Gerda Blees
Maar echt
05-11-2017

‘Ik heb nootjes.’

‘Sorry, zo bedoelde ik het niet.’

‘Maar om nou te zeggen dat ik uit Friesland ben gevlucht, of zelfs ontsnapt…’

‘Ik moet zeggen dat het wel enigszins ontregelend was om mezelf als fictie terug te lezen, of hoe zeg je dat.’

‘Hier kan je toch niet op dansen.’

‘Door wie ben je eigenlijk geïnspireerd om die vrouwenmoorden als literaire techniek toe te passen?’

‘Zei ze echt kutgeneratie of zei ze alleen maar generatie?’

‘Die vrouw was zo enthousiast over haar eigen gedicht dat ik de vriendschap heb moeten verbreken.’

‘Nee, maar godverdomme heeft ze wel gezegd, ik zweer het.’

‘Ik had de tram genomen naar Scheveningen.’

‘In New York gaan studeren, dat is pas ontsnappen.’

‘Je hoeft die e-mails toch niet allemaal te lezen, uiteindelijk willen mensen veel liever in het echt met je praten.’

‘Deze orang-oetan zat aan de rand van het bos een doerian te eten in een tuin met fruitbomen.’

‘Oké, twee punten.’

‘Dat meisje zat daar niet op haar gemak, dat zag je.’

‘Iedereen doet het met iedereen. Maar echt.’

‘Zullen we een selfie met dit liedje maken?’

‘Ik wilde voor één keer niet steeds overal op door associëren.’

‘Ik weet nog dat de tram naar Tanthof kwam.’

‘Dat van die titel hadden ze niet gezegd.’

‘Dus de lieve nerd is het ook niet geworden.’

‘Ik geloof wel dat ik jullie nu een stuk beter heb leren kennen.’

‘Niemand kent mij echt.’

‘Schaam je maar niet, het staat allemaal al op internet.’

‘Maar dat van die honing en die rotte vis bedoelde ik als grap.’

‘Opeens liepen er allemaal hele rare types door de wijk. Maar echt raar, weet je. Uit het buitenland.’

‘Iemand nog een snack? Laatste kans.’

‘Ik vind het gewoon echt niet chill als een man mij vertelt wat ik moet doen.’

‘Ik heb nootjes.’

‘Parterre, serre, vide, snap je?’

‘Parterretrap, palindroom.’

‘Oké, twee punten.’

‘Hoe laat vertrekt de lift.’

‘Zij heeft van dat haar waar je de hele tijd aan wilt zitten en dan vraag je er zelf dus ook wel een beetje om.’

‘Niemand kent me echt.’

‘Natuurlijk was ik liever romanschrijver geworden, dan had ik geld kunnen verdienen.’

‘Hoe laat is het ontbijt?’

‘Wordt het nog een keer wintertijd vannacht?’

‘Ik vind dat ik nu al de hele tijd behoorlijk centraal sta.’

‘Misschien begin ik wel telkens mijn zin met ‘ik’ omdat ik wíl dat je geïrriteerd raakt. Ik zeg maar wat.’

‘Mijn banaan is kapotgegaan in mijn tas.’

‘Ik wilde je nog even een hand geven.’

‘Zo kan er toch niemand slapen.’

‘Ik heb nootjes.’

‘Niemand kent me echt.’

‘Soms moet dat.’

‘Dat hekje staat er zo dichtbij dat je haar makkelijk een kus zou kunnen geven, hashtag.’

‘Die andere is grappiger.’

‘Ze lieten ons seks hebben op verschillende plekken tegelijkertijd, ook al liepen ze daarmee het risico om cum shots mis te lopen.’

‘Het is binnen, buiten of onder de grond en je moet kiezen.’

‘Je moet elkaar op zijn minst in verschillende gemoedstoestanden hebben meegemaakt.’

‘Ik begreep het al nauwelijks in het Nederlands.’

‘Luister goed, ik bedoel dit niet positief.’

‘Soms moet dat.’

‘Niemand kent me echt.’

‘Ik was wel geschrokken toen ik het las.’

‘We mogen nog tot kwart over twaalf dingen aanpassen.’

‘Als je iemand in zijn eentje zo zag dansen zou je denken dat hij een stoornis had.’

‘Min twee punten.’

‘Een vriendschappelijke, spuugloze kus in de nek, dat zou toch moeten kunnen.’

‘Vooral de collectieve besluiteloosheid vind ik tekenend.’

‘Toevallig heb je ook echt nog wel zoiets als een binnengrens.’

‘Ik heb nootjes.’

‘Niemand kent me echt.’

Alle verhalen van Gerda Blees
Iets om de mensen op te vrolijken
19-11-17

Blokje, vierkantje, ruitje

Iets verder van de zee verwijderd, maar dichter bij het gras, vraagt Andrea of we de tekst zo zullen vertalen dat de strekking misschien enigszins verschuift maar de toon hetzelfde blijft, of andersom.

Allebei, allebei!

Een ode aan Andrea is hier op zijn plaats. De vertaler is de ware lezer, behept met het heilige geloof in de bedoeling van de schrijver, ook als de schrijver zelf niet altijd zeker weet of die bedoeling werkelijk bestaat. Het is natuurlijk niet zo dat ik de schrijver die ik ben met God zou willen vergelijken, maar als er een Schepper van de wereld was dan zou die misschien ook wel met zijn oren staan klapperen als hij hoorde hoe de mensen de details van wat hij had gemaakt begrepen als cruciale onderdelen van een intentioneel geheel. Terwijl hij of zij misschien ook maar gewoon wat opgeschreven had, bij wijze van spreken.

Maar dan was dát dus de intentie, zomaar wat opschrijven. En dan moet je het dus zo vertalen dat het leest als zomaar opgeschreven. Ik geef het je te doen.

Rondje, cirkeltje, kringetje

Na het festival stuurde iemand me gedichten van een dode dichter, een Engelsman, met een essay erbij waarvan de schrijfster schreef dat de dode dichter altijd zei dat je als schrijver altijd in gesprek bent met de dingen die al zijn geschreven. En het mooie was dat jouw schrijven niet alleen gelezen werd in het licht van wat er al geschreven was, maar dat zodra je het geschreven had, hetgene wat al was geschreven ook in het licht van jouw nieuwe schrijven werd gelezen. Zodat iemand dus, als het ware, kon beweren dat het werk van Borges sterk beïnvloed was door dat van Gerda Blees. Waarbij het waarschijnlijk wel overtuigender zou overkomen als die iemand iemand anders was dan Gerda Blees.

Die dode dichter had dat van die terugwerkende invloed overigens niet van zichzelf, maar van een andere dode dichter, die al veel langer dood was en in wiens essay ik kort daarvoor hetzelfde had gelezen. Tenzij Eliot voorspellende gaven had die hij gebruikte om een perfecte plagiaatmisdaad te plegen.

Genoteerd: magisch realistische roman over dichter met voorspellende gaven die toekomstige dichters plagieert.

Driehoekje, kegeltje, triangeltje

 Ze schrijft zomaar wat op, ze schrijft zomaar wat op!

Borges heeft een keer een fantastisch verhaal geschreven over een loterij, die langzamerhand steeds meer begon te lijken op het echte leven. Maar Shirley Jackson schreef een nog fantastischer verhaal over een loterij, waarin mensen in een dorp via een loterij bepalen wie van hun dorpsgenoten ze gaan stenigen. Nadat het verhaal verschenen was kreeg ze veel boze brieven; mensen wilden weten wat ze er eigenlijk mee bedoeld had. Een maand na de verschijning schreef ze in een krant (dit heb ik van Wikipedia): ‘Explaining just what I had hoped the story to say is very difficult. I suppose, I hoped, …

Daar waar de drie puntjes staan kwam de poging tot uitleg. De reconstructie van een bedoeling die er misschien wel helemaal niet geweest was op het moment van schrijven. In ieder geval niet bewust. Zodat je het ook niet echt een bedoeling kunt noemen, tenzij je zo’n bijzonder begenadigd schrijver bent dat je de lezer ervan weet te overtuigen de betekenis van het woord bedoeling zodanig uit te breiden dat het alsnog een sluitend verhaal wordt.

Jacksons moeder schreef haar (ook dit heb ik van Wikipedia): ‘Why don’t you write something to cheer people up?’

En met die vraag nemen we afscheid.

Maar echt
05-11-17

‘Ik heb nootjes.’

‘Sorry, zo bedoelde ik het niet.’

‘Maar om nou te zeggen dat ik uit Friesland ben gevlucht, of zelfs ontsnapt…’

‘Ik moet zeggen dat het wel enigszins ontregelend was om mezelf als fictie terug te lezen, of hoe zeg je dat.’

‘Hier kan je toch niet op dansen.’

‘Door wie ben je eigenlijk geïnspireerd om die vrouwenmoorden als literaire techniek toe te passen?’

‘Zei ze echt kutgeneratie of zei ze alleen maar generatie?’

‘Die vrouw was zo enthousiast over haar eigen gedicht dat ik de vriendschap heb moeten verbreken.’

‘Nee, maar godverdomme heeft ze wel gezegd, ik zweer het.’

‘Ik had de tram genomen naar Scheveningen.’

‘In New York gaan studeren, dat is pas ontsnappen.’

‘Je hoeft die e-mails toch niet allemaal te lezen, uiteindelijk willen mensen veel liever in het echt met je praten.’

‘Deze orang-oetan zat aan de rand van het bos een doerian te eten in een tuin met fruitbomen.’

‘Oké, twee punten.’

‘Dat meisje zat daar niet op haar gemak, dat zag je.’

‘Iedereen doet het met iedereen. Maar echt.’

‘Zullen we een selfie met dit liedje maken?’

‘Ik wilde voor één keer niet steeds overal op door associëren.’

‘Ik weet nog dat de tram naar Tanthof kwam.’

‘Dat van die titel hadden ze niet gezegd.’

‘Dus de lieve nerd is het ook niet geworden.’

‘Ik geloof wel dat ik jullie nu een stuk beter heb leren kennen.’

‘Niemand kent mij echt.’

‘Schaam je maar niet, het staat allemaal al op internet.’

‘Maar dat van die honing en die rotte vis bedoelde ik als grap.’

‘Opeens liepen er allemaal hele rare types door de wijk. Maar echt raar, weet je. Uit het buitenland.’

‘Iemand nog een snack? Laatste kans.’

‘Ik vind het gewoon echt niet chill als een man mij vertelt wat ik moet doen.’

‘Ik heb nootjes.’

‘Parterre, serre, vide, snap je?’

‘Parterretrap, palindroom.’

‘Oké, twee punten.’

‘Hoe laat vertrekt de lift.’

‘Zij heeft van dat haar waar je de hele tijd aan wilt zitten en dan vraag je er zelf dus ook wel een beetje om.’

‘Niemand kent me echt.’

‘Natuurlijk was ik liever romanschrijver geworden, dan had ik geld kunnen verdienen.’

‘Hoe laat is het ontbijt?’

‘Wordt het nog een keer wintertijd vannacht?’

‘Ik vind dat ik nu al de hele tijd behoorlijk centraal sta.’

‘Misschien begin ik wel telkens mijn zin met ‘ik’ omdat ik wíl dat je geïrriteerd raakt. Ik zeg maar wat.’

‘Mijn banaan is kapotgegaan in mijn tas.’

‘Ik wilde je nog even een hand geven.’

‘Zo kan er toch niemand slapen.’

‘Ik heb nootjes.’

‘Niemand kent me echt.’

‘Soms moet dat.’

‘Dat hekje staat er zo dichtbij dat je haar makkelijk een kus zou kunnen geven, hashtag.’

‘Die andere is grappiger.’

‘Ze lieten ons seks hebben op verschillende plekken tegelijkertijd, ook al liepen ze daarmee het risico om cum shots mis te lopen.’

‘Het is binnen, buiten of onder de grond en je moet kiezen.’

‘Je moet elkaar op zijn minst in verschillende gemoedstoestanden hebben meegemaakt.’

‘Ik begreep het al nauwelijks in het Nederlands.’

‘Luister goed, ik bedoel dit niet positief.’

‘Soms moet dat.’

‘Niemand kent me echt.’

‘Ik was wel geschrokken toen ik het las.’

‘We mogen nog tot kwart over twaalf dingen aanpassen.’

‘Als je iemand in zijn eentje zo zag dansen zou je denken dat hij een stoornis had.’

‘Min twee punten.’

‘Een vriendschappelijke, spuugloze kus in de nek, dat zou toch moeten kunnen.’

‘Vooral de collectieve besluiteloosheid vind ik tekenend.’

‘Toevallig heb je ook echt nog wel zoiets als een binnengrens.’

‘Ik heb nootjes.’

‘Niemand kent me echt.’

Ik, Pink Oculus
04-11-17

Op dat moment vielen er drie vrouwen uit de lucht. Maar anders dan andere vallende vrouwen, vielen ze niet steeds sneller, maar steeds langzamer, zodat ze vlak boven de grond bijna stil kwamen te hangen en ze zonder kleerscheuren konden landen in drie witte stoelen, die op gelijke afstand van elkaar klaarstonden op een groot Perzisch tapijt. Ik kon me niet herinneren ooit zo’n festivalentree te hebben meegemaakt, ik vond het op zijn zachtst gezegd vreemd, maar ik leek de enige in het publiek te zijn die daar last van had, dus ik slikte mijn kreten van verwondering in en luisterde naar de vrouwen, die weliswaar op een opvallende manier gevallen waren, maar er verder niet verdacht uitzagen en gewoon een microfoon gebruikten om zich verstaanbaar te maken.

Ze spraken over verbeelding en realiteit. Ze zeiden dat je het leven soms nu eenmaal het beste kon begrijpen door te vertellen hoe je op een dag in een impotente oude beer veranderd was, of dat er een land was waar vrouwen hun kinderen van gevonden materialen in elkaar knutselden. Ze waren gefascineerd door de vraag wat het betekent vast te zitten in jezelf en ze hadden geprobeerd te achterhalen hoe het echt zou zijn als je een tweede kans zou krijgen om bijvoorbeeld afscheid van je tragisch overleden moeder te nemen, of als je plotseling wakker werd in een ander leven. Als het je werkelijk overkwam, zou het weleens tegen kunnen vallen, dachten ze.

In de tussentijd was het kleed waarop hun stoelen stonden opgestegen; het zweefde zo’n halve meter boven de grond, maar weer leek ik de enige te zijn die daarvan opkeek. En dat was pas het begin van de avond. En ik gebruik nooit drugs. Of eigenlijk moet ik zeggen: ik gebruikte nooit drugs. Ik, Gerda Blees, gebruikte nooit drugs. Maar nu ben ik Pink Oculus.

Hoe ik precies in haar veranderde is moeilijk te beschrijven. Het ging allemaal zo snel. Het ene moment stond ik haar te bewonderen – ze zong iets over wie je wilt zijn, dat weet ik nog wel – en het volgende moment wás ik haar, stond ik op het podium in mijn goudkleurige jurk en zei dat ik Pink Oculus uit Amsterdam was en dat optreden en zingen me gelukkig maakten. Daarna deed ik mijn hoed af en begon ik weer te zingen. Ik voelde me nog gelukkiger dan normaal, totaal onder de indruk van alle geluiden en bewegingen die ik in me had.

Overigens gebruik ik, Pink Oculus, ook nooit drugs. Ik heb wel wat beters te doen.

De rest van de avond is in een waas aan me voorbijgegaan. Ik weet alleen maar dat ik de hele tijd dacht, dit is fantastisch, dit is fantastisch, dit is fantastisch. Moet je zien hoe ik eruit zie. Moet je horen hoe ik praat. Moet je voelen hoe ik me voel. Maar dat kon ik allemaal niet hardop zeggen, want ik ben niet arrogant. Dus heb ik me gedragen zoals ik me altijd gedraag, mijn bandleden met complimenten overladen, nog een drankje met ze gedaan en daarna ben ik naar mijn hotel gegaan, heb mijn kleren uitgetrokken en ben gaan slapen, helemaal naakt in mijn fantastische nieuwe lichaam.

En vanochtend om kwart over negen precies werd ik voor het eerst wakker in mijn nieuwe leven. Ik moet nog een beetje wennen aan de reikwijdte van mijn stem. Ik twijfel over wat ik aan zal trekken; het zou kunnen dat het stijlgevoel van Pink Oculus tijdens de gedaanteverwisseling ergens in het luchtledige is achtergebleven. Maar tot nu toe valt het me niet tegen.

Een leisurely leven
03-11-17

We vertalen. In de hotelkamer hiernaast: een Italiaanse buitenlandambtenaar belt zijn vrouw vanuit het ligbad om haar ervan te verzekeren dat hij daar alleen zit. Even eerder, op straat: twee mannen vertellen een vrouw dat ze naar achter moet stappen, dat de vrouw altijd naar achter hoort te stappen terwijl de man – we raken buiten gehoorsafstand en spreken de hoop uit dat het over dansen gaat. Niet lang daarna het voorbijglijdende raam rond het donkerbruine meisje met de zilveren koptelefoon op haar hoofd, waar verder aan niets toe te voegen valt, zodat het lopende gesprek over de Leidse vestiging van Holliday Inn zijn voortgang kan vinden. En ondertussen, in de kamer hiernaast, nog altijd de bellende stem van de Italiaan, die bij nadere beluistering een Spanjaard is, in gezelschap van twee à drie goedlachse vrienden en enkele klinkende glazen. Nog weer eerder in het restaurant de vraag om wat voor soort cockiness het precies gaat, omdat het precies daarvan afhangt of je het werk van Jorge Luis Borges een klein beetje mag haten. In de tussentijd de poging te ontdekken hoe het precies werkt met geluidsoverdracht door de luchtkanalen tussen de kamers. De verhoogde hartslag die met zelfgecensureerde irritatie gepaard gaat. Vroeger op de avond, boven het voorgerecht, het probleem van de interpunctie, die de schrijver in het Spaans niet toestaat zinnen met eindeloze reeksen komma’s aan elkaar te lijmen. Daarop volgend de gedachte dat dat misschien strikt genomen in het Nederlands ook niet mag, maar van die taal denken we de grenzen goed genoeg te kennen om ze dichterlijk vrij te kunnen overschrijden. En al die tijd de Spanjaarden in de kamer hiernaast, die nu soms ook Engels lijken te praten. De ontdekking van de tussendeur die de aanzwellende lachsalvo’s doorlaat. De angst dat Engels sprekende Spanjaarden de hele nacht lang grappen kunnen blijven maken. Enkele uren daarvoor, wandelend naar het restaurant: de zoektocht naar raakvlakken. Het inschatten van karaktertrekken, groepsdynamica. Het meisje dat lief lacht en weinig zegt, het meisje dat snel afgeleid is, de jongen die het mensen van nature naar de zin maakt. En ondertussen achter de deur het afwisselend Engels en Spaanse gesprek. De toenemende nekkrampen, de op elkaar geknepen tanden, de angst om te handelen zonder te weten wat de etiquette voorschrijft. De behoefte aan advies van Beste Beatrijs. Tegen het einde van de afgelopen middag: aankomst in een hotel in eigen land, een gang vol identieke deuren en de herinnering aan de man die zei dat hotelkamers the worst waren, zonder erbij te vertellen waarvan. Maar nu dan toch het naar slaap snakkende lichaam dat het overneemt en opstaat om de Spaanse buurman te gaan vragen of het zachter mag. De verrassend kleine man die de deur openmaakt en zegt ‘Ah yes, come in! We were just leaving.’ Op de weg terug naar het doorzakkende bed de twijfel over een tekst die bijna alleen uit naamwoordconstructies bestaat. Eenmaal onder het luchtdichte dekbed het boek dat verhaalt van manuscripten die at a leisurely pace werden vertaald. Het verlangen naar een leisurely leven. En dan, als het stil geworden is in de kamer hiernaast, het besef dat dit het misschien wel is.

Prolude (sic)
20-10-17

Ze beginnen zacht, om niet te zeggen zwijgend. Wat we horen komt van buiten, een ruisende verre snelweg, een motor die optrekt, een bellende tram, een roepende stem, onverstaanbaar, ook als we onze oren wijd, nog wijder opensperren. Er fluit een wind langs de ramen, wellicht het begin van een storm uit zee, maar hier bij ons binnen hangt de lucht nog stil tussen de wanden, en achter de zwarte gordijnen klinkt nog vrijwel niets, niets wat we zouden noemen hoorbaar.

Uit de omringende panden dringen overlegstemmen van mensen tot ons door, stemmen met vragende, aarzelende, langzamerhand steeds stelliger, zekerder, definitievere klanken, en soms een overslag van ingehouden paniek. Onder het gepraat horen we de toetsenborden ratelen; de ware fijnluisteraars onder ons kunnen de pennen over het papier, stiften over witte borden horen glijden, de duimtoppen tegen de mobiele telefoons. Gedempte vloerbedekkingstappen; we denken waar te nemen dat de mensen ergens klaar mee zijn, of voor, klaar voor.

Ergens vlakbij ons zwaait een voordeur piepend open en valt weer in het slot. Andere, zwaardere stappen van grotere mensen met spieren en kisten echoën door de gang. Een kar wordt opgeladen, over een drempel gereden – diverse kratten, boxen en andere apparaten komen met een bons op hun voorlopige plaats op de grond terecht. De grote geluiden naderen ons. Een klapdeur vliegt open, klapt dicht en weer open, en dicht, blijft dan open. Ze rijden en rollen en dragen alles de drempel over. Duct tape wordt afgerold – prrrt – afgescheurd – rats – afgerold en afgescheurd – prrt-rats – en opgeplakt, weer losgetrokken – rrrt – en teruggeplakt. Een telefoon rinkelt op zeldzaam ouderwetse wijze, alsof er een grote grijze hoorn met een kringelsnoer aan vastzit. We horen de piepkleine stem van de andere kant vragen hoe laat ook alweer, oké, en wat was het adres, en parkeren. En terwijl de laatste inlichtingen de gang in verdwijnen, begint het, achter de zwarte gordijnen.

Het begint met schuifelende voeten, het rechttrekken van kledingstukken, lichamen die worden uitgerekt, met hier en daar een krakend gewricht, een knappende pees langs een bot – ook achter de gordijnen klinken ze als klaar voor iets, voor het. Er begint iets te tikken, iets wat een andere regelmaat hanteert dan klokken, toetsenborden, regen tegen ramen. Iets met een ritme dat door iemand uitgekozen is. Een tegenritme dient zich aan. Ze beginnen, we horen het duidelijk, daar komt het zachte geruis, als de klank van een overgevoelige luidsprekerbox, maar het is toch gefluister, horen we geen tongpunten tegen verhemeltes tikken, lucht tussen lippen door suizen, twee lippen, of vier, of zeven? Nee, zeven kan niet, dan acht. Iemand probeert een woord, een frase, heel even lijkt het op een melodie. We denken een akkoord te herkennen, een zin, het begin van – ja, of toch niet – en de taal, welke taal – oh trouwens is dit niet dat ene –

Sst! Achter de zwarte gordijnen klinkt een klap – Au! – verontwaardigd gefluister. Stil nou. Maar we zouden – Zacht, we zouden zacht beginnen, bijna zwijgend. Ja maar wat is bijna. Laten we nou – Ja, we gaan beginnen toch. We gaan. Het komt eraan, het komt, het komt, het kom– tssss.