Jij bent een vertaler. Ik ook. We zijn allemaal vertalers – in zekere zin.
Elke dag bepalen we onze positie in een voortdurend veranderend landschap
van woorden, indrukken en ervaringen. We begrijpen de wereld door die te
interpreteren. We begrijpen onszelf door ons die interpretaties in herinnering
te brengen – en herinnering is, denk ik, de ultieme vorm van vertalen. Waarom
hebben we anders ieder een eigen versie van het verleden?
Er wordt wel gezegd dat als je een eenvoudige zin voorlegt aan tien vertalers, ze
allemaal op een andere oplossing uitkomen – al vertalen ze allemaal in dezelfde
taal. Geen wonder dat tien mensen die één feestje bezoeken er tegenstrijdige
verhalen over vertellen. We denken allemaal wel eens met tegenzin terug aan
momenten dat we ons volgens iedereen heel anders gedroegen dan we zelf
dachten… Als je dit naar het macroniveau vertaalt, zul je zien dat we allemaal ons
eigen, uiterst individuele wereldbeeld hebben.
Ik zou zover willen gaan te stellen dat vertalen, in de alledaagse interpreterende
zin die ik heb geschetst, de trechter is waardoor we een identiteit destilleren
en vormen. We worden gedefinieerd door hoe we dingen zien. Daarom heb je
optimisten en pessimisten, intellectuelen en grapjassen, fanatici en vrijzinnigen.
Maar al filteren we de werkelijkheid voortdurend, veel van wat tot ons komt
is al voor ons geïnterpreteerd, waardoor we zienswijzen krijgen opgedrongen:
geloofsovertuigingen van je vader of moeder, filmbewerkingen van toneelstukken,
boeken of korte verhalen, klassieke muziek waarvan de uitvoering wordt beïnvloed
door de dirigent en het orkest, statistieken die ten behoeve van een politieke
agenda worden gepresenteerd. Dit zijn allemaal voorbeelden van vertaling.
We hoeven echter niet bij allemaal een even grote trouw aan de oorspronkelijke
bedoeling of schepping te verwachten als we dat bij literatuur doen.
Grote literatuur dwingt nog altijd een zeker ontzag af. De meeste vertalers
zijn bewonderenswaardig nederig over het vertalen van fictie. Ze noemen zich
ambachtslieden – nooit kunstenaars. De schepper van het origineel is voor hun
gevoel de kunstenaar. Maar ook vertalen vergt een enorm kunstenaarstalent. Als
lezers aanvaarden we de rol van de vertaler zoals we dat bij, zeg, beeldende kunst
nooit zouden doen. Niemand neemt genoegen met een perfecte kopie van een
Picasso of een Richter. Bij zo iets wil je het ‘origineel’ hebben omdat de waarde
er voornamelijk in zit dat het werk ‘authentiek’ is – door de kunstenaar zelf
aangeraakt en gevormd.
Wat zegt dit over de kracht van de literatuur? Vaak heeft een schrijver niet of
nauwelijks met het vertaalde boek te maken. Toch zien de lezers de naam van
de schrijver op het boekomslag en gaan ze ervan uit dat het direct van diegene
afkomstig is. Als de vertaling goed is, voelen de lezers zich niet ontkoppeld van de
tekst of teleurgesteld omdat ze het origineel niet kunnen lezen. Dat is het wonder
van de taal, de magie van het vertellen. Dat is waarom de literatuur als geen
andere kunstvorm in staat is kloven te overbruggen.