Hilde Kugel

Chucks vertelt het verhaal van Mae, die na de dood van haar broertje haar gezin uit elkaar ziet vallen, zich in haar ouderlijk huis niet meer thuis voelt en haar dagen voornamelijk op de Weense straten doorbrengt. Daar ontmoet ze ook haar beste vriendin Tamara, met wie ze onder het genot van drugs en verschaald bier over het leven filosofeert. Haar relatie met de voor Mae net iets te burgerlijke Jakob loopt stuk en als ze een taakstraf krijgt in een aidskliniek, ontmoet ze Paul. Ze wordt verliefd op hem en haar leven neemt een onverwachte wending. Paul laat Mae anders tegen de wereld aankijken, elke dag kan immers zijn laatste zijn. Zoals ze ook iedere dag de rode gympen van haar broer draagt, begint ze als hij steeds zieker wordt haren van hem te verzamelen en probeert ze de lucht in zijn ziekenhuiskamer in een doosje op te vangen. Het is haar strategie tegen het vergeten, want voor de tweede keer in haar leven zal ze een dierbare verliezen.

Het is met name de toon die deze roman bijzonder maakt. Travnicek slaagt erin om het loodzware onderwerp lichtheid mee te geven, waardoor je als lezer niet treurig achterblijft.  Met groot gemak switcht ze tussen humor, tederheid en brutaliteit, zonder sentimenteel of banaal te worden. In deze frisse, onvoorspelbare roman kiest Travnicek haar woorden met zorg en met lef. Maes poëtische, grappige en altijd verrassende observaties doen de lezer steeds weer opkijken.