Het vertalen kan op vele manieren worden opgevat: als een kunst, een
brug tussen culturen, een karikatuur, een bittere noodzaak in onze gestaag
mondialiserende wereld. Voor een schrijver van fictie is het ook een compliment,
het ultieme compliment in zekere zin, omdat het aangeeft dat een vertelling
krachtig genoeg is om te ontstijgen aan de context waarin ze is geschreven en te
worden gewaardeerd in een taal of cultuur die de auteur volkomen vreemd is. Als
je vertaald wordt, raak je ervan doordrongen dat je, in Susan Sontags woorden,
bent opgenomen in ‘de bloedsomloop van de wereldliteratuur’.
Toch is het vreemd om aan te zien hoe een werk waaraan je jaren lang
hebt gewerkt en waarmee je innig vertrouwd bent geraakt, verwordt tot een
ondoorgrondelijk object. Ik blader door mijn Nederlandse vertaling die, ook al
zijn boek en lettertype van vergelijkbare afmetingen, ongeveer vijftig bladzijden
langer is dan de Engelse versie. Het is verbazingwekkend dat er zoveel extra
woorden nodig zijn om dezelfde boodschap over te brengen. (In Duitse vertaling
kan een boek, naar ik begrijp, ongeveer dertig procent langer worden.) Het
enige wat ik in de nieuwe tekst herken zijn de namen van mijn karakters en de
uitdrukkingen in Punjabi die ze af en toe gebruiken. Voor het overige is de tekst
een mysterie. En toch staat mijn naam op de omslag.
Maar binnenin, in kleine lettertjes, staat nog iemand anders vermeld:
Jeannet Dekker. Ze heeft helemaal geen contact met me opgenomen terwijl ze
met de vertaling bezig was. Toen ze bijna klaar was, ontving ik via de uitgeverij
het verzoek om de Punjabi woorden uit het boek te vertalen, opdat achterin een
woordenlijst kon worden opgenomen. Zo werd ik, voor even en in beperkte mate,
de vertaler van mijn eigen werk. Het was niet zo gemakkelijk als ik mij had
voorgesteld. Ten eerste kwam het als een verrassing hoeveel Indiase woorden er
wel niet in de tekst voorkwamen. Ik had geschat dat het er misschien twintig of
dertig zouden zijn, maar het zat eerder rond de honderd dertig. Ik had het geluk
dat een woordenlijst werkt als een woordenboek en dat ik enkel de betekenis
van de Punjabi woorden hoefde te geven; ik hoefde niet te proberen een Engels
equivalent te vinden. Na deze korte exercitie was ik vervuld van bewondering en
dankbaarheid voor wat mijn vertaler had verricht.
Natuurlijk was het onvermijdelijk dat ik als lezer van wereldliteratuur al
eerder verwonderd, en soms bevreemd, had stilgestaan bij het vertalen. Mijn
betrokkenheid bij The Chronicles heeft mij er nu echter toe aangezet dieper over
het onderwerp na te denken. Het intrigeert me hoe vergelijkbaar en tegelijkertijd
verschillend het vertalen is van het schrijven. Beide activiteiten zijn een zoektocht
naar waarheid in taal – maar waarheden van sterk verschillende aard. De
romanschrijver probeert uitdrukking te geven aan de waarheid van de wereld
zoals hij die ziet, terwijl de vertaler waarachtig moet zijn in zijn interpretatie van
het origineel.
Op een bepaald niveau, als je je in de talige details verdiept, is het vertalen
een soort wetenschap, iets wat het schrijven van fictie volgens mij nooit kan zijn.
Een ander fundamenteel onderscheid tussen schrijven en vertalen heeft wellicht
te maken met ego. Het schrijven van fictie is in zekere zin een stoutmoedige
en pretentieuze daad. Het vergt enige arrogantie om te geloven dat andere
mensen geïnteresseerd zullen zijn in een wereld en in personages die door
jou zijn geschapen. Dat wil niet zeggen dat je tijdens het eigenlijke schrijven
niet geplaagd wordt door twijfel en het knagende besef dat je tekortschiet
in vergelijking met wat je oorspronkelijk van plan was. Maar de impuls om
überhaupt de pen op te pakken komt voort uit een soort overmoed. Sartre zei: ‘je
kunt niet schrijven zonder de bedoeling volledig te slagen,’ wat suggereert dat je
moet geloven dat dat mogelijk is.
Als de schrijver gedoemd is om gestaag af te drijven van de volmaaktheid
van het oorspronkelijke droombeeld naar de zo goed mogelijk geformuleerde
benadering daarvan, beweegt de vertaler zich dan in de omgekeerde richting,
van vrije naar steeds nauwkeuriger vertaalde zinnen? En hoe zit het met het ego?
Vraagt het vertalen niet een zekere onderwerping van de vertaler om de ‘stem’
van de oorspronkelijke auteur de ruimte te geven de nieuwe tekst te bezielen?
Ik kon de neiging niet weerstaan om sommige van deze gedachten aan mijn
Nederlandse vertaler voor te leggen. The Chronicles bood me tenslotte een
volmaakt legitiem excuus om contact met haar op te nemen. Dit resulteerde
in een zeer inspirerende uitwisseling waarbij nog meer vragen over het
vertalen werden opgeworpen. Ik zie er naar uit deze verder te bespreken en te
onderzoeken met de andere deelnemers aan het project.