In mijn tienerjaren was Jean Cocteau’s Les Enfants Terribles, in de vertaling van Rosamond Lehmann, een van mijn lievelingsboeken. Steeds weer schreef ik over hoe Elizabeth verklaarde: ‘I want to be so vile that life is forced to vomit me out.’ Ik wilde zo verdorven zijn dat het leven gedwongen werd mij uit te kotsen. Of dat ook op die manier in het oorspronkelijke Frans staat, is mij onbekend; zo niet, dan zou dit een voorbeeld zijn van een vertaling die beter is dan het origineel, want ik kan mij geen zin indenken die bondiger uitdrukt hoe ik mij destijds voelde als puberale bom van hormonen. Ik moet eraan denken omdat mijn geest nu voortdurend vertalingen laat opborrelen, als een ketel met kokend maagzuur, maar vooral ook omdat ik mij binnen 24 uur twee keer onbedoeld en niet helemaal waarheidsgetrouw heb horen zeggen dat ik mijn teksten ‘uitkots’.
‘Je was erg wreed voor je vertaler,’ verklaarde Ina de Eerbiedwaardige gisteren met betrekking tot de reis die ik die arme ziel van een Cuthbert had laten maken in mijn eerste column (waarmee ze mij een tweede keer de uitspraak wist te ontlokken dat ik de woorden op de pagina uitkots). Het Nederlands bleek helaas geen woord te hebben dat zowel het overbrengen van heiligen als het vertalen van teksten dekt. Ik voelde mij gesterkt toen ook Marina Warner gisteravond in het South Bank Centre refereerde aan het verwijderen van het lichaam van een heilige tijdens haar Sebald-lezing over vertalen, maar de vraag blijft wat vertaalbaar is en wat niet. Ik heb Krijn Peter beloofd dat er in deze columns geen heiligen meer zouden opduiken maar ik kan het niet laten nog één keer op Cuthberts gebeente terug te komen: het heilige lichaam kan worden overgebracht juist omdat men erop vertrouwt dat het onveranderlijk is. Maar is een betwijfelde identiteit te nevelig om te worden overgebracht?
Hassan Bahara beweert dat hij niet geïnteresseerd is in vertaling – zijn eerste roman heeft hij geschreven voor Nederlandse lezers, gedefinieerd als mensen met een Nederlands paspoort. Tijdens de Sebald-lezing knalden de woorden ‘100% made in Amsterdam’ van zijn t-shirt. Hij kan er niet bij – of het laat hem koud – waarom zijn roman over Marokkaanse Nederlanders is vertaald in het Duits. Toen ik dat las en toen ik gisteren luisterde naar (sorry: deelnam aan) de discussies over vertalen, kreeg ik gaandeweg een vollediger begrip van iets zo vanzelfsprekend dat het bijna banaal is: dat de manier waarop ik mij tot het Engels verhoud en het als mijn enige taal presenteer, precies hetzelfde is als de hardnekkigheid waarmee ik aanspraak maak op een Britse identiteit. Ik voel maar al te vaak, laat ik dat bij deze bekennen, een sterke vervreemding van de ‘cultuur’ om mij heen, van alle dingen waarmee ik geacht word mij in te laten om te bewijzen dat ik het schrijverschap waard ben – van het programma ‘Today’ op Radio 4 via de cultuurbijlagen in de kranten tot aan restaurants die fish and chips serveren voor £12,50. Maar dat is niets vergeleken met hoe ik me elders zou voelen. En ik identificeer me helemaal met Cuthbert en met chips in krantenpapier voor £1,50.
Ik leef zonder vooropgezet plan, maar als ik welbewust had geprobeerd me te marginaliseren had ik vermoedelijk niet op betere resultaten mogen hopen. De strijd om in mijn vaderland te worden erkend als een legitiem individu met het recht om in mijn moedertaal te spreken voelt als een voortdurende vertaalslag, waarbij ik mijzelf betekenis moet geven ten opzichte van een of ander vreemd idee van normaliteit. Als je me er op een andere dag naar vraagt, zal ik er ongetwijfeld anders tegenaan kijken, maar vandaag, op dit moment, proeft het idee van ‘universaliteit’, van een vertaalbare kern, als maïs die onverteerd en vergald weer is uitgekotst: smakeloos en angstwekkend onverwoestbaar.