‘Dat strand komt voor in het boek dat ik aan het schrijven ben. Er is een passage die zich daar afspeelt,’ zegt Gonzalo op WhatsApp, nadat ik hem een foto heb gestuurd van het reuzenrad in Scheveningen met zijn lichtjes in het donker. Ik probeer me voor te stellen wat Gonzalo aan het schrijven is, wat er zich op dat strand zou kunnen afspelen, maar ik kan niks bedenken.
De volgende dag maak ik opnieuw een flinke wandeling, dit keer niet naar het strand, maar naar het Gemeentemuseum. Ik geloof dat ik onderweg naar het museum, zo rond het middaguur, besefte dat alles in deze stad me vaag bekend voorkwam. Ordelijk, waardoor het me bijvoorbeeld deed denken aan de buurten – in om het even welke stad, zou ik durven zeggen – waar zich de consulaten en ambassades bevinden. Er is een bepaald soort stilte dat eigen is aan die plekken. Iets zakelijks, iets sereens, dat hier in Den Haag alomtegenwoordig lijkt, alsof de hele stad één grote ambassadebuurt is waar de orde ineens wordt verstoord door een park, een tram, de winkels in het centrum, het lawaai van zwarte vogels op een eilandje midden in een vijver, en uiteraard de zee.
Het is voor mij zo herkenbaar omdat ik in Santiago in de ambassadebuurt op school heb gezeten. Ik ben geboren in het noorden van Chili, in de provincie – strand en woestijn – en toen ik op mijn twaalfde naar de hoofdstad verhuisde, kwam ik ineens in een heel andere omgeving terecht. In die stille straten met hun grote, statige huizen, ambassades en consulaten. Het was niet echt Santiago, maar alleen een chique buurt, waar delen van Den Haag me bij vlagen aan doen denken.
Tussen haakjes: ik ging naar school in een chique buurt, maar dan wel naar de minst chique school van de buurt. Een katholieke school, bedoeld voor de kinderen van de schoonmaaksters die in dit deel van de stad werkten, maar uiteindelijk kwamen er allerlei sociale klassen samen. Wat dat betreft was die school destijds een volmaakte afspiegeling van Chili: arrivisme en verborgen discriminatie alom. Tegenover ons stonden ook nog eens de twee duurste scholen van Santiago, maar daar hadden wij nooit contact mee. Van al dat sociale onrecht hadden we nog geen weet, we waren pubers en ons leven bestond uit voetballen.
Ik had het over Den Haag, en vraag me niet hoe ik nu op Chili kom, want daar wilde ik het deze paar dagen nou juist niet over hebben. Ik wilde schrijven over mijn verbazing toen ik Anton Heyboer ontdekte op een tentoonstelling van zijn werk in het Gemeentemuseum, en nou zit ik hier te mijmeren over de buurt waar ik naar school ging. Vreselijk. Maar het is niet anders. Ik ben een belabberde toerist en een nog slechtere Zuid-Amerikaan – ik ben nog nooit in Machu Picchu geweest, begrijp niks van traditionele dans of inheemse culturen, dat is mijn eigen schuld, ik weet het – en toch is Chili er altijd, alsof ik ertoe veroordeeld ben. Niemand heeft dat beter verwoord dan de grote dichter Enrique Lihn, toen hij na een reis langs verschillende steden in de Verenigde Staten die beroemde dichtregels schreef: ‘Ik ben nooit uit dat verschrikkelijke Chili weggeweest.’ Enrique Lihn – na Nicanor Parra de belangrijkste Chileense dichter uit de tweede helft van de twintigste eeuw – schreef behalve gedichten ook romans, verhalen, essays en literatuur- en kunstkritieken, en aan het eind van zijn leven, in 1988, begon hij strips te tekenen. Iets in de lijnen van Anton Heyboer doet me denken aan de lijnen van Lihn: iets precairs, alsof de werkelijkheid niets anders is dan een verzameling brokstukken die zij in beeld wilden brengen. Dat en meer niet.