Gerda Blees
Prolude (sic)
20-10-2017

Ze beginnen zacht, om niet te zeggen zwijgend. Wat we horen komt van buiten, een ruisende verre snelweg, een motor die optrekt, een bellende tram, een roepende stem, onverstaanbaar, ook als we onze oren wijd, nog wijder opensperren. Er fluit een wind langs de ramen, wellicht het begin van een storm uit zee, maar hier bij ons binnen hangt de lucht nog stil tussen de wanden, en achter de zwarte gordijnen klinkt nog vrijwel niets, niets wat we zouden noemen hoorbaar.

Uit de omringende panden dringen overlegstemmen van mensen tot ons door, stemmen met vragende, aarzelende, langzamerhand steeds stelliger, zekerder, definitievere klanken, en soms een overslag van ingehouden paniek. Onder het gepraat horen we de toetsenborden ratelen; de ware fijnluisteraars onder ons kunnen de pennen over het papier, stiften over witte borden horen glijden, de duimtoppen tegen de mobiele telefoons. Gedempte vloerbedekkingstappen; we denken waar te nemen dat de mensen ergens klaar mee zijn, of voor, klaar voor.

Ergens vlakbij ons zwaait een voordeur piepend open en valt weer in het slot. Andere, zwaardere stappen van grotere mensen met spieren en kisten echoën door de gang. Een kar wordt opgeladen, over een drempel gereden – diverse kratten, boxen en andere apparaten komen met een bons op hun voorlopige plaats op de grond terecht. De grote geluiden naderen ons. Een klapdeur vliegt open, klapt dicht en weer open, en dicht, blijft dan open. Ze rijden en rollen en dragen alles de drempel over. Duct tape wordt afgerold – prrrt – afgescheurd – rats – afgerold en afgescheurd – prrt-rats – en opgeplakt, weer losgetrokken – rrrt – en teruggeplakt. Een telefoon rinkelt op zeldzaam ouderwetse wijze, alsof er een grote grijze hoorn met een kringelsnoer aan vastzit. We horen de piepkleine stem van de andere kant vragen hoe laat ook alweer, oké, en wat was het adres, en parkeren. En terwijl de laatste inlichtingen de gang in verdwijnen, begint het, achter de zwarte gordijnen.

Het begint met schuifelende voeten, het rechttrekken van kledingstukken, lichamen die worden uitgerekt, met hier en daar een krakend gewricht, een knappende pees langs een bot – ook achter de gordijnen klinken ze als klaar voor iets, voor het. Er begint iets te tikken, iets wat een andere regelmaat hanteert dan klokken, toetsenborden, regen tegen ramen. Iets met een ritme dat door iemand uitgekozen is. Een tegenritme dient zich aan. Ze beginnen, we horen het duidelijk, daar komt het zachte geruis, als de klank van een overgevoelige luidsprekerbox, maar het is toch gefluister, horen we geen tongpunten tegen verhemeltes tikken, lucht tussen lippen door suizen, twee lippen, of vier, of zeven? Nee, zeven kan niet, dan acht. Iemand probeert een woord, een frase, heel even lijkt het op een melodie. We denken een akkoord te herkennen, een zin, het begin van – ja, of toch niet – en de taal, welke taal – oh trouwens is dit niet dat ene –

Sst! Achter de zwarte gordijnen klinkt een klap – Au! – verontwaardigd gefluister. Stil nou. Maar we zouden – Zacht, we zouden zacht beginnen, bijna zwijgend. Ja maar wat is bijna. Laten we nou – Ja, we gaan beginnen toch. We gaan. Het komt eraan, het komt, het komt, het kom– tssss.

Alle verhalen van Gerda Blees
Prolude (sic)
20-10-17

Ze beginnen zacht, om niet te zeggen zwijgend. Wat we horen komt van buiten, een ruisende verre snelweg, een motor die optrekt, een bellende tram, een roepende stem, onverstaanbaar, ook als we onze oren wijd, nog wijder opensperren. Er fluit een wind langs de ramen, wellicht het begin van een storm uit zee, maar hier bij ons binnen hangt de lucht nog stil tussen de wanden, en achter de zwarte gordijnen klinkt nog vrijwel niets, niets wat we zouden noemen hoorbaar.

Uit de omringende panden dringen overlegstemmen van mensen tot ons door, stemmen met vragende, aarzelende, langzamerhand steeds stelliger, zekerder, definitievere klanken, en soms een overslag van ingehouden paniek. Onder het gepraat horen we de toetsenborden ratelen; de ware fijnluisteraars onder ons kunnen de pennen over het papier, stiften over witte borden horen glijden, de duimtoppen tegen de mobiele telefoons. Gedempte vloerbedekkingstappen; we denken waar te nemen dat de mensen ergens klaar mee zijn, of voor, klaar voor.

Ergens vlakbij ons zwaait een voordeur piepend open en valt weer in het slot. Andere, zwaardere stappen van grotere mensen met spieren en kisten echoën door de gang. Een kar wordt opgeladen, over een drempel gereden – diverse kratten, boxen en andere apparaten komen met een bons op hun voorlopige plaats op de grond terecht. De grote geluiden naderen ons. Een klapdeur vliegt open, klapt dicht en weer open, en dicht, blijft dan open. Ze rijden en rollen en dragen alles de drempel over. Duct tape wordt afgerold – prrrt – afgescheurd – rats – afgerold en afgescheurd – prrt-rats – en opgeplakt, weer losgetrokken – rrrt – en teruggeplakt. Een telefoon rinkelt op zeldzaam ouderwetse wijze, alsof er een grote grijze hoorn met een kringelsnoer aan vastzit. We horen de piepkleine stem van de andere kant vragen hoe laat ook alweer, oké, en wat was het adres, en parkeren. En terwijl de laatste inlichtingen de gang in verdwijnen, begint het, achter de zwarte gordijnen.

Het begint met schuifelende voeten, het rechttrekken van kledingstukken, lichamen die worden uitgerekt, met hier en daar een krakend gewricht, een knappende pees langs een bot – ook achter de gordijnen klinken ze als klaar voor iets, voor het. Er begint iets te tikken, iets wat een andere regelmaat hanteert dan klokken, toetsenborden, regen tegen ramen. Iets met een ritme dat door iemand uitgekozen is. Een tegenritme dient zich aan. Ze beginnen, we horen het duidelijk, daar komt het zachte geruis, als de klank van een overgevoelige luidsprekerbox, maar het is toch gefluister, horen we geen tongpunten tegen verhemeltes tikken, lucht tussen lippen door suizen, twee lippen, of vier, of zeven? Nee, zeven kan niet, dan acht. Iemand probeert een woord, een frase, heel even lijkt het op een melodie. We denken een akkoord te herkennen, een zin, het begin van – ja, of toch niet – en de taal, welke taal – oh trouwens is dit niet dat ene –

Sst! Achter de zwarte gordijnen klinkt een klap – Au! – verontwaardigd gefluister. Stil nou. Maar we zouden – Zacht, we zouden zacht beginnen, bijna zwijgend. Ja maar wat is bijna. Laten we nou – Ja, we gaan beginnen toch. We gaan. Het komt eraan, het komt, het komt, het kom– tssss.