Joëlle Feijen - 2014
Katzenberge
21-07-2014

Grootvader vertelde dat hij bijna was gestikt toen hij voor het eerst naar Silezië werd gebracht. De veewagons waarin hij en de andere boeren helemaal vanuit Oost-Polen naar het westen werden vervoerd, waren van boven tot onder met planken dichtgetimmerd. Ramen waren er niet, en ook geen kieren waardoor hij had kunnen kijken of waartegen hij zijn mond had kunnen persen om te ademen.
Maar er ontbraken een paar planken in de bodem van de wagon en daarom drukte Janeczko zijn gezicht tegen de spleet en liet hij zijn kin en voorhoofd op de planken rondom het gat rusten. Gretig zoog hij de lucht naar binnen. Ook het knagende hongergevoel verminderde daardoor een beetje, alsof het geratel van de treinwielen op de rails het geknor in zijn maag deed bedaren.
De twaalf Galiciërs die bij Janeczko in de wagon lagen, waren de Poolse boeren van het dorp Zastavne, dat sinds kort tot Oekraïne behoorde en dat voor hun verdrijving Żdżary Wielkie had geheten. Al toen Janeczko naar Silezië werd gebracht, had zijn neus de omvang van een flink uit de kluiten gewassen aardappel gehad. Toen hij in Galicië met de andere mannen op de trein was gestapt – voor het eerst in hun leven reisden ze met de trein –, hadden ze hierover nog grapjes gemaakt om zo hun nervositeit te verbergen: Janeczko, steek je neus eens in de lucht en vertel ons waar de reis naartoe gaat.
We wisten niet waar we heen gingen, waar ze ons heen zouden brengen, zei grootvader. Een van de jongere mannen in de wagon mompelde dat het nu voorbij was en dat ze hen nu naar de plek zouden brengen waar ze ook de joden naartoe hadden gebracht. Silezië bestond helemaal niet. Een verzinsel was het: een kamp met de naam Silezië. Janeczko was moe en hij telde de bielzen die onder hen door gleden. Al snel vielen zijn ogen dicht. De dagen gingen voorbij.

Stipt op tijd reed de trein het gigantische stalen stationsgebouw van Wrocław binnen. Ik stapte uit en liep naar het spoor vanwaar mijn trein naar Oborniki zou vertrekken. Hoewel de trein precies op tijd op het spoor klaarstond, ging hij op het tijdstip van vertrek geen centimeter vooruit. Ik had me voor niets gehaast en zelfs geen tijd genomen om op het perron iets te eten te kopen. Mijn maag trok zich pijnlijk samen. Nu al weerklonk in mijn hoofd de stem van tante Aldona: Broń boże! Wat is dat kind weer mager geworden! Hebben jullie in Duitsland allemaal anorexia of hoe zit dat? Het stond hoe dan ook vast dat ze me zou gaan vetmesten als een Silezische gans. Daaraan viel niet te ontkomen. Pas als ik dik genoeg was, zouden ze me naar Duitsland terugsturen.
Een halfuur na de geplande vertrektijd liep de conducteur in zijn blauwe uniform nog steeds kalmpjes en vals fluitend op het perron rond. Ik zat aan het raam en keek hoe hij, zijn armen op zijn rug gekruist, op en neer liep en deed alsof hij het gescheurde asfalt inspecteerde.
In de coupé naast me zaten twee nonnen: de ene liet onophoudelijk een rozenkrans door haar vingers glijden en de andere keek vanuit haar rooddoorlopen ooghoeken toe. Er zaten ook drie arbeiders die waarschijnlijk uit de staalfabrieken van Wrocław kwamen, te oordelen naar de eeltplekken op hun handen. Zwijgend keken ze uit het raam: de vertraging liet hen koud. Ik hield het niet langer uit en stond met een ruk van de bank op, zodat je de veren kon horen springen. Ik begon het verroeste schuifraam naar beneden te trekken, maar het klemde natuurlijk. Ik trok en rammelde aan de handgreep. In de ruit zag ik dat de lege blikken van de arbeiders op mijn rug gericht waren. Ook de nonnen bekeken me van kop tot teen. Pas toen mijn nagel in de rail van het raam bleef hangen en afbrak en ik me het wel erg Duitse ‘Scheiße!’ liet ontvallen, schoten hun hoofden plots omhoog. Ik deed alsof het me niets kon schelen en bleef verder aan het handvat rukken. Juist op het moment dat ik het wilde opgeven, vloog het raam met een klap naar beneden. Eindelijk kon ik mijn vuurrode hoofd naar buiten steken.