Ik heb niet veel gereisd. Meestal ben ik niet verder dan Scandinavië gekomen. Eén keer ging ik naar Parijs. Ik begreep de taal niet, het was onmogelijk je verstaanbaar te maken. De vrouwen in de stad waren chagrijnig, de mannen in de metro staarden naar mijn voeten. Een van hen streek bij Stalingrad over mijn haar. Ik verbleef in de wijk Oberkampf, om precies te zijn de Rue Jean Pierre Timbaud, een onrustige buurt waar in iedere zijstraat halalvlees werd verkocht. ’s Avonds werd er muziek gespeeld, er woonden dikke duiven in de opgang. Ik herinner me een badkuip, dat ik erin lag en nergens in het bijzonder aan dacht. Ik liep door de straten, at baguettes en huilde, daarna ging het over. In het vliegtuig naar huis was er heftige turbulentie, ik dronk cola en voelde hoe het koolzuur trilde in mijn keelgat. Het werd gemakkelijker om thuis te zijn.
Thuis, waar ik iedere dag hetzelfde eet en in mijn eigen routine leef, heb ik me altijd het beste gevoeld. Maar nu reis ik dus binnenkort naar Den Haag en het Crossing Border festival, aan de Noordzeekust. Ik neem het vliegtuig van Oslo naar Amsterdam, daarna verder met de trein naar Den Haag. Ik ben nog nooit in Nederland geweest, tussen mij en het land met meer dan zestien miljoen inwoners bestaat geen enkele band, we hebben niets met elkaar te maken. Ik niet wat het klimaat brengt, of ik het koud zal hebben, of dat blijkt dat ik teveel kleren heb meegenomen, het is nooit precies voldoende. Maar misschien is het in Nederland precies voldoende. Ik houd niet van vliegen, daarom zal ik een beetje aangeschoten zijn als ik land, maar ook vermoeid en misschien niet zo gezellig en voorkomend als ik normaal gesproken ben, stel ik me voor. Misschien ben ik gesloten, niet ontvankelijk tot de volgende dag, wanneer alles als het ware opnieuw begint, en het lijf zich al heeft aangepast aan een nieuwe plek. Reizen geeft me het gevoel dat ik ontsnap aan de wetten van de ruimte; ik ben niet meer in Bergen, niet meer in Parijs, ik ben nergens. Maar ook deze fascinatie loopt het gevaar heel snel te verdwijnen. Uiteindelijk loop ik rond in Den Haag en voel ik me thuis, niet langer vervreemd, maar als een natuurlijk deel van alles, als een van de inwoners, iemand die de plaats mogelijk maakt.
Ik googel afbeeldingen van Den Haag en mijn eerste indruk kan ik alleen maar beschrijven als majestueus, statig, maar mooi; een stad die zichzelf serieus neemt. Dat ik erheen reis, met een interesse in cultuur en kunst, maar zonder noemenswaardige kennis hierover, laat staan over wat ik van de stad kan verwachten, lijkt perfect te passen. Ik ben blij te lezen over de Koninklijke Bibliotheek uit 1798, het Koninklijk Conservatorium uit 1826, evenals een aantal bekende musea en theaters. Het miniatuurstadje Madurodam, een model van een Nederlandse stad op een schaal van 1:25, dat bestaat uit typische Nederlandse gebouwen en monumenten, en een grens vormt met Scheveningen, gericht op het Kanaal, een van de meest vooraanstaande badplaatsen van Europa, lees ik, en ook al zwem ik niet, in ieder geval niet in november, het ziet er exotisch en modern uit, bijna in contrast met de rest van de stad, met zijn historische gebouwen.
Ik heb reizen nooit leuk gevonden, heb bijna nooit gereisd, ken bijna niets anders dan de vertrouwde bergen en de bossen van thuis. Maar deze keer verheug ik me, voelt het goed; om weer een keer te ontsnappen aan de wetten van de ruimte, de routine, om iets anders te gaan zien.