Wie wil onzichtbaar zijn? In dit tijdperk van het individu, waarin men wordt
aangemoedigd zich te laten gelden, beroemdheid wordt benijd en mensen
bekend worden om hun middelmatigheid, is het moeilijk voorstelbaar dat een
vrijwillig zichzelf wegcijferen hand in hand kan gaan met een streven naar
uitmuntendheid.
We willen, denk ik, allemaal een stempel drukken op de wereld. En elke dag laten
we sporen achter, al zijn ze meestal vluchtig. Stel je een bezigheid voor waarbij
je helemaal geen handtekening achterlaat. En ik heb het niet over moord. Ik heb
het over een nauwgezet werk, waar weken, maanden, misschien zelfs jaren in
gaan zitten. Om je taak te volbrengen put je uit alles wat je in je hebt aan taal,
kennis en ervaring – en toch moet je zelf verborgen blijven achter je creatie. Dit,
zo begon mij gisteren te dagen tijdens de discussies voor The Chronicles, is het lot
van de vertaler.
Vertalen kan een soort method acting à la Stanislavski zijn, waarbij de vertalers
zich helemaal onderdompelen in de periode, de stijl en/of het onderwerp van hun
tekst. Die vormen een soort camouflage waarachter ze opereren, als agenten op
een delicate en geheime missie. En is de missie eenmaal volbracht, dan wordt het
kostuum afgedankt en kunnen ze weer iemand anders worden. Bij schrijvers is
dit wel anders. Die moeten ieder hun eigen unieke vorm vinden en uitwerken om
daarin de enorme veelvormigheid van het leven tot uitdrukking te brengen.
Ina Rilke beschreef zichzelf en haar collega-vertalers als buiksprekers. Het
is een toepasselijke omschrijving: de vertaler als een vat met bevroren lippen
waardoor de vreemde tekst wordt ontvangen en begrepen. Aangezien er uiteraard
altijd iets verloren gaat wanneer betekenis van de ene taal op de andere wordt
overgebracht, moeten we in gedachten houden wat J.M. Coetzee ooit zei: ‘wat
in vertaling overkomt, wordt op zijn best in het voorbijgaan opgevangen, nooit
direct gehoord.’ Maar wat geweldig dat we überhaupt iets kunnen opvangen!
De toegang tot andere samenlevingen en culturen in de literatuur verrijkt ons
leven en onze ontvankelijkheid. En, zoals Peter Bergsma tijdens de discussies
opmerkte, een vertaling kan de ontvangende taal verrijken doordat die nieuwe
uitdrukkingsvormen krijgt opgedrongen of tot nieuwe hoogten van schoonheid en
lyriek wordt opgestuwd.
Baby’s hebben de potentie om zich iedere taal als moedertaal eigen te maken,
welke taal dan ook. Deze potentie wordt niet en kan natuurlijk ook helemaal niet
volledig worden gerealiseerd. Naarmate we door onze omgeving worden gevormd
en ons tot een of twee talen beperken, verliezen we dat oneindige vermogen.
Maar wat we nooit verliezen is het vermogen om taal – en via taal onszelf – beter
te leren begrijpen. Dat is waar we mee bezig zijn als we goede literatuur lezen,
in vertaling of in het origineel. En dat is ook waarmee ons groepje chroniqueurs
zich de afgelopen dagen zo enorm heeft vermaakt. Het straatrumoer van de
Strand en het gedreun van de bouwwerkzaamheden buiten de Poetry Society werd
regelmatig overstemd door gelach, dat heerlijk aanstekelijke geluid dat nooit een
vertaling nodig heeft.