Siham Amghar
11-11-2016

Ik heb vannacht heel raar gedroomd en ik wil het delen met jullie, zodat als iemand dit in de toekomst droomt, het belangrijke al verwerkt is. Daar gaan we:

“Zij staat midden in de roos van de tornado, voelt niets dan verwarring. Haar voeten niet. Bewustzijn, niet. de herfstbladeren raken haar oren, neus en lippen. Haar zintuigen sputteren tegen en even wil zij meewaaien in de hoos. Weg van zwaartekracht, mee met natuurkracht. Innerlijk gevecht is zwaarder dan dat van buitenaf, soms en zij bevindt zich daar.”

Op z’n kop zie je dingen net iets anders dan anders. Een omgekeerde boomstam is in alle seizoenen even teder, dat wel. Toch is ook een voedende boomstronk anders dan anders, zo op z’n kop. De takken zijn als wortels die de grond niet raken kunnen en de stam hangt aan haar begin, niet aan het einde van haar kracht. De bladeren, als die er zijn dan, vallen net als altijd naar beneden, maar nu naar het hoogste punt van de onderkant. En hey, mens. Kappen maar, met dat kappen, bedoel ik. Tenzij je zin hebt om de hemel te betreden met het doel een papiertje in handen te krijgen, doe dan maar je uiterste best. De boom kappen moet namelijk op grote hoogte gebeuren en die zware stam valt naar benee. Echt, mens, dat is nog eens moeite doen voor je centen. Zaadjes planten. Net zo. Degenen die de meeste, mooiste bomen willen planten. Zij zijn degenen die zich het meest omhoog moeten werken. Net als in het echt, lijkt het wel hè? Die omgekeerde boom? Dat op je kop staan? Probeer het eens, mens! Geef de natuur een op z’n kopje en redt de wereld.

Wat nu als dan de zon ook niet meer van boven, maar van onder kwam? De aarde die normaal al warmte met zich meedraagt, zou stralen als de zon. Positieve energie vanuit de bodem, in plaats van fossiele, mens afhankelijk makende, oorlog veroorzakende brandstoffen. Zoete, zoete zon, vanonder de voeten die het hele lichaam vitamine D en meer geluk zou brengen. De regen zou onvruchtbaar land direct troosten en voeden met de levensadem en ik durf te wedden dat storm niet in de buurt zou komen van mensenlevens. NASA is op zoek naar een nieuwe ‘moeder aarde’, een adoptievrouw voor ons allen. NASA vergeet echter te denken aan moederliefde in haar meest pure vorm. De omgekeerde zon. Binnenstebuitenzonnetje zal ons koud maken, letterlijk waarschijnlijk. Dus ik heb nagedacht en ik heb een nieuw plan. NASA, ga eens op je kop staan? Ik wed dat alles er mooier uit zou zien dan in een andere mama, dan mama aarde. Ik durf er mijn ondersteboven-zijn voor op te geven.

“De zon vlucht voor alle glimlachjes die een weekend lang hebben gestraald. Het werd de zon teveel, te fel. De natte tegels verwelkomen haar dagelijkse en dat is twee keer slikken. In alle vermoeidheid, temidden van energie, slaapt zij haar roes uit. De naam van het weekend is toepasselijk. Crossing Borders. Zij heeft grenzen overschreden en het heeft haar goed gedaan.”

Alle verhalen van Siham Amghar
24-11-16

Zij staat zielsalleen in de kamer, waarvan de muren op haar afkomen. De kale muren, de ongeverfde, zonder behang, zonder schimmel bevlekte muren. Het ruikt er muf, naar oma met schizofrenie. Het ruikt er naar ik-wil-niet-dood, het ruikt er naar nog-net-leven. De lucht smaakt naar sinaasappelschil en groene thee met verse munt. Sereen en toch komen de muren op haar af.
De deuren waaien regelmatig open, niemand stapt binnen. Er zijn geen gordijnen, dus iedere voorbijganger ziet dat er niemand anders in de kamer staat dan de vrouw met knaloranje geverfd haar. Er staat een fles ketchup midden in de kamer, op de houten vloer. Het licht dat binnenvalt, lijkt zich als een spotje te concentreren op de rode fles en het enige waar ik aan kan denken is hoe het rood van de ketchupfles vloekt met de feloranje kleur van het haar, van de eenzame vrouw.
‘Rijden maar, opschepper. Vraag me helemaal niets. Het stuur in jouw hand, groen gras aan beide kanten van de weg.’ Zo dacht en denkt zij er dus blijkbaar over. Met een groot bord langs de weg, waarop ‘Lift naar Nador’ staat en ik rijd dus maar door.
Het Noorden van Marokko. In kleine steden en dorpen is het niet normaal om over straat te gaan als vrouw. Uit het raam kijken is schandalig, doe dat ook maar niet en wil jij als vrouw een hoogtepunt van schaamte bereiken, loop dan alleen, of samen met een vrouwelijke vriend, een plaatselijk cafeetje binnen. Voor een glas jus d’orange, een potje verse muntthee.
Het ruikt er naar die kale kamer. Overal in Nador, ruikt het naar kale kamer. De vrouw die met mij in Nador is, telt haar grijze haren vanonder haar hoofddoek en het lukt haar niet. Zij raakt de tel kwijt en verlangt naar oranje haren. Al vloekt het met de ketchupfles.
Ik vraag haar of zij van cactusvruchten houdt. Zij antwoordt niet. Ik vraag haar of zij van vijgen houdt. Zij antwoordt niet. Ik kus haar op de mond. Zij antwoordt niet. Zij staart uit het raam, naar het droge, kale landschap en ik droom van haar gelaat, tijdens een woede-uitbarsting. Het lijkt mij aantrekkelijk, sexy, zo woest, als woestijn. Ik wil haar boos zien en trek haar de hoofddoek van het hoofd. Trap op de rem. Zij stoot haar hoofd, vol met haar gezicht op het dashboard. Tranen met tuiten. Zij stapt uit, ik schreeuw het uit.
De deuren waaien regelmatig open, niemand stapt binnen. Als sterrenstof, daar hoog tussen zware wolken, zal de maan mij bijstaan, terwijl het tocht. Fijn is het niet maar het gevloek, van ketchupfles en oranje haren, verzachtte mijn zuchten. Zij was er voor mij, al was zij niet écht. Het deed er niet toe, want ik was op reis en nu ik thuis ben, de kale muren op mij afkomen, wil ik terug naar Nador. De gore geuren opsnuiven, mijn tong over de sinaasappelschillen schrapen. Een cafeetje binnenstappen en de vrouw ontdoet van haar hoofddoek. Haar hoofd tegen het dashboard zien stoten. Ik-wil-niet-dood, maar nog-net-leven.

11-11-16

Ik heb vannacht heel raar gedroomd en ik wil het delen met jullie, zodat als iemand dit in de toekomst droomt, het belangrijke al verwerkt is. Daar gaan we:

“Zij staat midden in de roos van de tornado, voelt niets dan verwarring. Haar voeten niet. Bewustzijn, niet. de herfstbladeren raken haar oren, neus en lippen. Haar zintuigen sputteren tegen en even wil zij meewaaien in de hoos. Weg van zwaartekracht, mee met natuurkracht. Innerlijk gevecht is zwaarder dan dat van buitenaf, soms en zij bevindt zich daar.”

Op z’n kop zie je dingen net iets anders dan anders. Een omgekeerde boomstam is in alle seizoenen even teder, dat wel. Toch is ook een voedende boomstronk anders dan anders, zo op z’n kop. De takken zijn als wortels die de grond niet raken kunnen en de stam hangt aan haar begin, niet aan het einde van haar kracht. De bladeren, als die er zijn dan, vallen net als altijd naar beneden, maar nu naar het hoogste punt van de onderkant. En hey, mens. Kappen maar, met dat kappen, bedoel ik. Tenzij je zin hebt om de hemel te betreden met het doel een papiertje in handen te krijgen, doe dan maar je uiterste best. De boom kappen moet namelijk op grote hoogte gebeuren en die zware stam valt naar benee. Echt, mens, dat is nog eens moeite doen voor je centen. Zaadjes planten. Net zo. Degenen die de meeste, mooiste bomen willen planten. Zij zijn degenen die zich het meest omhoog moeten werken. Net als in het echt, lijkt het wel hè? Die omgekeerde boom? Dat op je kop staan? Probeer het eens, mens! Geef de natuur een op z’n kopje en redt de wereld.

Wat nu als dan de zon ook niet meer van boven, maar van onder kwam? De aarde die normaal al warmte met zich meedraagt, zou stralen als de zon. Positieve energie vanuit de bodem, in plaats van fossiele, mens afhankelijk makende, oorlog veroorzakende brandstoffen. Zoete, zoete zon, vanonder de voeten die het hele lichaam vitamine D en meer geluk zou brengen. De regen zou onvruchtbaar land direct troosten en voeden met de levensadem en ik durf te wedden dat storm niet in de buurt zou komen van mensenlevens. NASA is op zoek naar een nieuwe ‘moeder aarde’, een adoptievrouw voor ons allen. NASA vergeet echter te denken aan moederliefde in haar meest pure vorm. De omgekeerde zon. Binnenstebuitenzonnetje zal ons koud maken, letterlijk waarschijnlijk. Dus ik heb nagedacht en ik heb een nieuw plan. NASA, ga eens op je kop staan? Ik wed dat alles er mooier uit zou zien dan in een andere mama, dan mama aarde. Ik durf er mijn ondersteboven-zijn voor op te geven.

“De zon vlucht voor alle glimlachjes die een weekend lang hebben gestraald. Het werd de zon teveel, te fel. De natte tegels verwelkomen haar dagelijkse en dat is twee keer slikken. In alle vermoeidheid, temidden van energie, slaapt zij haar roes uit. De naam van het weekend is toepasselijk. Crossing Borders. Zij heeft grenzen overschreden en het heeft haar goed gedaan.”

05-11-16

Bovenaan de trap is het donker. Blauwe lichten beschijnen de zwarte muren. Lichter, fleuriger wordt het er niet op. De schimmen bewegen snel en er is geen zicht. Geen kijk op wie zich daar bovenaan de trap bevindt. Er galmt een waas van drummuziek van muur naar muur. Het raakt mijn binnenste, zoals deze lange tijd niet is geraakt. Doorboort, geen genade. Mijn trommelvlies, mijn schrikorgaan. Geen genade, daar begint een graag-vergeten avond mee.

Zaterdagnacht is er om te vergeten. Om te drinken op de gezondheid, te roken om te vieren dat de avond net zo lang doorgaat, tot jij het stoppen wil. En ik voel aan alles dat er aan deze specifieke zaterdagavond, nog lang geen einde komt.

De mensen stromen binnen. Stampend op de beat van de ziel van de drummer. Iedereen die hier binnenstapt is gedoemd te blijven tot ook de laatste fles sterke drank zijn weg heeft gevonden naar het menselijk lichaam. Vervolgens op straat terug te vinden, als hoop ellende. Als braaksel van al de impulsiviteit van die late uurtjes.

De zanger komt het podium op, niemand lijkt hem te kennen, iedereen gedraagt zich als hondsdol. Grote handen raken elkaar. Geschreeuw, gejoel, wordt naar de zanger gegooid. Hij zingt ieder woord, alsof het zijn laatste zal zijn. Lange tussenpozen, zodat niemand echt luistert naar wat hij te zeggen heeft. Cryptisch bijna. De zwarte muren raken van slag. De blauwe lichten bewegen niet meer. Er ligt iemand op de grond, voor mijn neus. Zij gilt, niet naar de zanger, naar een onzichtbare kracht. Haar borst tilt zich omhoog, richting plafond. Haar ogen draaien weg, er is geen iris meer te zien. Alles is wit in de oogkassen die mijn gelaat verduisteren.

Ik kom in actie. Pak haar benen, sleep haar over vloer, nat van de alcohol, naar het podium. Ik blaas constant in haar gezicht, in de hoop dat haar irissen zich weer laten zien. Bij het podium aangekomen, spring ik op de zanger af. Ik pak hem bij zijn miezerige schouders, fluister in zijn oor en hij reageert fel. In een stap staat hij op de jonge vrouw. Met zijn scherpe hak. Op haar borstkas.

Het is warm hier. Ik ben alleen, maar hoor en voel iedereen die mij kennen wil. ’s Ochtends wil ik met haar liggen. Genieten van de grijze lucht, haar zware adem. Zij staat op, waardoor ik word meegevoerd in de zwierige stroming die haar lichaam maakt, wanneer de soulvolle muziek van de ontbijtzaal mij in slaap sust.

Vandaag is zo een dag om tot rust te komen. Om te accepteren, lief te hebben dat het soms gewoon stil is in ons.

Behalve voor ons. Wij zijn constant verbonden. Niet alleen met elkaar. Ook met de klanken, letters en zuchtjes die deze ruimte vullen. Ruimte, want deze bestaat uit meerdere kamers. Van de ene, naar de andere kant van het hart. Kloppend geheel, tranen latend om dat wat gisteren gedeeld is met onzichtbare krachten. Het had zo moeten zijn en ik ging daarna kalmpjes, als onder invloed van intens geluksgevoel, door naar de volgende kamer. Sarah Neufeld. In het ‘Heartbeat Hotel’. Zij bracht mij, na alle pijn, naar bed.

04-11-16

Flikkerende, paarse lippen.

Regen is verfrissend, soms, na warmte. Het stimuleert groeien, gaat dorst tegen en is een fijne achtergrond voor iedere romantische scene. Na warmte dus. Dan creëren regendruppels pas warmte.

Ik stap de deur uit, de grauwe straten op. Een trainingspak, ik heb eerlijk waar een trainingspak aan. Niet omdat het heel mooi staat, stoer staat, maar omdat ik een enorme buik heb. Na 28 weken zwangerschap begint de baby vet te krijgen en mijn buik past zich aan. Het is comfortabel en daar waar men mij meestal in een rokje, of op hakken ziet, ziet men mij nu in een pyjama op straat.

Den Haag lijkt drie keer verder van huis dan ik mij kan herinneren van voor de zwangerschap, maar ik geniet van de heenreis. In de metro zit een vrouw met wit haar, prachtig wit haar. Mijn blik rust op de energie die zij deelt met de ruimte en zij heeft het, tot mijn plezier, niet door. Staren is ongemakkelijk, algemeen bekend, maar nu maakt dat niet uit. Zij brengt mij naar een plek die ik niet eerder heb mogen betreden. Persoonlijk verleden, onzekere toekomst, de rug krom van al het gewicht, van alle zielen die op haar leunden, op haar vertrouwden en nu zit zij hier tegenover mij. Als een schilderij, maar dan met meer inhoud. Er hoeft in dit schilderij niets ontdekt te worden. Alles is al voorgekauwd. Zo houdt de kijker energie over voor het wiegen van de vrouw met de witte lokken. Ik pak haar op, draag haar en zet haar pas weer neer als ik hoor dat ik er de volgende halte uit moet. Laan van NOI.

Wij zitten tegenover elkaar in de trein en jij kijkt mij aan alsof ik niet de 21-jarige vreemde vrouw ben,  die ik toch echt ben voor jou. Even gaan mijn gedachten naar hoe jouw geliefde zich zou voelen, als zij wist hoe verlekkerd jij kijkt naar mij. Of moet ik zeggen: Hoe verlekkerd U kijkt naar mij. Jouw stropdas zit ook erg scheef, het staat niet bij de nette schoen en het colbert. Toch gun ik jouw geen blik, ook geen minachtende. Het is goed zo. Ik naar uw scheve stropdas, U naar mijn borsten die perfect op hun plaats zitten.

Het boek wordt door verrimpelde handen dichtgeslagen en het meisje schrikt op. Ze grinnikt, door het abrupte geluid van de man die belachelijk hard niest. Haar lippen zijn fel paars geverfd, prachtig glimmend. Volumineuze, lange wimpers en een gezond blosje. De juiste vitamientjes en ik gok op een flinke dosis zon. Een verademing, adembenemend, verrassend dichtbij en haar zachte, paarse lippen raken mijn droom.

Wij zitten tegenover elkaar in de trein en jij kijkt mij aan alsof er niet veel meer over is van de charmante man, die ik gisteren toch echt nog was. Ik bevindt mij in de achterste coupé, maar mijn fantasie neemt een loopje met mij. Ik waan mij in een hemelbed met witzijde lakens, fluwelen rozenbladeren in een intens zwarte kleur. Het leven lijkt opeens verscholen achter een wolkendek, waardoor ik geen zicht heb op mijn eigen rol in dit. Het raakt mij en schudt mij weer bij bewustzijn. Bedankt.

Flikkerende lichten, zachte achtergrondgeluiden, teksten die letterlijk mijn gehoor doen springen van verlangen naar meer van datzelfde en dan slaan alle stoppen door. Te zien zijn alleen nog felpaarse lippen, die plaats maken voor sneeuwwitte lokken in de hevige regenbui. Het is warm hier.

 

20-10-16

Om mijn eigen as draaien, tot alle aardse kleuren in elkaar opgaan.
Bewegen, tot mijn schaduw tastbaarder is dan mijn vaste vorm.
Mijn vingers om gevallen takken, boomtoppen, verse bladeren,
doen vastklampen. Vasthouden
Aan de klanken die mij van warm naar koud, koud naar heet schommelen.

Daar staan wij dan. De een na het ander gezicht gaat aan ons voorbij.
Verleden woorden, voortvluchtig, gretig naar wat hen toekomt.
Een bandje betreedt ons podium en wij sluiten onszelf op.
Deuren openen zich en de ruimte vermenigvuldigt.
Slaginstrumenten klinken dof, blaasinstrumenten voeren de boventoon.
Scheller. Feller knipperen met de ogen en het licht verblindt.
Snaren bestrijken, lijkt dichterbij dan ooit tevoren.
Aanzicht. Gaat aan ons voorbij.

Hij loopt verder en komt een stem tegen.
Ingetogen, luider dan zijn gedachte dragen kan.
“Sluit de geest, verneem het meesterlijke. Laat U meevoeren in een schouwspel, verder dan het geweten reiken kan. Schaamte bestaat niet. Beeld blanco. Aan mij om deze te beschilderen met roekeloosheid en extase. Laat het gaan. Gebeuren, zonder enig besef van kracht. Luister. Laat mij U aan de haren meetrekken naar plekken waar U niet zou durven ademen. Verstikken in onbegrip, onmacht, maakt verlegen. Vindt U niet?”Gehaast ervandoor. Voorbij aan deze dwangmatige poëet, voordat zich werkelijke magie in mijn aderen pompt.

De trap af, kralengordijn door, ruikt zij de ruimte. Als wierrook, in de mix met blokzeep, in de mix met feestzweet. Fijn. Even dromen, haar kontje in de rondte, haren in de stille wind, lipjes getuit, als opgespoten. Swingend, zich ritmisch verliezen aan iets dat geen zwaartekracht lijkt te kennen. Hurken, opspringen, neus afvegen aan top met lange mouw, hurken. Zij drinkt een zoetig drankje, met scherpe nasmaak. Passend bij al het gevoel in haar ledematen, verdovend. De trap op. Naar het balkon, groeten van de maan. Zij ruikt de ruimte en het heelal snuift zich een weg naar haar nek.

Rood. Blauw. Groen. Paars. Goud. Grauwe lijnen. Verse inkt.
Het huisje op de heide, geschilderd door een man van betonnen stad, staat. Voorbijgangers zien alles, behalve het geschilderde. De boodschap. Dat waar de inkt voor heeft moeten drogen. Totdat het begint te spreken, schreeuwen, schelden, zingen. Totdat de vormen vorm krijgen, hun mannetje staan. Als een vrouw, rechtovereind, trots. Totdat de kleuren in elkaar opgaan en voorbijgangers enkel nog om hun eigen as draaien. Het licht uitvalt, de spotlights aangaan. Het plaatje belicht wordt. Kaken elkaar verre van raken.
Rood. Blauw. Groen. Paars. Goud. Grauwe lijnen. Verse inkt.
Het huisje op de heide heeft plaatsgemaakt voor experimenteel, als Pollock. En iedereen staat stil.

Allen verloren in de eigen creatiedrift, geprikkeld door ontdekkingsreizigers die hen een stukje waarde schenken. Verdwaalde geesten vinden hier genot, tot het einde van de avond en de volgende dag opnieuw. Ik dwaal mee. Ik zing. Luister. Spreek. Vergeet. Ontvang. Verdrink. Zwem mee.

Het gaat aan ons voorbij. Alles, bedoel ik. Woorden, klanken, kleuren, geuren, smaken, werkelijkheden en illusies. Koester het tikken van de klok, de hele avond, zolang deze niet te horen is. Koester vanmiddag, vanavond en de roes die wij uitslapen.