Heleen Oomen
Onscherp
DOOR Diego Zúñiga
20-11-2017
Volgens mij heb ik het nog niet verteld, dus bij dezen: die eerste dag in Den Haag – de dag dat ik tien kilometer heb gelopen en in Scheveningen ben geweest – nam ik rond een uur of tien ’s avonds, afgebrand na die eindeloze wandeling, een Uber terug naar mijn hotel. Maar voor ik het Mercure binnenging, bedacht ik dat ik nog niets had gegeten en ging op zoek naar een plek waar ik even rustig kon zitten. Onder het lopen – in een slakkengangetje, want ik was uitgeput – probeerde ik te bedenken hoe ik met mijn paar woorden Engels iets zinnigs zou kunnen zeggen. Ik had een stille dag achter de rug, een dag te midden van veel Nederlands en een beetje Engels. Niet onaangenaam. Ik hou wel van dat taalisolement, van die opgelegde stilte. Net toen ik dat dacht, kwam ik op een paar honderd meter van het hotel bij een shoarmatent. Ik werd geholpen door een Egyptenaar die, god weet hoe, moeiteloos verstond wat ik bestelde. En op dat moment hoorde ik voor het eerst op mijn reis Spaans. Het was een nachtmerrie: de Egyptenaar had een tv-programma opstaan over bachata, een muziekgenre uit Midden-Amerika dat vlak na de reggaeton in de mode kwam en niet te harden is, maar eindeloos in je hoofd blijft hangen. En nu schalde het dus uit die tv: een eindeloze bachataloop in een Egyptische snackbar in een oer-Hollandse stad. Op zo’n moment lijken grenzen iets puur denkbeeldigs. Maar schijn bedriegt. Je moet op je hoede zijn. Barrières zijn er weldegelijk: tussen talen, maar ook tussen sociale klassen, en ze komen tot uiting in allerlei kleine gebaren, soms onmogelijk te omschrijven, maar daarom nog niet minder reëel. Je moet er steeds op bedacht zijn. Een paar dagen later moet ik er weer aan denken, als ik eindelijk in Amsterdam ben en in het Stedelijk Museum de expositie ‘The Crossing’ bezoek van de Colombiaanse kunstenaar Carlos Motta. Hoe graag we het tegendeel ook willen geloven, grenzen zijn nooit maar dan ook nooit denkbeeldig. Daar kun je je maar beter van bewust zijn, zodat je manieren kunt zoeken om anderen te helpen, te zorgen dat ze zich niet buitengesloten voelen en kunnen deelnemen aan wat we ‘de samenleving’ noemen. Carlos Motta’s The Crossing is een video-installatie die een reeks interviews toont met immigranten, elf vluchtelingen die hun landen in het Midden-Oosten ontvluchtten, waar ze gediscrimineerd en vervolgd werden omdat ze homo of transseksueel zijn. We zien hen op elf verschillende schermen in twee zalen, ze praten tegen de camera, tegen ons, ze vertellen hun verhaal, hoe ze vanuit hun land de overtocht maakten naar Europa – in dit geval naar Nederland – om daar asiel aan te vragen. Maar ver weg van hun eigen land was het verhaal van hun verschrikkingen nog altijd niet ten einde: in de asielzoekerscentra werden ze net zo hard gediscrimineerd door hun homofobe en transfobe medevluchtelingen. De ellende die mensen elkaar aandoen is overal hetzelfde. Dat is ongetwijfeld een ongemakkelijke waarheid, maar daar draait het kunstenaarschap vaak om: mensen verontrusten, herrie schoppen, praten over datgene waarover we liever niet praten. Een gevaar hiervan is dat je in gemeenplaatsen vervalt of uiteraard het onderwerp misbruikt, omdat hedendaagse kunst over de migratiecrisis nu eenmaal goed verkoopt, in trek is bij curators, galeriehouders en musea, ook al ontbreekt het vaak aan een werkelijk kritische blik. Het is zaak om daar niet voor te zwichten. Om een gezichtspunt te kiezen dat de boodschap niet onschadelijk maakt. Om de ander ondanks alles voortdurend te blijven zien. In een documentaire over zijn werk, die onlangs in première ging, verwoordt Alfredo Jaar dit beter: ‘Wanneer we iets over anderen vertellen, blijft alles wat we doen in zekere zin onscherp. Dat is mijn bekentenis aan mijn publiek. Ik beken dat alles wat ik doe op de een of andere manier onscherp is.’ Sommige foto’s die Rudy Kousbroek voor zijn teksten koos zijn onscherp. Dat viel me op toen ik de kans kreeg om een paar minuten door Opgespoorde wonderen te bladeren. De Nederlandse uitgave ziet er heel anders uit dan de Spaanse. Het is een prachtig boek met een groot formaat, waarin de foto’s goed tot hun recht komen en de bijbehorende tekst nauw met het beeld verbonden is, iets wat in de kleinere, eenvoudiger vormgegeven Spaanse editie deels verloren gaat. In Amsterdam kwam ik erachter dat Opgespoorde wonderen nergens meer te krijgen is, dat je het alleen nog kunt vinden in bibliotheken, dat er nooit een herdruk is verschenen. Dat lot lijkt de besten altijd te treffen: een leven in het verborgene, in stilte, op het onscherpe deel van de foto.
Alle vertalingen van Heleen Oomen
Onscherp
20-11-17
Volgens mij heb ik het nog niet verteld, dus bij dezen: die eerste dag in Den Haag – de dag dat ik tien kilometer heb gelopen en in Scheveningen ben geweest – nam ik rond een uur of tien ’s avonds, afgebrand na die eindeloze wandeling, een Uber terug naar mijn hotel. Maar voor ik het Mercure binnenging, bedacht ik dat ik nog niets had gegeten en ging op zoek naar een plek waar ik even rustig kon zitten. Onder het lopen – in een slakkengangetje, want ik was uitgeput – probeerde ik te bedenken hoe ik met mijn paar woorden Engels iets zinnigs zou kunnen zeggen. Ik had een stille dag achter de rug, een dag te midden van veel Nederlands en een beetje Engels. Niet onaangenaam. Ik hou wel van dat taalisolement, van die opgelegde stilte. Net toen ik dat dacht, kwam ik op een paar honderd meter van het hotel bij een shoarmatent. Ik werd geholpen door een Egyptenaar die, god weet hoe, moeiteloos verstond wat ik bestelde. En op dat moment hoorde ik voor het eerst op mijn reis Spaans. Het was een nachtmerrie: de Egyptenaar had een tv-programma opstaan over bachata, een muziekgenre uit Midden-Amerika dat vlak na de reggaeton in de mode kwam en niet te harden is, maar eindeloos in je hoofd blijft hangen. En nu schalde het dus uit die tv: een eindeloze bachataloop in een Egyptische snackbar in een oer-Hollandse stad. Op zo’n moment lijken grenzen iets puur denkbeeldigs. Maar schijn bedriegt. Je moet op je hoede zijn. Barrières zijn er weldegelijk: tussen talen, maar ook tussen sociale klassen, en ze komen tot uiting in allerlei kleine gebaren, soms onmogelijk te omschrijven, maar daarom nog niet minder reëel. Je moet er steeds op bedacht zijn. Een paar dagen later moet ik er weer aan denken, als ik eindelijk in Amsterdam ben en in het Stedelijk Museum de expositie ‘The Crossing’ bezoek van de Colombiaanse kunstenaar Carlos Motta. Hoe graag we het tegendeel ook willen geloven, grenzen zijn nooit maar dan ook nooit denkbeeldig. Daar kun je je maar beter van bewust zijn, zodat je manieren kunt zoeken om anderen te helpen, te zorgen dat ze zich niet buitengesloten voelen en kunnen deelnemen aan wat we ‘de samenleving’ noemen. Carlos Motta’s The Crossing is een video-installatie die een reeks interviews toont met immigranten, elf vluchtelingen die hun landen in het Midden-Oosten ontvluchtten, waar ze gediscrimineerd en vervolgd werden omdat ze homo of transseksueel zijn. We zien hen op elf verschillende schermen in twee zalen, ze praten tegen de camera, tegen ons, ze vertellen hun verhaal, hoe ze vanuit hun land de overtocht maakten naar Europa – in dit geval naar Nederland – om daar asiel aan te vragen. Maar ver weg van hun eigen land was het verhaal van hun verschrikkingen nog altijd niet ten einde: in de asielzoekerscentra werden ze net zo hard gediscrimineerd door hun homofobe en transfobe medevluchtelingen. De ellende die mensen elkaar aandoen is overal hetzelfde. Dat is ongetwijfeld een ongemakkelijke waarheid, maar daar draait het kunstenaarschap vaak om: mensen verontrusten, herrie schoppen, praten over datgene waarover we liever niet praten. Een gevaar hiervan is dat je in gemeenplaatsen vervalt of uiteraard het onderwerp misbruikt, omdat hedendaagse kunst over de migratiecrisis nu eenmaal goed verkoopt, in trek is bij curators, galeriehouders en musea, ook al ontbreekt het vaak aan een werkelijk kritische blik. Het is zaak om daar niet voor te zwichten. Om een gezichtspunt te kiezen dat de boodschap niet onschadelijk maakt. Om de ander ondanks alles voortdurend te blijven zien. In een documentaire over zijn werk, die onlangs in première ging, verwoordt Alfredo Jaar dit beter: ‘Wanneer we iets over anderen vertellen, blijft alles wat we doen in zekere zin onscherp. Dat is mijn bekentenis aan mijn publiek. Ik beken dat alles wat ik doe op de een of andere manier onscherp is.’ Sommige foto’s die Rudy Kousbroek voor zijn teksten koos zijn onscherp. Dat viel me op toen ik de kans kreeg om een paar minuten door Opgespoorde wonderen te bladeren. De Nederlandse uitgave ziet er heel anders uit dan de Spaanse. Het is een prachtig boek met een groot formaat, waarin de foto’s goed tot hun recht komen en de bijbehorende tekst nauw met het beeld verbonden is, iets wat in de kleinere, eenvoudiger vormgegeven Spaanse editie deels verloren gaat. In Amsterdam kwam ik erachter dat Opgespoorde wonderen nergens meer te krijgen is, dat je het alleen nog kunt vinden in bibliotheken, dat er nooit een herdruk is verschenen. Dat lot lijkt de besten altijd te treffen: een leven in het verborgene, in stilte, op het onscherpe deel van de foto.
Lights in the City
13-11-17
Je komt het woord op verschillende plaatsen in de stad tegen: ‘Jaar.’ Ik vraag aan Heleen, de vertaalster van deze columns, wat ‘jaar’ betekent en ze zegt: Año. Ik denk even na. Ik weet niet of ik het haar heb verteld, maar een van de belangrijkste Chileense kunstenaars van de afgelopen decennia heet Jaar, Alfredo Jaar. ‘Belangrijkste’ klinkt vreemd, nietszeggend, alsof het de lading niet dekt van een oeuvre als dat van Jaar. Niet alleen is er veel vraag naar op de kunstmarkt en is het overal ter wereld in de meest toonaangevende musea te zien geweest, het zijn bovendien kunstwerken die niemand onberoerd laten. De laatste jaren betrekt Jaar, geboren in 1956 in Santiago de Chile, de plaatselijke bevolking in bijna al zijn projecten. Dat wil zeggen, hij wordt uitgenodigd door een stad in Europa of Amerika en loopt daar dagenlang rond om te ontdekken wat er zich onder de oppervlakte afspeelt, welke dingen er misschien niet direct zichtbaar zijn, maar een plaats wel in goede of slechte zin tekenen. Op die manier roept hij vragen op waarmee hij de inwoners van zo’n stad onvermijdelijk aan het denken zet. En bijna altijd uit hun evenwicht brengt. Er zijn veel voorbeelden, maar ik denk vooral aan die keer in 1999, toen hij te gast was in Montreal en besloot iets te doen met de koepel van een van de meest iconische gebouwen van de stad. Hij ging als volgt te werk: op zijn omzwervingen door Montreal had hij ontdekt dat er achter dat moderne, voorbeeldige uiterlijk van de stad – een voorbeeldige stad – een complexe werkelijkheid schuilging, met onder andere een hele reeks opvangcentra waar ’s nachts mensen sliepen die niets hadden en om wie niemand zich bekommerde. Jaar wist meteen dat hij hen zichtbaar moest maken, dat de inwoners van Montreal van dit probleem moesten weten. Zo ontstond Lights in the City, een systeem met in elk opvangcentrum een knop waar je op kon drukken en dan ging er licht branden in de koepel van dat belangrijke gebouw. Oftewel, telkens als er iemand in een van die centra naar binnen ging, telkens als er iemand verscheen die niets had, drukte hij of zij op de knop en baadde de koepel midden in de stad in een opvallend rood licht. En zo zagen de bewoners van Montreal die koepel een tijdlang praktisch elke dag branden, dat wil zeggen, zodra er iemand een opvangcentrum binnenging, werden zij daarop gewezen. Dit vonden ze zo onprettig dat ze eisten dat de installatie vroegtijdig werd verwijderd. Jaar. Alfredo Jaar. Wat is het verborgen verhaal van Den Haag? Waar zijn hier de rafelranden, de stiltes, de verzwegen werkelijkheden? Ik wandel door de straten en de galerijen en probeer te bedenken wat Jaar met deze stad zou doen, hoe hij hier zou ingrijpen. Heeft Den Haag opvangcentra? Het is bijna zes uur ’s avonds en het is al helemaal donker. De gebouwen, de straten en de trams zijn verlicht. Het reuzenrad van Scheveningen geeft licht. Hoeveel immigranten wonen er in deze stad?
Brokstukken
04-11-17
‘Dat strand komt voor in het boek dat ik aan het schrijven ben. Er is een passage die zich daar afspeelt,’ zegt Gonzalo op WhatsApp, nadat ik hem een foto heb gestuurd van het reuzenrad in Scheveningen met zijn lichtjes in het donker. Ik probeer me voor te stellen wat Gonzalo aan het schrijven is, wat er zich op dat strand zou kunnen afspelen, maar ik kan niks bedenken. De volgende dag maak ik opnieuw een flinke wandeling, dit keer niet naar het strand, maar naar het Gemeentemuseum. Ik geloof dat ik onderweg naar het museum, zo rond het middaguur, besefte dat alles in deze stad me vaag bekend voorkwam. Ordelijk, waardoor het me bijvoorbeeld deed denken aan de buurten – in om het even welke stad, zou ik durven zeggen – waar zich de consulaten en ambassades bevinden. Er is een bepaald soort stilte dat eigen is aan die plekken. Iets zakelijks, iets sereens, dat hier in Den Haag alomtegenwoordig lijkt, alsof de hele stad één grote ambassadebuurt is waar de orde ineens wordt verstoord door een park, een tram, de winkels in het centrum, het lawaai van zwarte vogels op een eilandje midden in een vijver, en uiteraard de zee. Het is voor mij zo herkenbaar omdat ik in Santiago in de ambassadebuurt op school heb gezeten. Ik ben geboren in het noorden van Chili, in de provincie – strand en woestijn – en toen ik op mijn twaalfde naar de hoofdstad verhuisde, kwam ik ineens in een heel andere omgeving terecht. In die stille straten met hun grote, statige huizen, ambassades en consulaten. Het was niet echt Santiago, maar alleen een chique buurt, waar delen van Den Haag me bij vlagen aan doen denken. Tussen haakjes: ik ging naar school in een chique buurt, maar dan wel naar de minst chique school van de buurt. Een katholieke school, bedoeld voor de kinderen van de schoonmaaksters die in dit deel van de stad werkten, maar uiteindelijk kwamen er allerlei sociale klassen samen. Wat dat betreft was die school destijds een volmaakte afspiegeling van Chili: arrivisme en verborgen discriminatie alom. Tegenover ons stonden ook nog eens de twee duurste scholen van Santiago, maar daar hadden wij nooit contact mee. Van al dat sociale onrecht hadden we nog geen weet, we waren pubers en ons leven bestond uit voetballen. Ik had het over Den Haag, en vraag me niet hoe ik nu op Chili kom, want daar wilde ik het deze paar dagen nou juist niet over hebben. Ik wilde schrijven over mijn verbazing toen ik Anton Heyboer ontdekte op een tentoonstelling van zijn werk in het Gemeentemuseum, en nou zit ik hier te mijmeren over de buurt waar ik naar school ging. Vreselijk. Maar het is niet anders. Ik ben een belabberde toerist en een nog slechtere Zuid-Amerikaan – ik ben nog nooit in Machu Picchu geweest, begrijp niks van traditionele dans of inheemse culturen, dat is mijn eigen schuld, ik weet het – en toch is Chili er altijd, alsof ik ertoe veroordeeld ben. Niemand heeft dat beter verwoord dan de grote dichter Enrique Lihn, toen hij na een reis langs verschillende steden in de Verenigde Staten die beroemde dichtregels schreef: ‘Ik ben nooit uit dat verschrikkelijke Chili weggeweest.’ Enrique Lihn – na Nicanor Parra de belangrijkste Chileense dichter uit de tweede helft van de twintigste eeuw – schreef behalve gedichten ook romans, verhalen, essays en literatuur- en kunstkritieken, en aan het eind van zijn leven, in 1988, begon hij strips te tekenen. Iets in de lijnen van Anton Heyboer doet me denken aan de lijnen van Lihn: iets precairs, alsof de werkelijkheid niets anders is dan een verzameling brokstukken die zij in beeld wilden brengen. Dat en meer niet.
Scheveningen
03-11-17
‘De binnenstad is die kant op,’ zei de chauffeur voordat hij me afzette bij het hotel, en hij maakte een vaag gebaar naar iets wat vlakbij moest zijn. Ik keek in de richting van de binnenstad. Daar ergens waren dus de grachten, dacht ik, en als ik nog iets verder doorliep zou ik misschien de zee zien. Maar op dat moment – de lezers van mijn eerste column zagen het vast al aankomen – besefte ik dat ik me had vergist. Op mijn iPhone opende ik de Kaarten-app en zag dat Amsterdam ver, maar dan ook ver weg lag van mijn hotel, en dat ik me in werkelijkheid in Den Haag bevond, een stad die ik alleen kende van alle grensconflicten waar mijn land de afgelopen jaren mee te maken heeft gehad en die het Hof in Den Haag heeft beslecht. En daar hield mijn kennis zo ongeveer op. Ik vermoed dat de chauffeur wel heeft verteld dat we op weg waren naar Den Haag, maar dat ik hem niet verstond. Met mijn nogal basale Engels kwam ik niet veel verder dan antwoorden van één lettergreep, die ik zo nu en dan uitbracht terwijl we door de felgroene, door en door Hollandse weilanden reden. Ik weet nog dat hij op een gegeven moment zei dat de boeren hier roeibootjes hadden waarmee ze door de sloten naar de stad voeren, dat dat hun vervoermiddel was. Wie weet, inmiddels begin ik te twijfelen aan alles wat ik dacht te hebben verstaan. Hoe dan ook, het was vroeg in de middag, Amsterdam was een heel eind weg en ik bevond me in een stad waar ik heg noch steg wist. Maar ik was wel vlak bij zee. De zee is altijd vlakbij. Althans, als je op de kaart kijkt: op een schappelijk stukje lopen – dacht ik – lag het strand van Scheveningen. Hoe spreek je dat uit, vroeg ik me af, en daarna zocht ik een paar afbeeldingen, zo te zien was het er wel mooi en dus wist ik wat me te doen stond: lopen, lopen en nog eens lopen, tot ik bij het strand was en die zee zou zien, de Noordzee. Eerst liep ik wat door de binnenstad en maakte foto’s van elk gebouw waarop een knipoog naar Mondriaan was aangebracht, bij mijn weten een Amerikaan of een Fransman of zo, maar ik kwam erachter dat ik het mis had, dat hij een Nederlander was geweest en de beweging had aangevoerd die in 2017 honderd jaar bestond. Overal in de stad zag je die kleuren en geometrische vormen die hij tot zijn handelsmerk had gemaakt, tot zijn persoonlijke taal. Ik stelde me voor hoe Santiago de Chile eruit zou zien als ze een hommage zouden brengen aan, zeg, Roberto Matta, de man die de toekomst schilderde, maar nee, in mijn stad doen ze zoiets niet. En als ze het wel doen, pakt het meestal rampzalig uit. Dus dacht ik maar liever weer aan Mondriaan en slenterde verder door de straten van de binnenstad. Ja, ik had dat blije gevoel dat je hebt als je ergens volgslagen onbekend bent, omgeven door een vreemde taal en een stilte die je alleen in zulke omstandigheden vindt. Ik kocht patat – want Gonzalo had gezegd dat die er hier anders uitzag en lekkerder was, en inderdaad, hij is hier veel lekkerder – liep nog wat rond en besloot ten slotte op weg te gaan naar het strand. Iedereen die in Den Haag woont of er weleens is geweest, zag vast al aankomen dat het strand mijlenver van de binnenstad ligt, maar ik, argeloze ziel, of nou ja, rampzalige kaartlezer, wilde dat niet weten en liep maar en liep maar, terwijl het donker werd en de winkels dichtgingen. Het was vijf uur ’s middags en de stad had zich zonder morren overgegeven aan een koude nacht die veel te vroeg begon. Ik zou het strand niet meer bij daglicht zien, maar het leek me wel mooi om het te zien bij het licht van het reuzenrad. Om een uur of negen ’s avonds kwam ik in Scheveningen aan, na drie uur zigzaggen door die brandschone, goedverlichte stad. ‘Daar ben ik ook geweest,’ schreef Gonzalo me een paar uur later. Maar dat verhaal kan ik beter in de volgende column vertellen.
Voor het donker
20-10-17
Alles wat ik van Nederland weet, heb ik te danken aan mijn vriend Gonzalo, die een Duitse achternaam heeft, maar de enige is die ik ken die er ooit heeft gewoond, in een hippiedorp genaamd Nijmegen – de oudste stad van Nederland, heeft hij me eens verteld – waar hij lesgaf aan de universiteit. Of misschien stond die universiteit wel ergens anders, nu ik erover nadenk, in een andere stad, of in een ander land, want Gonzalo heeft een boek geschreven over een jonge Chileen die in Nederland woont, maar in België doceert, en die roman – laten we het zo maar noemen, al is het eigenlijk een prachtig, lastig te definiëren boek – speelt zich af tijdens een treinreis, een reis van België naar Nederland dus. Diezelfde Gonzalo zei een tijd geleden tegen me dat ik Rudy Kousbroek eens moest lezen, want hij had gehoord dat een kleine Argentijnse uitgeverij een bloemlezing van zijn columns had uitgebracht. Uit het weinige dat ik op internet over hem kon vinden – want zijn werk was nooit eerder in het Spaans verschenen – kwam het beeld naar voren van een man die bijna zijn hele leven buiten Nederland had gewoond, maar desondanks tot de beste hedendaagse essayisten van het land werd gerekend. Het boek heette in het Spaans El secreto del pasado en bevatte een verzameling van zijn ‘fotosyntheses’, columns die hij in de laatste jaren van zijn leven had geschreven met een foto als uitgangspunt voor een korte overpeinzing, die op het beeld voortborduurde, maar er soms ook een heel andere draai aan gaf. Dit samenspel stelde Kousbroek in staat om het verleden op elegante, ontroerende wijze te onderzoeken, zoals in dat essay over de dood van de kat van een vriendin. Verpletterend. Zal ik straks op mijn reis boeken van Kousbroek tegenkomen? Een exemplaar van Opgespoorde wonderen, waarin hij al die laatste essays heeft gebundeld? Wat zal er in de boekwinkels te vinden zijn? Goed, het heeft weinig zin om boeken te kopen in een taal die je niet kent, maar die reis staat al vast. Steden zijn zoiets als dit: een optelsom van romans die we nooit zullen lezen, waar we nooit iets van zullen begrijpen. Een handvol gedichten die ons leven misschien hadden veranderd als we ze eerder hadden ontdekt, in onze jonge jaren, maar waar we nu geen touw aan vast kunnen knopen. Als ik het programma van het festival doorneem, zie ik tot mijn verrassing dat Rebecca Solnit komt, die een schitterend boek heeft geschreven, Wanderlust, over de kunst van het wandelen. Misschien dat ik meteen na aankomst in Amsterdam alles zo plan dat ik naar haar kan gaan luisteren en dan stel ik me voor dat ik haar op een gegeven moment – vlak voor het donker misschien – stilletjes door het park zie lopen, ver weg van alles en iedereen, op zoek naar iets raadselachtigs. Een verborgen geschiedenis. Het begin van een onmogelijk verhaal. Maar dat gaat niet gebeuren. Ik weet niet eens of er veel parken zijn in Amsterdam. Gonzalo heeft er nooit een woord over gezegd. En ik kan het hem nu, terwijl ik dit diep in de nacht zit te schrijven, ook niet vragen, want hij ligt vast thuis te slapen. Misschien moest ik ook maar eens gaan slapen. Binnenkort word ik wakker in Amsterdam en zal ik zelf wel merken hoe het is om door dat park te lopen, vlak voor het donker.