Het voelt zo ongepast, op het absurde af, om in het licht van de recente verschrikkingen over het weer te schrijven.
Maar in Ierland is het vandaag venijnig koud. Onder mijn broek draag ik een dikke maillot. De zolen van mijn sokken rusten op een warmwaterkruik. Mijn adem vliegt in wolkjes over het bureau terwijl ik zit te typen.
Ik moet denken aan de eerste avond van Crossing Border. De vrijdag. De wind. Ik kwam pas in de kleine uurtjes terug op mijn hotelkamer. Mijn hoofd borrelde over van gesproken, gezongen en getokkelde zinnen. Ik wist dat slapen er niet in zat, dus ik ging in bed aan mijn blog zitten werken. Ik zette BBC World aan. Ik had het eigenlijk bedoeld voor op de achtergrond, maar daar kon het niet blijven. Beelden van Parijs sijpelden de kamer in en verkleinden mijn kans op slapen nog verder.
In Nederland was ik een tijdje vergeten hoe dat moest, slapen. Ik was er zo van overtuigd dat ik slapeloosheid aan het ontwikkelen was dat ik de hele nacht wakker lag en erover piekerde.
Toen ik uit Iowa vertrok was het nog warm. De winter wist me pas te vinden toen ik in Den Haag aankwam. Op mijn laatste dag van huis moest ik verplicht voor twaalf uur ’s middags uitchecken. Mijn vliegtuig ging pas ’s avonds. Ik was uitgeput en had geen kamer meer om even te gaan liggen. In plaats daarvan deed ik dus maar mijn best om wakker te blijven in cafés. Nipte van mijn espresso, probeerde uit alle macht om niet weg te dommelen. Tegen die tijd had ik namelijk het stadium bereikt waarin ik in slaap viel als ik wakker probeerde te blijven en klaarwakker was als ik probeerde in slaap te komen. Ik keek uit het raam naar de drijfnatte, verwaaide stad en de regen sloot perfect aan bij mijn gemoedstoestand.
In Iowa vergeleken we ons weer van thuis met elkaar. Mijn collega-schrijvers kwamen uit drieëndertig verschillende landen. Zo kwam ik te weten hoe de wolkenkrabbers in Singapore hele gebouwen in eeuwige schaduw zetten. Dat je in Mongolië in augustus de grootste kans op regen hebt. Dat het in Saoedi-Arabië zo heet wordt dat mannen in wapperende witte gewaden rondlopen.
Intussen ben ik alweer een week thuis. Ik omschreef ons klimaat aan mijn collega-schrijvers als ‘gematigd’. In de zomer is het niet overdreven warm, in de winter niet overdreven koud, lichtte ik toe. Daarna gaf ik dan het voorbeeld van mijn huis: dat heeft geen airconditioning nodig, noch centrale verwarming. Maar deze bewering deed ik in de zomer; ik was vergeten dat de winter wel degelijk bitter koud is en dat ik maillots en kruiken nodig heb.
Het voelt zo ongepast, op het absurde af, om in het licht van de recente verschrikkingen te schrijven over hoe koud ik het heb.
Want daar, achter het raam, over mijn bureau en het toetsenbord van mijn laptop en de ongepaste, absurde zinnen die ik getypt heb heen, komt voor mij ’s ochtends nog altijd de zon op, al is het maar een waterig winterzonnetje. Voor mij stijgt en daalt het tij nog altijd, al is mijn zee zo goed als bevroren. Voor mij vliegen en zwermen de vogels nog altijd, al zijn het maar kraaien.