan krijg je een echte knal.’ Hij knikte met zijn hoofd in de richting van het wapen, toen veegde hij de rug van zijn hand af aan zijn spijkerbroek maat XXXL en leunde met zijn volle gewicht tegen de rugleuning van de stoel.
Het luide gekraak leek hem totaal geen zorgen te baren en de jongen brandde van verlangen om hem achterover op de grond te zien pletteren. Maar dat was misschien beter van niet, want dan zou zijn kwelgeest nog geïrriteerder worden, en dat was niet de bedoeling.
‘Oké, waar hou je van? Dansen, muziek, hippe dance-pop? Ben je extrovert? Hou je van de zee of van de bergen?’
De jongen veegde zijn ogen droog, keek stuurs naar de grond als een leerling die straf krijgt, en antwoordde:
‘Ik ben een mooiboy. Ik hou van de zee, ik hou van disco en ik vind liedjes die gezongen worden heel leuk.’
De Smeerlap keek hem plotseling aan met zijn gezicht op onweer. Hij mocht toch hopen dat hij niet hoefde uit te leggen dat dat nogal dubbelop was. De jongen probeerde het goed te maken: ‘Ik bedoel Napolitaanse liedjes. Maar ook Italiaanse.’
‘Heel goed!’ jubelde de vetzak terwijl hij met zijn vuisten op het bureau roffelde. ‘Heel goed, zo moet je doen. Je moet doen of je een leeghoofd bent, die mensen willen leeghoofden.’ Toen deed hij hem met een nichterig en theatraal stemmetje na: ‘“Napolitaanse zangers, maar ook Italiaanse.” Heel goed, hier word ik blij van. We gaan verder.’ Hij fatsoeneerde zijn witte hemd, waar gelige vlekken op zaten, hij vond het echt leuk.