Lize Spit
Verzamelen
04-11-2016

De trein naar de Haag vult zich met reizigers. Ik kom net van de boekenbeurs in Antwerpen. Zoals steeds, op de terugweg van evenementen waar zich een massa mensen verzamelt, verwonder ik me over de buitenwereld, over het feit dat er ook mensen bestaan die niet op die ene plek willen zijn. Alsof ze buiten een bepaalde verzameling vallen, het aan zich laten voorbijgaan zonder dat ze het gevoel hebben iets te missen.

In het zitje naast me komt een man in maatpak zitten. Op zijn borst prijkt een leeg naamkaartje. Het valt niet aan hem te zien of hij ergens naar onderweg is of ervan terugkeert. Moet deze man ook niet nog even de boekenbeurs bezoeken? Misschien denkt hij over mij hetzelfde, komt hij van de begrafenis van een vriend, een belangrijke meeting in een conferentiezaal, een reünie. Misschien maakte hij net nog deel uit van een andersoortig evenement waarvan ik, op mijn beurt, niet op de hoogte was.

Een half uur lang reizen we samen, de man en ik en alle anderen. We delen de wagon, worden slechts van elkaar gescheiden door een gangpad, door plastieken armleuningen, door de dame die af en aan loopt om versnaperingen en warme dranken te verkopen.

We laten Antwerpen achter, worden een nieuwe verzameling: mensen die onderhevig zijn aan dezelfde krachten, bochten. Bij het remmen van de trein hellen we synchroon naar voren en dan weer naar achteren, we voeren een choreografie uit waar sommige gezelschappen lang voor moeten repeteren.

Mocht je ons reisgedrag van bovenuit schetsen, in ieders kielzog een potloodlijn trekken, dan zou het een tekening van een kale boom opleveren. Van Antwerpen tot Roosendaal blijven we allemaal samen, vormt onze beweging een grote hoeveelheid lijnen, een stevige stam. Maar in het eerste station scheiden onze wegen zich, vertakken we.

Ik reis zo ongeveer mee tot halverwege de kruin. In Den Haag zal ik de wagon verlaten, zal ik zelf een takje worden, of nee, eerder een twijgje. Zigzaggend zal ik met mijn valies door de straten zoeken naar het hotel dat me werd toegewezen, waar we in de avond verzamelen voor een gezamenlijke maaltijd.

Tussen Roosendaal en Den Haag glijdt de trein door weilanden die ik al zo vaak ben gepasseerd, altijd met optredens of gesprekken met andere schrijvers in het vooruitzicht. Ook nu kijk ik uit naar de vriendelijke vogelverschrikker. Die staat daar, onverschrokken, met zijn armen in de lucht,  een plastieken zak als jasje. Hij is nergens naar onderweg, hij wordt nergens anders verwacht. Soms, als het windstil is, zitten er vogels op zijn schouders.

 

Alle verhalen van Lize Spit
17-11-16

Onderweg van het station naar het centrum van Den Haag wandel ik langs een grote witte verfvlek op het wegdek. Deze bevindt zich vlak voor een grijs bepleisterd huis. Het moet watervaste verf geweest zijn: het regende daarnet hard maar daar heeft de vlek zich niets van aangetrokken.

Ik blijf even aan de rand van de plas staan, neem het grijze huis in me op, kijk weer naar de vlek, beeld ik me in hoe deze hier zou gekomen zijn. Sommige taferelen nodigen uit tot verbeelding: het zijn raadsels die pas kunnen verdwijnen wanneer ze volledig opgelost worden.

Ik stel me de Hagenaar voor die in het grijze huis woont. Niet zomaar een man, nee, om hem vorm te geven gebruik ik details van mensen die ik ken. Ik leen de grondigheid van een van mijn nonkels, die zelf nooit de goedkoopste verf zou kopen in een bouwmarkt. Ik leen de klungeligheid van een vriend die op elk verjaardagsfeestje minstens een glas omstoot en de schaamte van een kennis die ooit in een treinstation overgaf en dagen niet meer de trein durfde te nemen, tot hij zeker wist dat het zou zijn opgeruimd.

Uit al deze geleende eigenschappen boetseer ik een personage, een man zonder kinderen, die jaren geleden het bepleisterde grijze huis kocht en aan zijn partner beloofde de gevel wit te zullen schilderen – die belofte kwam hij nooit na.

Ik fantaseer dat hij een pet droeg, ook binnenshuis, om zijn kaalheid te verbergen. Ik bedacht dat zijn vrouw hem misschien verliet voor een andere man, die nog kaler bleek te zijn dan hij, maar binnenshuis geen pet droeg.

Ik stel me voor dat hij, jaren na aankoop van het huis, de grijze gevel plots de schuld gaf van alles, dat hij daarom naar een verfwinkel trok. Daar kocht hij een goed dekkend product, zeker niet het goedkoopste.

Om te berekenen hoeveel liter er nodig was, informeerde de verkoper naar de grootte van het te beschilderen oppervlak. De man twijfelde over de afmetingen van de gevel. Die leken sinds zijn vrouw vertrokken was, veel groter geworden.

Hij reed huiswaarts met ruim voldoende verf, stapte haastig uit, maar in alle enthousiasme, bij het optillen van een van de emmers met twintig liter, ging het fout: het handvat glipte uit zijn handen, de emmer kwakte ondersteboven op de grond.

Minutenlang moet de man er gestaan hebben, op de stoep, starend naar de vlek die zich vormde, voor zijn voordeur. Hij nam zijn pet af, zette die terug op zijn hoofd maar dan achterstevoren, dat deed hij altijd als hij de situatie wilde veranderen.

Hij stond er minstens even lang naar te kijken dan dat ik er nu sta.

Gedurende de paar dagen die ik in Den Haag doorbreng voor het Crossing Border festival, op een paar honderd meter van de gemorste verf vandaan, denk ik geregeld aan de man, en steeds als ik aan hem denk, vul ik meer details van hem in, lijkt de kans dat hij werkelijk bestaat groter.

Wanneer ik uit het raam van mijn grote, donkere hotel kijk, naar beneden, naar het grijze wegdek waarop witte stippellijnen staan, voelt het alsof ik, samen met hem, aan het wachten ben tot zijn verdriet afgesleten zal zijn.

 

08-11-16

De muren zijn zwart en de wijn wordt geschonken in geribbelde plastic bekertjes.

Aan het begin van de afterparty op Crossing Border, voor ik vijf van deze bekers leegdrink, ben ik nog mijn gewone, nuchtere zelf: een lichaam met een hoofd waarin een kleine dictator rond marcheert.

Die dictator wil me tot de meest ideale versie van mezelf maken. Op vaste radius heeft ze rondom mijn lichaam camera’s geplaatst – de gemaakte beelden worden rechtstreeks geprojecteerd tegen de binnenkant van mijn schedel. Ze beschikt ook over een intercom die in verbinding staat met mijn lichaam, waardoor ze de hele tijd kritiek en bevelen afvuurt.

Wanneer in een gesprek iemand iets grappigs zegt, dan brult ze: ‘Nu moet je lachen! Niet té hard!’ Ze roept het nog voor mijn mond de kans heeft gekregen iets uit zichzelf te doen.

Zegt mijn gesprekspartner iets interessants, dan beveelt ze prompt: ‘Knikken! En stel een beleefde vraag waaruit blijkt dat je geïnteresseerd bent!’ Braaf herhaal ik de door haar verzonnen vraag.

De dictator in mijn hoofd haat dansen. Elk danspas die ik probeer projecteert ze uitvergroot op het scherm in mijn achterhoofd met bijschrift: ‘BELACHELIJK.

‘Kijk naar jezelf,’ haar stem overstemt de muziek, ‘zie jezelf hier nu staan, jij zwalpend kalf.’ Pas als ze doorheeft dat alle anderen rond mij ook aan het dansen zijn, en ik door het stilstaan net uit de toon begin te vallen, dan zegt ze: ‘kijk nu naar rechts, zie je hoe dat mooie meisje naast jou danst? Dans zoals zij, zonder dat het opvalt.’

Nog nooit liep ik over straat zonder dat ik van bovenuit meekeek naar Lize die over straat loopt en haar armen iets van haar lichaam weghoudt omdat ze volgens de dictator dan iets minder dik lijken.

Alcohol is de plakband op de mond van de dictator. Met drie glazen, zo weet ik, kleeft die tape hard genoeg. Ik hoor nog wat gemompel,  maar mijn lichaam is in staat het te negeren, is al bezig met bewegen, met lachen om wat het grappig vindt, met dansen. Mijn lichaam gloeit, wordt warm. Ik dans, lach, drink nog wat meer.

Ik stuur dronken een bericht naar een professionele kennis. Ik weet dat de dictator dit zou afkeuren, verbieden zelfs, maar hoop haar van het tegendeel te bewijzen, dat roekeloosheid geen kwaad kan.

Na nog een halfuur dansen, wordt mijn lichaam stilaan moe, doen de voeten pijn, mijn hoofd wordt zwaar.

Ik verlaat het pand, struikel over een trede, beland na een zigzaggende weg naar het hotel in het juiste bed zonder dat ik nog weet hoe dat gebeurd is. Waggel naar de gordijnen, schrik van de donkerte – alles draait. Ik wens dat het draaien stopt, bots tegen het nachtkastje aan. Ik wil de camera’s terug, de controle. Ik mis de dictator. Ga slapen in de hoop dat de alcohol snel uitwerkt.

Mijn katers bestaan nooit uit hoofdpijn of misselijkheid, wel uit schaamte.

Schaamte is  de dictator die, terwijl ik sliep, de tape van haar mond heeft gepeuterd, die ziedend is om het feit dat ik haar een paar uur negeerde. Als straf wil ze, met terugwerkende kracht, de hele avond overlopen. Ze bekijkt de beelden die er nog over zijn. Ze reconstrueert de door mijn lichaam gevoerde gesprekken, somt luid op wat er allemaal fout ging, wat voor een idioot figuur ik sloeg. Ze analyseert mijn belachelijke danspassen, beveelt me het berichtje naar de professionele kennis vijf keer te herlezen en doet me inzien dat ik dom klonk. Ze trekt de touwtjes extra hard aan, tot de schaamte fysiek pijn doet.

‘Welke kleur hadden de muren op dat achterlijke feest?’ vraagt ze tenslotte.

‘WELKE KLEUR?’

‘Zwart?’ gok ik.

‘Juist,’ zegt de dictator. ‘Ga zitten. Neem een pen en schrijf op: ‘De  muren waren zwart en de drank werd geschonken in geribbelde plastic bekertjes.’

 

05-11-16

Om elkaar beter te leren kennen, eten wij, de Chronicles en de vertalers, de eerste avond allen samen aan één grote, houten tafel. Meteen ontstaan er eilandjes. Tegenover me zitten drie personen naar elkaar toe gedraaid, bij hen wordt er Spaans gesproken, ik versta niets van wat ze zeggen. Ze klinken warm en vreugdevol.

Een paar maanden geleden volgde ik, in de aanloop van de Frankfurter Buchmesse, een spoedcursus Duits, samen met enkele andere Nederlandstalige schrijvers. In de eerste les vroeg de docente wie we waren, waarom we schreven. Ze stond erop dat we in het Duits zouden communiceren met elkaar, dat was namelijk de bedoeling. De vragen die ze stelde, wilde ik correct en genuanceerd beantwoorden, maar ik kende – in tegenstelling tot de anderen – de geschikte woorden niet. ‘Hallo, ich bin Lize, ich bin ein Schriftsteller. Ich schreibe gerne.’ Verder kwam ik niet. Ik kreeg een krop in de keel uit pure onmacht, voelde me als een modeontwerper die een maatpak moest zien te vervaardigen uit een vierkante centimeter stof.

Taal is mijn manier om vat te krijgen op dingen, om controle te bewaren in bepaalde situaties. Een lichaam wordt gebombardeerd met tig zintuigelijke indrukken, door deze te benoemen maak je ze opnieuw eendimensionaal, beheersbaar.

Wanneer ik plots, zoals nu in Den Haag, op een vreemde taal ben aangewezen, heb ik daar last van. Ik verlies tijdelijk een deel van de controle. Mijn talige hersenhelft draait op volle kracht, maar er is sprake van een lekkage, een groot deel van wat ik wil overbrengen gaat verloren.

Vanavond, aan de grote tafel, zit ik tussen mijn twee vertaalsters. Beiden spreken ze zeer goed Nederlands, maar ik sta erop mijn talen een beetje te oefenen, in afwachting van het dubbelinterview dat vrijdagavond zal plaatsvinden, in het Engels, met een Franse collega-auteur.

Engels vind ik het lastigste, het past niet in mijn mond. Het spreken is even vervelend als een stretchoefeningen: mijn lichaam biedt voortdurend weerstand. Frans spreken kan ik daarentegen zonder fysieke ongemakken, aangezien ik van kleins af aan een Franse ‘r’ heb. Wél verlies ik steeds alle nuance, ik ken geen spreekwoorden en zegswijzen, ik ben al blij als ik iets in grote lijnen uitgelegd krijg, humor is uitgesloten.

Ik draai me om naar rechts, naar Maud, de vertaalster uit Luik.

‘Je parle comme un cheval espagnol,’ probeer ik daar. Die uitdrukking heb ik mijn schoonmoeder eens horen gebruiken toen ze een televisiepresentatrice becommentarieerde.

‘Tu veux dire: comme une vache espagnole,’ zegt Maud.

‘Wat is het mooiste spreekwoord dat je kent?’ vraag ik.

Ze denkt even na. ‘A frotter la tête d’un âne, on perd son savon: aan iemand die koppig is, kun je beter niet teveel moeite besteden.’

Die avond, na het etentje, tref ik in mijn hotel, aan de lavabo, een heel klein zeepje aan. Ik laat het in de verpakking zitten.

 

04-11-16

De trein naar de Haag vult zich met reizigers. Ik kom net van de boekenbeurs in Antwerpen. Zoals steeds, op de terugweg van evenementen waar zich een massa mensen verzamelt, verwonder ik me over de buitenwereld, over het feit dat er ook mensen bestaan die niet op die ene plek willen zijn. Alsof ze buiten een bepaalde verzameling vallen, het aan zich laten voorbijgaan zonder dat ze het gevoel hebben iets te missen.

In het zitje naast me komt een man in maatpak zitten. Op zijn borst prijkt een leeg naamkaartje. Het valt niet aan hem te zien of hij ergens naar onderweg is of ervan terugkeert. Moet deze man ook niet nog even de boekenbeurs bezoeken? Misschien denkt hij over mij hetzelfde, komt hij van de begrafenis van een vriend, een belangrijke meeting in een conferentiezaal, een reünie. Misschien maakte hij net nog deel uit van een andersoortig evenement waarvan ik, op mijn beurt, niet op de hoogte was.

Een half uur lang reizen we samen, de man en ik en alle anderen. We delen de wagon, worden slechts van elkaar gescheiden door een gangpad, door plastieken armleuningen, door de dame die af en aan loopt om versnaperingen en warme dranken te verkopen.

We laten Antwerpen achter, worden een nieuwe verzameling: mensen die onderhevig zijn aan dezelfde krachten, bochten. Bij het remmen van de trein hellen we synchroon naar voren en dan weer naar achteren, we voeren een choreografie uit waar sommige gezelschappen lang voor moeten repeteren.

Mocht je ons reisgedrag van bovenuit schetsen, in ieders kielzog een potloodlijn trekken, dan zou het een tekening van een kale boom opleveren. Van Antwerpen tot Roosendaal blijven we allemaal samen, vormt onze beweging een grote hoeveelheid lijnen, een stevige stam. Maar in het eerste station scheiden onze wegen zich, vertakken we.

Ik reis zo ongeveer mee tot halverwege de kruin. In Den Haag zal ik de wagon verlaten, zal ik zelf een takje worden, of nee, eerder een twijgje. Zigzaggend zal ik met mijn valies door de straten zoeken naar het hotel dat me werd toegewezen, waar we in de avond verzamelen voor een gezamenlijke maaltijd.

Tussen Roosendaal en Den Haag glijdt de trein door weilanden die ik al zo vaak ben gepasseerd, altijd met optredens of gesprekken met andere schrijvers in het vooruitzicht. Ook nu kijk ik uit naar de vriendelijke vogelverschrikker. Die staat daar, onverschrokken, met zijn armen in de lucht,  een plastieken zak als jasje. Hij is nergens naar onderweg, hij wordt nergens anders verwacht. Soms, als het windstil is, zitten er vogels op zijn schouders.

 

20-10-16

Op de eerste vrije dag nadat ik een week lezingen gaf, word ik verkouden. De ‘valling’ – zoals we dat thuis noemden – overvalt me niet, maar bouwt traag op. De eerste nies is het startschot voor de bacteriën om zich geleidelijk aan te verspreiden. Ze beschikken over een plattegrond van mijn hoofd en stippelen de meest interessante speleologische route uit. Langzaam bezet het slijm de holte in mijn voorhoofd, vervolgens mijn rechter- en linkerneusgat.

In bed, voor het slapengaan, lees ik in De Rustelozen van Lin Ullmann, waarin zij op haar beurt Virginia Woolf citeert. ‘We lezen anders als we ziek zijn, want dan zijn we niet zo verantwoordelijk en verstandig als iedereen in het leger van de rechtopstaanden.’

‘s Anderendaags stap ik een overvolle trein op, voor een lezing in een kasteel ergens in het noorden van Vlaanderen, met een vuurrode, korstige neuspunt. Mijn sinussen staan op barsten. Ik moet een tijdje zoeken voor ik een leeg zitje vind.

Het kasteel is prachtig, beschikt over een trappenhal met aan de ingang twee indrukwekkende slagtanden die naar elkaar gebogen staan. Ze vormen een gewelf waar men onderdoor kan lopen. Ik heb nog nooit zo’n grote stukken ivoor gezien. Ze representeren een heel sterk dier, een stevige strooptocht, een groot lijden.

Mijn lezing gaat door in een zaaltje waar ook de bar is ingericht. Er staan plastieken bloemstukjes verspreid, op elk tafeltje ligt iets dat moet doorgaan voor een tafelkleed, al bedekt de stof nauwelijks een derde van het blad.

De interviewer stelt me voor aan het publiek, vermeldt in de inleiding dat ik te gast ben geweest op ‘dé Crossing Border’ – hij spreekt het op zo’n manier uit dat het me geloofwaardigheid moet verlenen, wellicht daarom ook het lidwoord van bepaaldheid.

‘Maar ik ben er nog niet geweest, hoor,’ zeg ik. ‘Het heeft dit jaar nog niet plaatsgevonden.’

Gezeten op de kruk, met mijn ellebogen op het wankele klaptafeltje, met mijn neus die een fluitend geluid maakt bij elke ademstoot, krijg ik plots heel veel zin om in den Haag te zijn, mij reeds in de toekomst te bevinden.

Op weg naar huis duik ik weer in De Rustelozen. De trein is leeg. Mijn neus is verstopt, mijn oren lijken naar mijn binnenste gericht te staan. Ik hoor mezelf denken, scharniertjes in mijn lichaam draaien. Mijn snot verplaatst zich pruttelend wanneer ik voorover buig.

‘De zieken, zij die in bed liggen,’ lees ik, ‘zijn brutaler, onbedachtzamer tijdens het lezen, koortsachtig, overgevoelig als het over woorden gaat, beelden of klanken. Barrières verdwijnen, knopen ontwarren, het brein zingt. En zo is het ook in het holst van de nacht en vroeg in de ochtend, wanneer het hart bonkt en niets gesorteerd is, ik ben bang, moe en niet helemaal van mezelf.’

Die nacht zit er inderdaad geen volgorde in mijn gedachten. Mijn dromen zijn doordrongen van de gêne die ik ervoer bij de aanblik van de prullerige tafelkleedjes in het kasteel, omdat ze me deden denken aan hoe ik mezelf thuis, nadat ik gedoucht heb, soms met een veel te klein handdoekje moet afdrogen. Dan voel ik me een groot, log dier. In m’n slaap kom ik, behalve een olifant en een mammoet, ook mensen tegen, maar zij papegaaien enkel zinnetjes uit het boek van Ullmann.

Zodra het licht wordt buiten, sta ik op, maak ik me zorgen, over onwaarschijnlijke dingen. Dat mijn verkoudheid niet voorbij zal zijn begin november, dat ik tijdens ‘ Crossing Border’ wel naar een leger van rechtopstaande schrijvers zal mogen luisteren, maar dat ik enkel het piepen van mijn eigen scharniertjes zal horen.