Sytske van Koeveringe
Gestoord
03-11-2017

Voor deze tweede column had ik bedacht om te beginnen met een probleem. Ik wilde hier laten zien dat ik tijdens het schrijven van mijn boek niet nadacht over die periode erna. Dat ik niet doorhad dat mijn boek dan ‘in de wereld’ ligt (Ik gooi altijd mijn werk weg wanneer het ‘af’ is).

Ook wilde ik hier de reacties die ik kreeg en nog steeds krijg, over mijn boek neerzetten en mijn reactie daar weer op (Ik schrik heel gauw dus die opsomming zou misschien als grappig ervaren worden).

Dan had ik het idee om het over de uitnodigingen te hebben die ik kreeg naar aanleiding van mijn boek.

Waaronder jullie.

Het was mijn bedoeling om jullie als organisatie van The Chronicles een paar vragen te stellen. In de hoop dat jullie me zouden antwoorden (O, ja in eerste instantie zou dit een brief worden, maar dat idee heb ik weer geschrapt).

In mijn tweede alinea wilde ik iets over het fenomeen: ‘schrijver’ kwijt. Dat ik dat woord ook een beetje als probleem zie (En ik weet heus wel dat een probleem in je hoofd zit, net als angst. Maar dit voor een andere keer). Ik wilde hier laten zien dat ik mezelf niet als schrijver zie en dat dit geen valse bescheidenheid is maar eerder een frustratie. Hier zou ik willen uitleggen waarom en hoe ik mezelf dan wel noem.

Ook wilde ik aandacht geven aan dat ik voor mijn boek ‘niemand’ was en nu ineens ‘iemand met (óók?) een boek’. En dan over hoe vreemd dit is. Dat je eerst als lezer, toeschouwer en bewonderaar naar optredens gaat, boeken inslaat van je lievelingsschrijver en dat er dan een moment is dat je samen met diegene aan de bar staat met een muntje van de organisatie omdat jullie alle twee moeten optreden. Dat dat gestoord is.

Dat ik daar wild van word. Niet alleen in mijn hoofd maar ook in mijn lijf. Het leek me goed om hier een paar specifieke voorbeelden van te noemen en welke zintuigen er dan overuren draaien.

Het liefst zou ik dan overgaan op de proloog van Roelof ten Napel voor The Chronicles, die (even kort door de bocht) over schrijven gaat en dan zou ik ook een beetje uitleggen hoe ik schrijf.

Ik wilde afsluiten door al het bovengenoemde samen te laten komen in een korte alinea, een concreet einde (terwijl ik geen voorstander ben van een einde, ook niet van een begin) maar dat lukt dus niet. Omdat het simpelweg te veel is en ik over ieder onderwerp goed kan uitweiden. Je zou kunnen zeggen, pak dan één onderwerp…

Ik ben al meerdere malen van mijn laptop weggelopen in de hoop dat wanneer ik terugkwam er een oplossing zou zijn. Maar er komen alleen maar meer dingen bij, die niets met dit bovengenoemde hebben te maken. Zo zou ik graag iets over het interieur van mijn hotelkamer willen schrijven, over het bed, dat dat ding bijna groter is dan de kamer. Dat het hotel naast een bouwput zit, dat de straten in Den haag open liggen, dat het steeds vroeger donker wordt. Maar ook over de ontmoetingen met schrijvers, over het overvallen worden van situaties en je eigen gedrag, over huilen. Misschien ook nog iets over vaders en over dat er net twee mannen waren die knakworsten aten als ontbijt (!?).

Dus eigenlijk zou je kunnen concluderen dat ik begon met een probleem en eindig met een probleem, of meerdere maar dat ik nu toch echt het maximale aantal aan woorden heb bereikt om dit nog enigszins recht te trekken.

 

Alle verhalen van Sytske van Koeveringe
Je werk zijn
19-11-17

Robocobra quartet bestaat uit een bassist, een saxofonist, een klarinettist en een drummer.

Het drumstel is vrij prominent aanwezig, net als de drummer zelf.

Het was een zingende-

Nee, schreeuwende- hij riep, korte kreten, soms in de microfoon, soms ernaast.

Nee, acterende- of was het een performance? Hij liep ook een paar keer van zijn drumstel vandaan (!!).

Of nee, een grappen makende-

Maar óók een ademde (hij ademde zoals dansers dat kunnen- gecontroleerd/mooi!) drummer.

In ieder geval: hij was er.

En de muziek was er.

En de muziek kon ik niet plaatsen maar ik moest steeds denken aan het werk van Ingrid Jonker. Niet aan een specifieke zin of een gedicht, maar aan haar biografie in het geheel, aan de film Black Butterflies, aan de briefwisseling met André Brink, aan de verhalen die over haar worden verteld.

De drummer had een bepaalde aandacht-

Een concentratie-

Een overgave.

(Zeg ik dat goed? Kan je overgave in je dragen? Als dat kan dan had hij dat.)

Die energie in zijn lijf-

Dit-

Deed me aan Jonkers denken.

‘People don’t know what we do, are sometimes confused: “Is it jazz or not?” They’re confused, we’re confused, everyone is confused,’ zei de drummer en zette een nieuw nummer in.

En ik dacht: JA!

Niet over je werk praten.

Niet uitleggen, doe het niet, alsjeblieft-

Fatma Aydemir (kijk haar column3) zei: ‘Vragen zal je altijd krijgen.’

Ik denk het ook-

Of nee, dit is een ding dat vast staat.

Vragen- ik stel ze liever zelf.

Vragen beantwoorden om jezelf te positioneren- is moeilijk.

(Na ieder gesprek heb ik spijt: had ik dat maar niet– Of: had ik dat en dat maar gezegd.)

Vragen beantwoorden om je werk te verduidelijken- is even moeilijk.

‘We leven niet meer in een tijd dat je je werk voor zich kan laten spreken,’ wordt vaak gezegd.

Misschien is dit waar. En misschien heb ik een te romantisch beeld van kunst.

Maar is het niet net als met verhalenbundels? Hier wordt over gezegd dat ze moeilijk verkopen.

Maar-

Fuck it.

Dat betekent toch niet dat er geen verhalenbundels meer geschreven mogen worden?

Dan gaat kunst, kort door de bocht, ineens over geld.

Dus-

Als het werk, wat dat ook moge zijn, er is, dan is dat er.

Je kan erover praten, je kan er wijn bij drinken, je kan het over verkoopcijfers hebben, je kan commentaar hebben op-

Maar toen ik naar Robocobra Quartet keek wist ik zeker dat het mij gaat om die energie, die overgave, die concentratie die ik ervaar tijdens het maken.

En soms dus herken in andermans werk.

Ik bedoel, in die tijd dat ik moet uitleggen over mijn werk kan ik al een nieuwe vijfhonderd woorden schrijven.

Bij iedere vraag over schrijven, denk ik: Hey, zal ik anders verder schrijven?

Of naar een concert gaan- in plaats van een vraag beantwoorden.

Of een boek lezen.

Of naar een toneelstuk gaan.

Of met een andere schrijver hangen (ik vind met andere schrijvers praten het leukste en het ingewikkeldste wat er is).

Ik ga dus niet proberen uit te leggen wat voor soort muziek Robocobra Quartet is. Omdat ik weet dat het me nooit zal lukken, maar ook omdat ik het niet wil (zorg maar dat je ze eens live ziet), ik weet alleen dat ik net als deze vier muzikanten of als Jonker (ik heb nog meer makers die ik bewonder hoor) niet zoveel wil lullen maar vooral wil blijven maken omdat dat het enige is dat telt.

Hier een dialoog
05-11-17

Er is een ingang: ‘Ja, nee, ik heb niet echt op het programma gekeken. Waar moet ik zijn?’

Er is een bar: ‘Wilt u twee stappen naar voren doen? Zo komt niemand iets aan de bar bestellen.’

Er is een vloer: ‘Wat is het hier glad, kijk, ik kan glijden, zoals vroeger.’

Er is een garderobe: ‘Wie heeft er tegenwoordig zoiets als een losse euro op zak?’

Er is geld: ‘Ik vond vijf euro, hier, nu is hij van jou, of van ons. Twee bier graag!’

Er is geen geld: ‘Ik wil gratis bier.’

Er is licht: ‘Zullen we daar bij die muur staan, dat licht schijnt constant in mijn gezicht.’

Er is een boekentafel: ‘Deze vier vind ik er het mooiste uitzien.’

Er is een schrijver: ‘Even zien of mijn boek hiertussen ligt.’

Er zijn schrijvers: Hier een dialoog over de verkoop van een boek, over de marketing om een boek, over het boek als product, over de schrijver als product, over mensen om dat product.

Er is een beetje kots in mijn mond.

Er is een boekentafel: ‘Heb je ellebogen gelezen? Ik wil m.’

Er is een boekentafel: ‘Ik las hier (ze pakt het boek van Gerda Blees) alleen maar goede recensies over.’

Er zijn tafels: ‘Jammer dat er geen schaaltjes met nootjes staan, ik heb wel zin in iets hartigs.’

Er zijn tafels: ‘Zullen we hem hierheen schuiven, ik kan je niet goed verstaan zo onder die boxen.’

Er zijn stoelen: ‘Kom, laten we zitten, ik moet rusten. Al dat geloop de hele avond.’

Er zijn geen stoelen: ‘Je kan hier nergens zitten ofzo.’

Er is een toilet: ‘Mevrouw, mevrouw geen bier mee naar binnen!’

Er is een toilet: ‘Mag ik even zeggen dat je er heel mooi uitziet?’

Er is een toilet: Man grijpt vrouw om middel, vrouw kent deze man niet, duwt hem weg, de man is verontwaardigd.

Er is een dj: ‘Het lijkt me oneerbiedig om hier nu een dj te zijn.’

Er is ruimte: ‘Geweldig! Wat een zaal.’

Er is een vrouw: ‘Ik houd helemaal niet van festivals, ik ben de hele tijd bang dat ik mijn man kwijtraak, ja, nee, ik ben de hele avond gespannen.’

Er is weinig ruimte: ‘Dus hier is iedereen, en dat terwijl er niets gebeurt!’

Er is een trap: ‘Bij iedere tree voel ik me kuiten, veel te hard gesport vandaag!’

Er is een trapleuning: ‘Gijs, gijs, wacht nou, ik moet me beethouden, dat weet je toch?’

Er zijn koppels: saai.

Er is geen opnameapparaat:  Om al die verschillende (aanstekelijke) lachen van iedereen op te nemen.

Er is een optreden: ‘Ik wil je niet afschrikken maar er staan drie elektrische gitaren.’

Er is een optreden: ‘Het maakt hem niet uit of hij voor weinig of op een megagroot podium staat, hij neemt iedereen mee.’ (Baloij !!!)

Er is een optreden: ‘Lekker wijf.’

Er is een optreden: ‘Haar jurk zit niet goed, ze zit er alsmaar aan te trekken.’

Er is een vrouw na een optreden: ‘Zo, jij was ongelukkig op dat podium.’

Er is een optreden: ‘Ze is lief maar heeft tegelijkertijd een attitude en dat is de gouden combinatie.’

Er is alcohol in het lichaam: of eigenlijk: er is een tornado gaande in het lichaam.

Er is een optreden (de zanger én drummer van Robocobra quartet): ‘People don’t know what we do, are confused: “Is it jazz or not?” They’re confused, we’re confused, but everyone is confused, right?’

 

De artiest in kwestie
04-11-17

Je wilt niet ergens zijn waar ‘het leuk hebben’ het enige is wat telt.

Je beschouwt ‘leuk’ als iets dat lijkt op rotting. Een schimmel die leidt tot verderf.

Je houdt niet van die onmogelijke hoeveelheid. Alsof er iets moet worden opgevuld.

Je haat kiezen en daarnaast heb je het idee dat je door een timetable bewust wordt gemaakt van een bepaalde leegte, een gemis.

Je hebt moeite met de verschillende locaties, jij blijft liever gewoon op een plek, heb je ook geen gedoe met jas aan en jas uit enzo.

Je geeft het liefst zo weinig mogelijk geld uit op een dag, dat het consumeren als vanzelfsprekend wordt gezien veracht jij.

Je houdt niet van grote namen, dat grote namen veel mensen trekt.

Je wilt niet opgaan in die mensenmassa.

Je verveelt je redelijk snel dus je hebt het geduld niet eens om een concert lang naar een artiest te kijken. Je zou halverwege een concert kunnen weglopen. Een spreker, een interview bijwonen of wat eten. Je bedoelt er is overal wel wat te eten: van iets vegetariërs dat lijkt op vlees tot iets veganistisch dat lijkt op vlees.

Na het eten kan je door naar een relaxhoek, of naar de handtekeninghoek, of een plek waar je spullen kan kopen. Ja, aan al je onderdrukte impulsen is gedacht.

Je houdt niet van alcohol: dan ga je naar een festival, ga je drinken, vergeet je de helft, is het toch niet waard? Natuurlijk, je zou het ook bij een wijntje kunnen houden, maar zo werk jij niet: het is drie flessen wijn of niets.

Nee, laat jou maar thuis zijn met een goed boek of een krant.

Dan kom je óók overal.

Je bent nog maar vier uur op het festival maar hebt al verschillende sprekers én muzikanten bezocht. Bij een auteur zat de zaal helemaal vol.

Je vindt het mooi en bijzonder dat iemand die boeken schrijft zoveel publiek trekt. Na afloop heb je zijn boek gekocht en een handtekening gevraagd. In een opwelling heb je ook nog een linnentas ingeslagen, een notitieblok, een mok met de naam van het festival, een plaat van een muzikant, een magneet voor op je koelkast en drie andere boeken.

Je moet eerlijk zijn, je hebt tot nog toe geen optreden tot het einde bekeken, maar wat maakt het uit? Vandaar die overlappingen in het programma natuurlijk!

Je bent blij dat de organisatoren denken aan mensen zoals jij.

Je vindt het feit dat ieder optreden op een andere locatie staat, nee je vindt het fantastisch. Zo kan je onderweg een frisse neus halen, verwerken wat je net gezien of gehoord hebt.

Je komt net van de relaxhoek nadat je een broodje falafel hebt gegeten en drinkt je vijfde droge witte wijn.

Je staat nu samen met je vriendin (die je overigens de hele avond kwijt was) voor aan bij Pink Oculus, je wist voorheen niet wie deze mooie verschijning was maar je weet dat je bij thuiskomst haar muziek voor wekenlang op repeat zal zetten.

Je behoort tot een groep, een groep die het naar zijn zin heeft, leuk heeft.

Je voelt je goed tussen al die lichaamswarmte. De geur van rook, bier en zweet, de dansende mensen om je heen.

Je gaat op in de energie van zowel het publiek als die van de artiest in kwestie.

Je laat je meebewegen door de beat van de muziek. Er is óók nog een afterparty.

Je zou er niet aan moeten denken dat aan deze avond een einde komt.

Ja, je geeft je (eindelijk een keer) over.

 

Gestoord
03-11-17

Voor deze tweede column had ik bedacht om te beginnen met een probleem. Ik wilde hier laten zien dat ik tijdens het schrijven van mijn boek niet nadacht over die periode erna. Dat ik niet doorhad dat mijn boek dan ‘in de wereld’ ligt (Ik gooi altijd mijn werk weg wanneer het ‘af’ is).

Ook wilde ik hier de reacties die ik kreeg en nog steeds krijg, over mijn boek neerzetten en mijn reactie daar weer op (Ik schrik heel gauw dus die opsomming zou misschien als grappig ervaren worden).

Dan had ik het idee om het over de uitnodigingen te hebben die ik kreeg naar aanleiding van mijn boek.

Waaronder jullie.

Het was mijn bedoeling om jullie als organisatie van The Chronicles een paar vragen te stellen. In de hoop dat jullie me zouden antwoorden (O, ja in eerste instantie zou dit een brief worden, maar dat idee heb ik weer geschrapt).

In mijn tweede alinea wilde ik iets over het fenomeen: ‘schrijver’ kwijt. Dat ik dat woord ook een beetje als probleem zie (En ik weet heus wel dat een probleem in je hoofd zit, net als angst. Maar dit voor een andere keer). Ik wilde hier laten zien dat ik mezelf niet als schrijver zie en dat dit geen valse bescheidenheid is maar eerder een frustratie. Hier zou ik willen uitleggen waarom en hoe ik mezelf dan wel noem.

Ook wilde ik aandacht geven aan dat ik voor mijn boek ‘niemand’ was en nu ineens ‘iemand met (óók?) een boek’. En dan over hoe vreemd dit is. Dat je eerst als lezer, toeschouwer en bewonderaar naar optredens gaat, boeken inslaat van je lievelingsschrijver en dat er dan een moment is dat je samen met diegene aan de bar staat met een muntje van de organisatie omdat jullie alle twee moeten optreden. Dat dat gestoord is.

Dat ik daar wild van word. Niet alleen in mijn hoofd maar ook in mijn lijf. Het leek me goed om hier een paar specifieke voorbeelden van te noemen en welke zintuigen er dan overuren draaien.

Het liefst zou ik dan overgaan op de proloog van Roelof ten Napel voor The Chronicles, die (even kort door de bocht) over schrijven gaat en dan zou ik ook een beetje uitleggen hoe ik schrijf.

Ik wilde afsluiten door al het bovengenoemde samen te laten komen in een korte alinea, een concreet einde (terwijl ik geen voorstander ben van een einde, ook niet van een begin) maar dat lukt dus niet. Omdat het simpelweg te veel is en ik over ieder onderwerp goed kan uitweiden. Je zou kunnen zeggen, pak dan één onderwerp…

Ik ben al meerdere malen van mijn laptop weggelopen in de hoop dat wanneer ik terugkwam er een oplossing zou zijn. Maar er komen alleen maar meer dingen bij, die niets met dit bovengenoemde hebben te maken. Zo zou ik graag iets over het interieur van mijn hotelkamer willen schrijven, over het bed, dat dat ding bijna groter is dan de kamer. Dat het hotel naast een bouwput zit, dat de straten in Den haag open liggen, dat het steeds vroeger donker wordt. Maar ook over de ontmoetingen met schrijvers, over het overvallen worden van situaties en je eigen gedrag, over huilen. Misschien ook nog iets over vaders en over dat er net twee mannen waren die knakworsten aten als ontbijt (!?).

Dus eigenlijk zou je kunnen concluderen dat ik begon met een probleem en eindig met een probleem, of meerdere maar dat ik nu toch echt het maximale aantal aan woorden heb bereikt om dit nog enigszins recht te trekken.

 

Hout
20-10-17

Beetje zitten wachten-

Of-

Je hoeft niet letterlijk te zitten, je kan ook je dag, je week, je maand om dat ene

moment heen plannen.

Daar alles aan ophangen-

Situaties schetsen, invullen hoe het zou zijn als-

Wachten is geen beweging-

Of jawel → in je hoofd.

Fysiek gebeurt er niets.

De wachtkamer van de dokter: met je billen op dat zitvlak, je handen over elkaar

geslagen, verveeld door zo’n tijdschrift bladeren of posters scannen die je

bewust maken van al je kwaaltjes.

O, wow, letterlijk: wacht. kamer.

Hopen.

Valse hoop, schijn, teleurstellingen.

Is er iemand die zegt: dat is precies wat ik hoopte?

Ik ken ze niet.

Is hopen wensen?

Ver. wachten= wachten op iets is wat ver weg is.

Het is fijn als je weet wat morgen van je wordt verwacht: je werk, je afspraken, je

etentjes-

Je plant je dagen in.

Is inplannen verwachten?

Is controle hebben hetzelfde als verwachten?

Er zijn mensen die een week vooruit plannen.

Die weten wat er per dag gebeurt.

Een vast stramien.

Die spreken van ‘mijn tijd.’

Veel kunnen niet tegen verassingen, dat durf ik best hardop te zeggen.

Mensen gaan uit van zekerheid.

Toch?

Daarom verzekeringen.

Je kan je tegen alles verzekeren.

Zekerheid als een een bevestiging.

Camera’s.

Jezelf ‘mooier’ maken dan dat je bent.

Staat dromen gelijk aan het hebben van een verwachting?

Eens in bed van een vriendin in Berlijn: ‘Jij zei dat het hier fantastisch is, maar

het is hier hetzelfde als Rotterdam.’

Einde van ons gesprek zei ze: ‘Misschien is het goed om met iemand te praten.’

En ik zei: ‘Ga zelf met iemand praten.’

En in Nederland ging ik toch iemand zoeken waarmee ik kon praten.

Cognitieve gedragstherapie-

Jaja.

Eigenlijk: denk over je eigen denken.

Een soort van: hoe gestoord kan je de mens maken?

Je wordt overbewust van je handelen, hoe je de dingen als vanzelfsprekend

benadert.

Je krijgt oefeningen-

Ik zou hier een paar oefeningen kunnen uitschrijven, maar nee man, wegwezen.

Zo kwam ik erachter dat verwachtingen niet als iets goeds wordt ervaren, of dat

hangt natuurlijk van jezelf af.

‘Je legt de lat veel te hoog.’

Ik leg de lat helemaal niet hoog, hij wordt hoog gelegd.

Dan kan je zeggen: ‘Meisje, maak het je niet zo moeilijk.’

Ja, maar ja-

Maar ja-

Als iedereen van die grote woorden gebruikt.

Misschien dan kan ik ophouden met-

Ik bedoel alles is geweldig, fantastisch, bijzonder, intens, heerlijk,

indrukwekkend, goed of nee, het alleralleralleralleraller beste-

Ik geloof dat ik hoog kan springen, ik ben ook best sterk.

Zowel geestelijk als lichamelijk: ik rek mijn lichaam uit, kronkel waar dat nodig

is, maak me klein, ik pas me aan om hem aan te tikken → hem is die lat.

Dat hout-

Stukken boomschors in het bos.

Een pas gekapte boom, dat nog lekker ruikt.

Brokken hout in een mand naast een houtkachel.

Plintjes in een schuur.

Planken hout rechtstreeks uit een bouwmarkt.

Laminaat dat eigenlijk een afbeelding is van hout.

Verwachtingen heeft misschien iets te maken met eigen waarde-

Ik ben belachelijk goed in het bewonderen van iets of iemand.

Bewonderen is jezelf wegcijferen (toch?).

Kan bewondering aan verwachtingen gekoppeld worden?

Ik heb een paar keer over de website van Crossing Border gescrold-

Zelfs ik ben leuk op die site.

Het hout echt bezitten is me tot op heden niet gelukt (ik ga overigens voor het

mooiste stuk).

Misschien weet ik na vijf november op zijn minst wat voor soort hout die lat

precies is en wie het onder zijn of haar kleren draagt-

en wie absoluut niet.