Anne Lopes Michielsen
Noites de Alface
14-07-2014

Toen Ada stierf waren de kleren nog niet droog. Het elastiek van de broek was nog vochtig, de sokken opgezwollen, T-shirts en washandjes hingen binnenstebuiten, niets was klaar. Een sjaaltje lag in een emmer te weken. De gewassen recyclebakjes in de gootsteen, het bed nog onopgemaakt, aangebroken pakken koekjes op de bank – Ada was weggegaan zonder de planten water te geven. De dingen in huis hielden hun adem in en wachtten. Sindsdien is het huis zonder Ada als lege lades.

Otto en Ada trouwden in 1958, tijdens de landelijke verkiezingen voor de nieuwe burgemeester. Ze kochten een geel huis en besloten dat ze geen kinderen, honden of katten zouden nemen, zelfs geen konijn. Het dorpje, dat half in een heuvel was gebouwd, bestond uit een paar parallelle straten met aaneengeplakte huisjes. Vele stonden er al jaren leeg. Otto en Ada woonden vijf decennia samen, kookten samen, maakten enorme puzzels van Europese kastelen en pingpongden in het weekend, tot de reuma de kop opstak en ze niet langer konden spelen. Ada werd samen met Otto oud en uiteindelijk was het haast niet mogelijk ze uit elkaar te halen, hun stemmen te onderscheiden, hun lach, hun loopje. Ada had kort haar, was dun en hield van bloemkool. Otto had kort haar, was dun en hield van bloemkool. Ze liepen op en neer door de gangen en zetten samen het vuil buiten. Ada ruimde het huis op tot in de kleinste hoekjes en gaatjes en deed het grootste deel van het huishouden terwijl Otto achter haar aanliep met verhalen zonder clou. Ze waren zo goede vrienden dat Ada’s dood een stilte in de gangen van het gele huis achterliet.

Met het verstrijken van de tijd leerde Otto wat hem te doen stond met kapotte lampen, maar had hij nog geen zin om zijn pyjama uit te doen. En zo zat hij maar te zitten, in het geruite dekentje gewikkeld, zelfs op hete dagen, terwijl hij Ada miste en het huishouden bijhield, vlekken op de bank wegpoetste en de afwas deed. Hij was een stille, lijdzame en toegewijde weduwnaar. In de klusjes voelde hij de aanwezigheid van zijn vrouw en daarom wilde hij het huis niet meer uit. Hij bestelde zijn boodschappen bij de buurtsupermarkt, zijn medicijnen bij de apotheek, leefde rustig en viel niemand lastig.

Respectvol bewaarden de bezorgers die stilte; ze klopten op de deur alsof ze een klooster binnentraden, verzochten Otto de bonnen te ondertekenen en vroegen puur uit beleefdheid of alles goed ging. Ze keken naar de lucht en zeiden: het gaat straks regenen, vergeet de kleren niet naar binnen te halen, misschien koelt het wat af en kunt u beter een andere pyjama aantrekken. Raar weertje. Hoe gaat het met de jicht? Otto knikte maar wat en dacht dat de bezorgers niet zo deden toen Ada er nog was. Ada was degene die altijd de deur opendeed en zij zou die jongen van de apotheek allang een stoel hebben aangeboden. Dan deed Nico zijn rugzak open om iets te laten zien en zaten die twee al gauw over heel belangrijke zaken te smoezen, daar gingen ze dan zo in op dat Nico wel eens vergat de zalfjes, aspirines en de bloeddrukmedicijnen te overhandigen.