Dominique de Vet
Les Affreux
07-07-2014

VOORWOORD

Oorlog is herhaling. Geweren die je herlaadt en die je leegschiet. Lijk na lijk komt onder kleine kruizen terecht. Alfonse Maubard is een invalide. Een invalide van het dagelijkse leven, een invalide van na de oorlog. Hij zal geen medaille krijgen. De oorlog is afgelopen. Dat is wat ze zeggen. En toch.

Dit is de vrede van bevelhebbers en kanonnen. Nu begint het echte gevecht. Eten. Betalen. Neuken. Werken. Slapen. Een paar gevoelens staan centraal, altijd dezelfde. We voeren oorlog. De lichamen stapelen zich langzamer op, dat is alles. Er is geen enkele wapenstilstand mogelijk, want deze oorlog kent geen einde. Het is een loopgraaf waar je niet meer uit komt. Je kunt geen kant kiezen; er zijn geen kanten. De paden verschillen nauwelijks. Je kunt tot de aanval overgaan of je ogen sluiten, wat maar het beste bij je past. Niemand zal je lafheid neersabelen, je kunt alleen maar dapper zijn. Angst heerst. Iedere dag. Je moet wachten op de kogel. De kogel die voor jou is voorbehouden. Op een dag. Want hij komt, dat is zeker.

Dit is het oorlogsdagboek van Alfonse Maubard, die ergens in een lome eeuw is geboren. In vredestijd, dacht hij. Als zijn verhaal op het moment van zijn verwonding begint, vergis je dan niet: zijn oorlog is ook de jouwe, van jou, als nog bijna ongeschonden mens. Geen enkele verwonding kan je ervoor afkeuren. Deze oorlog eindigt op dezelfde manier als jij.

 

DEEL EEN

1

Van een ongeluk verwacht je altijd dat het je in de rug aanvalt, dat het door iets anders komt, voor jezelf ben je nooit zo op je hoede. Of dat het je van voren aanvalt, maar dan sluit je gewoon je ogen en is alles zwart. Inderdaad, ik heb niets aan zien komen. Als ik in de spiegel niet eens achter in mijn keel kan kijken, kan ik mijn hersens en de hele boel daar wel helemaal vergeten! Wat had ik kunnen doen? Ik vraag het aan jou, maar mezelf vraag ik het natuurlijk ook af.

2

Opeens was het er, achter mijn linkeroog. Ik braakte de tandpasta uit. Met één hand aan de wastafel en de andere tegen mijn slaap riep ik Clarisse. Ze kwam in haar pyjama het toilet uit.

‘Ja?’

Ze waste haar handen en frunnikte aan haar spiegelbeeld.

Het bloed beukte in golven tegen mijn oog. Tastte rond, vond de muur, tot de keuken, een stoel. De tegelvloer golfde op en neer. Ze staarde me aan. Er droop nog wat tandpasta van mijn lippen.

‘Je hebt je dag niet, hè? Gaat het wel?’

Tuurlijk. Stomme reactie. De tijd om een spijkerbroek en een jasje aan te schieten, en ze stond al bij de bakker. Even kletsen, een kwartiertje, dat was al genoeg. De pijn stak nu in mijn hele hoofd. Hij werd steeds erger, bereikte de stoel, de tafel, alles. De wazigheid dijde uit in de keuken, de pijn volgde. Ik had geen begin of einde meer. Ik wás deze kutwereld! Ik! Ik nam een diepe ademteug, één keer, twee keer, de pijn bedaarde een beetje.. Ik weet niet meer goed hoe ik bij de kraan kwam, met wat plenzen koud water uit die klotedroom ontwaken. De waterstraal wakkerde de pijn alleen maar aan. Ik wankelde. Steun vinden. Ik zocht de muur, vond zelfs mijn arm niet.. Een arm.. Niet meer de mijne… Hij wiebelde stijf heen en weer, mijn lichaam erachteraan. Toen… Niets. Ik zag niets meer. Het barstte los… Alleen nog maar chaos… Onmogelijk te ontwarren…

En ik zakte in elkaar.

Mijn nieuwe leven begon.