Roelof ten Napel
Gedaantes
05-11-2017

Wanneer ik in de deuropening kom staan, is het gesprek al aan de gang. Een man, Ross Raisin, vertelt over een coach – denk ik, even later blijkt het gesprek over voetbalcultuur te gaan – die jongens buiten laat staan, ze vertelt zich uit te kleden en hen met een slang besproeit, met koud water, terwijl ze moeten roepen: ik ben niet schuw, ik ben niet verlegen. Raisin heeft het erover hoe de coach die jongens in feite hun emoties af laat leggen, laat afwijzen. Hoe hij ‘broken people’ maakt.

Er zijn dus de hele tijd dit soort gesprekken aan de gang, denk ik kort. Mensen zijn de hele tijd met elkaar aan het praten op plaatsen waar jij niet bent.

Ik wil niet te lang blijven luisteren, ik wil geloof ik niet arriveren, wil hier een soort voorbijganger blijven, iemand die maar net genoeg opving om een beetje te weten waarover het ging.

(Je moet eens opletten hoe vlug je genoeg hebt, genoeg ontvangen hebt om zelf weer door te kunnen. Een paar zinnen, één scène. Over een half jaar schieten de woorden ‘broken people’ me weer te binnen en zullen ze niet meer klinken als uit een weemoedig popliedje, maar zal ik jongens voor me zien die moeten roepen dat ze nergens bang voor zijn. Waarom is dat erg? Wat doet angst met je? Misschien zorgt angst ervoor dat je de wereld in de gaten houdt, dat je erop voorbereid bent dat er dingen gebeuren die je niet verwacht – en misschien zie je die dingen alleen maar als je toch ook altijd, ten minste een beetje, bang bent.)

Ik heb mijn festivalbandje niet helemaal strakgetrokken, zodat hij nog van mijn pols kan. De dagen krijgen er iets katholieks door, omdat ik het nu steeds half-bewust tussen mijn duim en wijsvinger door laat glijden, zoals (stel ik me voor) gelovigen een rozenkrans. Terwijl ik langs de verschillende locaties loop, voel ik me iets van een pelgrim. (Dat is iemand die zoekt, maar niet weet waarnaar, daarom maar een route maakt, zodat in elk geval de omgeving steeds verandert – misschien dient iets zich aan).

Ik kom terecht bij The Grey Space in the Middle, waar een doorlopend programma over strips, cartoons en graphic novels bezig is (de presentator daar blijkt lak te hebben aan het blokkenschema, waarschijnlijk terecht, er valt veel te zien, veel aan de makers te vragen). Ik luister naar een korte geschiedenis van het striptekenen, over de begindagen waarin kranten amper zelf weten wat ze van de tekenaars wilden, waardoor de meest uiteenlopende stijlen kunnen ontstaan.

Uiteindelijk schaf ik een groot encyclopedisch prentenboek aan, geschreven door Floortje Zwigtman en getekend door Ludwig Volbeda, vol fabeldieren (iedereen moet ‘kinder’-boeken kopen, je weet niet wat je mist). Achterin staat een soort disclaimer:

‘Een fabeldier heeft bijna altijd meer dan één naam. Bij het ene volk heet hij misschien ‘de wopperdraf’ en bij het andere ‘de drafwopper’. In het ene land heeft hij drie poten en ogen op steeltjes, in het andere land heeft hij er zes en is hij stekeblind. Bovendien wil de reputatie van een fabeldier weleens veranderen. Werd de wolf in de oertijd gezien als een sterk en dapper dier, later werd hij de ‘grote, boze wolf’ uit onze sprookjes. Een fabeldier kan dus meerdere namen en ontelbare gezichten hebben. En zo is het ook met de fabeldieren uit dit boek. Misschien ben jij weleens een schattige draak tegengekomen, of een Mamu die overtuigd vegetariër is.’

Volgens mij gaat dat niet alleen op voor fabeldieren, maar ook voor gebeurtenissen, die wanneer je ze herinnert steeds weer andere vormen aannemen; en voor vrienden, die misschien heel verschillende persoonlijkheden hebben als ze bij hun ouders zijn; voor plaatsen, misschien, als je er op verschillende dagen komt, het de ene keer regent, de andere niet; misschien voor verhalen, die bij herlezing ineens een extra mond lijken te krijgen.

(Misschien ook voor festivaldagen, die zich met hun lichaam voor elke bezoeker in andere bochten wringen, als een mythische slang – die voor elke bezoeker anders door de stad gekronkeld liggen, een route uitstippelen die voor elke pelgrim weer anders is. Een route langs een mythische slang, zodat je steeds een beetje bang kunt blijven zijn.)

Alle verhalen van Roelof ten Napel
Sjaal
19-11-17

Toen ik ‘s ochtends, de dag na het festival, mijn tas weer pakte, ontdekte ik mijn sjaal te zijn kwijtgeraakt.

Of ja, ‘mijn’ sjaal.

Hij is, of was (ik weet niet welke werkwoordstijd ik eigenlijk moet gebruiken) van Annemarie. Die ontmoette ik de avond van mijn boekpresentatie op een terras in Amsterdam. Ik zat daar behoorlijk te hoesten, omdat ik altijd te laat ben met het wisselen naar mijn winterjas, en een verkoudheid opgelopen had, Annemarie zat naast me en bestelde een grog – dat kende ik niet, maar is een mengsel van heet water, honing, sinaasappelsap en rum. Bovendien: goed voor je keel, vertelde ze. We raakten aan de praat, en toen ze vertrok, gaf ze me haar sjaal.

Die droeg ik sindsdien – maar nu was hij dus kwijt.

Ik bedenk me net dat de hele ervaring er wel op lijkt vertaald te worden. Je raakt een tekst kwijt, die eigenlijk toch al niet precies van jou was (alle taal waarin je schrijft moet je in de eerste plaats krijgen), en zoekt op de plaatsen waar je geweest bent of het er nog ligt.

Je vindt het terug, of niet, maar het is misschien niet precies hetzelfde meer. Je vindt ‘jouw’ sjaal, ‘jouw’ tekst.

Tijdens het vertaalproject rondom The Chronicles struikelden we over een vergelijking met een mus, die je in het Duits niet zomaar kon maken. Ik vergeleek iets met een mus omdat het ‘niets bijzonders’ was, en een mus – in het Nederlands, in elk geval – een icoon van alledaagsheid. Niet dat mussen in het Duits zo bijzonder zijn, maar ze hebben wel meer karakter, ze hebben een bijklank van brutaalheid die in het Nederlands ontbreekt.

Hoe vertaal je dat? Door van mussen meervoud te maken? Door een ander woord voor mus te kiezen? Door de vogel te veranderen?

Ik dacht: alsof die mus, in mijn zin, tijdens het vertalen opvliegt, en je maar af moet wachten wat er terugkomt.

(En dit: dat je je eigen taal pas op dit soort momenten leert kennen. Je hebt geen idee welke zinnen typisch Nederlands zijn, dat ontdek je pas wanneer je ze niet in andere talen zeggen kunt. Het ‘typische’ aan het Nederlands zijn al die verschillen bij elkaar: verschillen met het Duits, het Frans, het Russisch, het Japans, het Zoeloe, het Portugees.)

Goed, genoeg daarover.

Bij het hotel – waar we de avond ervoor nog even in de lobby hadden gezeten – hadden ze niets gevonden. Hoewel het niet op de route lag, wandelde ik toen maar terug naar de plaats waar de afterparty was geweest (compleet met silent disco), waar ik vroeg naar een gebonden sjaal.

– Deze?

Een vrouw hield een mat-roze sjaal omhoog. (Even wilde ik knikken.) Ik zei van niet, de mijne was grijs.

Jammer.

Of nee, wacht – ik was al onderweg naar de deur, toen ze zei dat ze nog iets achter in het kastje met gevonden voorwerpen zag. Het kastje was zwart, eerst viel de sjaal niet op.

Hoera, ‘mijn’ sjaal!

Ja, we moeten onze sjaals aan elkaar kwijtraken! Onze sjaals en onze handschoenen, onze jassen (en onze gedachten, en vragen, en gemoedstoestanden)! Die dan weer verliezen, zonder het door te hebben. Wanneer we het beseffen, teruggaan naar waar we ze het laatst hebben gezien. Verliezen, terugzien, verliezen, terugzien. Opnieuw en opnieuw en opnieuw.

Gedaantes
05-11-17

Wanneer ik in de deuropening kom staan, is het gesprek al aan de gang. Een man, Ross Raisin, vertelt over een coach – denk ik, even later blijkt het gesprek over voetbalcultuur te gaan – die jongens buiten laat staan, ze vertelt zich uit te kleden en hen met een slang besproeit, met koud water, terwijl ze moeten roepen: ik ben niet schuw, ik ben niet verlegen. Raisin heeft het erover hoe de coach die jongens in feite hun emoties af laat leggen, laat afwijzen. Hoe hij ‘broken people’ maakt.

Er zijn dus de hele tijd dit soort gesprekken aan de gang, denk ik kort. Mensen zijn de hele tijd met elkaar aan het praten op plaatsen waar jij niet bent.

Ik wil niet te lang blijven luisteren, ik wil geloof ik niet arriveren, wil hier een soort voorbijganger blijven, iemand die maar net genoeg opving om een beetje te weten waarover het ging.

(Je moet eens opletten hoe vlug je genoeg hebt, genoeg ontvangen hebt om zelf weer door te kunnen. Een paar zinnen, één scène. Over een half jaar schieten de woorden ‘broken people’ me weer te binnen en zullen ze niet meer klinken als uit een weemoedig popliedje, maar zal ik jongens voor me zien die moeten roepen dat ze nergens bang voor zijn. Waarom is dat erg? Wat doet angst met je? Misschien zorgt angst ervoor dat je de wereld in de gaten houdt, dat je erop voorbereid bent dat er dingen gebeuren die je niet verwacht – en misschien zie je die dingen alleen maar als je toch ook altijd, ten minste een beetje, bang bent.)

Ik heb mijn festivalbandje niet helemaal strakgetrokken, zodat hij nog van mijn pols kan. De dagen krijgen er iets katholieks door, omdat ik het nu steeds half-bewust tussen mijn duim en wijsvinger door laat glijden, zoals (stel ik me voor) gelovigen een rozenkrans. Terwijl ik langs de verschillende locaties loop, voel ik me iets van een pelgrim. (Dat is iemand die zoekt, maar niet weet waarnaar, daarom maar een route maakt, zodat in elk geval de omgeving steeds verandert – misschien dient iets zich aan).

Ik kom terecht bij The Grey Space in the Middle, waar een doorlopend programma over strips, cartoons en graphic novels bezig is (de presentator daar blijkt lak te hebben aan het blokkenschema, waarschijnlijk terecht, er valt veel te zien, veel aan de makers te vragen). Ik luister naar een korte geschiedenis van het striptekenen, over de begindagen waarin kranten amper zelf weten wat ze van de tekenaars wilden, waardoor de meest uiteenlopende stijlen kunnen ontstaan.

Uiteindelijk schaf ik een groot encyclopedisch prentenboek aan, geschreven door Floortje Zwigtman en getekend door Ludwig Volbeda, vol fabeldieren (iedereen moet ‘kinder’-boeken kopen, je weet niet wat je mist). Achterin staat een soort disclaimer:

‘Een fabeldier heeft bijna altijd meer dan één naam. Bij het ene volk heet hij misschien ‘de wopperdraf’ en bij het andere ‘de drafwopper’. In het ene land heeft hij drie poten en ogen op steeltjes, in het andere land heeft hij er zes en is hij stekeblind. Bovendien wil de reputatie van een fabeldier weleens veranderen. Werd de wolf in de oertijd gezien als een sterk en dapper dier, later werd hij de ‘grote, boze wolf’ uit onze sprookjes. Een fabeldier kan dus meerdere namen en ontelbare gezichten hebben. En zo is het ook met de fabeldieren uit dit boek. Misschien ben jij weleens een schattige draak tegengekomen, of een Mamu die overtuigd vegetariër is.’

Volgens mij gaat dat niet alleen op voor fabeldieren, maar ook voor gebeurtenissen, die wanneer je ze herinnert steeds weer andere vormen aannemen; en voor vrienden, die misschien heel verschillende persoonlijkheden hebben als ze bij hun ouders zijn; voor plaatsen, misschien, als je er op verschillende dagen komt, het de ene keer regent, de andere niet; misschien voor verhalen, die bij herlezing ineens een extra mond lijken te krijgen.

(Misschien ook voor festivaldagen, die zich met hun lichaam voor elke bezoeker in andere bochten wringen, als een mythische slang – die voor elke bezoeker anders door de stad gekronkeld liggen, een route uitstippelen die voor elke pelgrim weer anders is. Een route langs een mythische slang, zodat je steeds een beetje bang kunt blijven zijn.)

Blindheid
04-11-17

In het Mauritshuis, hier in Den Haag, zag ik een schilderij van Rembrandt waarop de mythische Griekse dichter Homerus was afgebeeld. Homerus was volgens de overleveringen blind, een thema dat veel commentatoren hebben opgepakt.

(Ik bedenk me net dat het Crossing Border festival, door de combinatie van aandacht voor literatuur en muziek, ergens ook blind te noemen is. Al is er wel een blokje over graphic novels.)

Jorge Luis Borges, die het zelf uiteindelijk werd, schrijft in een essay over blindheid dat hij moest wennen aan het gebrek aan duister – aan zwart, eigenlijk – dat we juist vaak aan blinden toeschrijven. Hij noemt de groenblauwe mist waarmee hij nu in slaap valt. Verder is geel, zo zegt hij het, ‘hem trouw gebleven.’ Rood is helemaal verdwenen.

Op een zeker moment haalt hij Oscar Wilde aan, die oppert dat de oudheid Homerus opzettelijk aan ons voorstelt als een blinde dichter, om te benadrukken dat poëzie in de eerste plaats muziek is.

(Ik probeer me, kort, poëzie te herinneren of in te beelden die ik vooral lichamelijk horen wil – als je begrijpt wat ik bedoel – zoals ik ’s avonds de muziek van Pink Oculus vooral lichamelijk horen kan, de groove ervan, de richel waar je met je lichaam in raakt. Alsof je met je armen luistert.)

Borges noemt Wilde’s hypothese ‘waarschijnlijk historisch inaccuraat, maar intellectueel aangenaam.’ Daarnaast merkt hij op dat Homerus’ eigen poëzie toch ook erg visueel is.

Maar daarmee is iets aan de hand.

Ben Lerner haalt, in een stuk over ekphrasis (het beschrijven, in de literatuur, van andersoortige kunstwerken) een passage uit de Illias aan, waarin Homerus het schild van de held Achilles beschrijft. Die beschrijving is zo uitgebreid, dat hij amper nog realistisch te noemen is – geen enkel schild zou zo gedetailleerd kunnen zijn. (Er staat me iets bij dat de beschrijving zelfs niet statisch is, alsof de afbeelding op het schild beweegt.)

‘The verbal,’ schrijft Lerner, ‘while pretending to give life to the visual, often transcends it: words can describe a shield we can’t actually make, can’t even paint. (Just don’t take a shield made out of words into battle.)’

Wat me daaraan intrigeert is dat Lerner niet zegt dat de beschrijving slechts doet alsof het beeldend is, maar dat het, terwijl het dat doet, het overstijgt. Het is niet zozeer dat een beschrijving niet beeldend is, maar dat ons verbeeldende vermogen ons zicht al vlug voorbijstreeft.

Rembrandts schilderij van Homerus lijkt zelf blind te zijn, als ik dat zeggen kan – de figuur is dof, zijn arm loopt in de achtergrond over, zijn ogen zijn lichtloos. Zijn handen hangen voor zijn lichaam, de rechter iets hoger, zoekend, de linker lijkt zijn jas vast te houden. Tussen de handen in zit een zwarte verfvlek waarvan maar moeilijk te zeggen is wat het af zou moeten beelden, wat het zou moeten voorstellen. Alsof Rembrandt de kijker zelf op die plaats blind maakt. Misschien schrijven we blinden dat zwart niet toe omdat we denken dat ze het zien, maar omdat wij niets beters hebben om onze eigen voorstelling van blindheid te beschrijven. We tasten in dat duister, omdat we niet weten wat we zien.

Toen ik naar de vlek keek zag ik ineens, in de rechter onderhoek, een andere hand, een derde, met een pen, en een vel papier, zodat ik begreep dat Homerus in dit schilderij aan het dicteren is.

En opeens kwam Homerus’ blik me anders voor. Ik zag wat Lerner zegt, dat onze verbeelding ons zicht inhaalt. Rembrandt schilderde een turende Homerus, een Homerus die, juist door zijn blindheid, schilden kan zien die niet te schilderen zijn. Om met hem die schilden te kunnen zien, moeten we – en wat dat betreft heeft Wilde gelijk – in de eerste plaats luisteren.

Toont een gedicht ons dan het meest als het ons eerst weet te verblinden?

‘De blindheid die het oog opent,’ schrijft Jacques Derrida, ‘is niet die, die het zicht verduistert. (…) De blindheid die de waarheid van de ogen zelf onthult, is de met tranen bedekte blik.’ De blik van ontroering, misschien – die niet bezig is met kijken, maar zich in de eerste plaats afvraagt: waar komen deze tranen toch vandaan?

Honden, koeien
03-11-17

Ik kom altijd te vroeg aan voor afspraken, min of meer opzettelijk. (Een dag heeft wat mij betreft ruimte voor maximaal drie: ochtend, middag, avond. Als ik toch al ergens zijn moet, wil ik weleens valsspelen en in hetzelfde dagdeel iets vrijblijvends plannen.) Min of meer opzettelijk: ik bedoel dat ik er niet echt mijn best voor doe eerder aan te komen, maar dat ik simpelweg ‘op tijd’ vertrek, zonder daadwerkelijk op de tijd te letten. Dan zie ik verder wel.

Ik zeg dat allemaal eigenlijk vooral om te melden dat ik veel te vroeg aankwam in Den Haag.

We beginnen straks pas, om etenstijd, en ik heb net – de middag is begonnen – m’n reistas uitgepakt, spullen hier en daar op mijn kamer gelegd. Ik schrijf wat. Straks wandel ik nog even.

Ik hoop eigenlijk plaatsen tegen te komen die ik herken van sporadische eerdere bezoeken, waarvan ik nog niet wist dat ze zaten waar ze zitten. Het kost altijd een aantal keren voor een stad zich echt aan je voorstelt. Eerst lijkt de kaart een plat stuk karton, later blijk je daar toch echt een doos van te kunnen vouwen, blijken bepaalde straten aan elkaar te zitten. Dat is wat steden doen, misschien: ze krimpen.

Of ben je het zelf die uitdijt? Een stad als een op de groei gekochte jas.

Ik vind tijdens het wandelen een rij bomen terug, langs het water. Hieronder stond ik zo’n vier of vijf jaar geleden al. (Ook toen was ik te vroeg.) Ik bekijk de kade. Alleen aan dit soort momenten, wanneer je terugkomt op plaatsen waar je maar één of twee keer eerder geweest bent, lang geleden, merk je iets van hoe leven voorbijgaat. Daarmee bedoel ik niet iets zwaars, niet dat mijn leven, jouw leven, voorbijgaat, dat het afloopt – ik heb het niet over sterven. Ik bedoel meer dat het de vorm is waarin we leven steeds aantreffen: voorbijgaand. Zoals onder deze bomen lopen, erlangs lopen, ze voorbijgaan.

Daarnet schafte ik een tweedehands exemplaar van A. Alberts’ De honden jagen niet meer aan. Ik heb het al, nu heb ik het nog eens, het is een erg goed boek, en zulke boeken moet je onverwachts weg kunnen geven.

De honden jagen niet meer gaat over een gezin wiens manier van leven – het is een schippersfamilie – begint te verdwijnen, uit de tijd raakt. Is dat niet fascinerend? Dat je 1) een manier van leven kunt hebben, waarmee je probeert het te bedwingen, wat er allemaal gebeurt, en dat dat 2) je ontglippen kan, die manier, je gewoontes. Terwijl het leven zich maar aan je op blijft dringen. Het kan voorkomen dat je op een zeker moment gewoon niet echt meer bij de wereld past.

Terug op mijn kamer lees ik De koe die over de waal zwom, van Willem Claassen, en nu pas bedenk ik me dat het een soortgelijk boek is als De honden. Claassen groeide op in een boerengezin, en ook dat – boer zijn – is niet simpelweg een baan, het gaat inderdaad om een manier van leven, iets dat het ritme van je hele dag bepaalt.

In een van de fragmenten waaruit het boek bestaat zegt Willems oma hem: ‘Je wordt later zeker ook boer.’

Willem antwoordt: ‘Misschien.’

Ik moet denken aan het moment dat de jongste zoon uit het gezin van De honden als eerste ‘niet intern’ gaat, op de vaarschool. Daarvoor kiest hij zelf. Misschien omdat hij als eerste doorheeft dat hun schippersbestaan langzaam verdwijnen gaat. Hij moet zich op iets anders voorbereiden dan zijn vader, zijn vaders vader, enzovoort (al kan hij niet weten op wat).

Werken
20-10-17

Een aantal jaar geleden kwam er een Amerikaanse schrijver naar Den Haag, naar Crossing Border, omdat een van zijn boeken net in het Nederlands verschenen was. Door volstrekt toeval wist iemand die hem hier opving dat ik zijn werk erg goed vond, en werd me gevraagd of ik hem wilde interviewen. Of wat ik toen heb opgenomen echt een interview is geworden, weet ik niet – de uiteindelijke geschreven versie was veel te lang, we waren simpelweg aan het praten geraakt.

De reden dat ik hem wel wilde interviewen, had ook niet zo veel met zijn boeken te maken – we hebben het amper over de nieuwe vertaling gehad. Het was me uit eerdere interviews duidelijk geworden dat de manier waarop hij sprak en dacht over schrijven me nabij stond. Daarover wilde ik praten.

Ergens aan het begin van het gesprek zei hij dit:

‘Well, the main thing with writing is to develop in yourself an experience that is worthy of depiction. If you live in a city, you can maybe go back and forth between the same three locations again and again and again, and if you mapped all your movements, it would turn out that you’d describe the same route every day, again and again. And that’s not very interesting. If instead of that you are constantly going on outings to walk all around and discover the actual city that surrounds you, you put yourself in the way of fortune, and it is possible to experience new and surprising things.’

En eigenlijk gaat het me alleen al om de eerste zin: ‘the main thing with writing is to develop in yourself an experience that is worthy of depiction.’ Dat zegt in feite ook dat schrijven niet iets is wat je doet, ik bedoel, waarbij je achter een tafel gaat zitten, pen en papier pakt, gebeurtenissen begint te verzinnen.

(Natuurlijk, ook dat schrijven zelf komt erbij kijken, ook het zitten, ook het pennen. Maar daar begint het niet.)

Het is een bezigheid die je niet van je eigen leven kan scheiden. To develop in yourself an experience. Betekent dat niet simpelweg: te leven? Maar leven als een soort werk. Leven als een vorm van arbeid.

Ik ben van mijn schrijven een steeds afwachtendere bezigheid gaan maken. Nadat mijn roman klaar was, ben ik aan de hand van mijn dagboek gaan reconstrueren hoe het gegaan was, het schrijfproces, en kwam ik erachter dat ik in feite maar 14 dagen daadwerkelijk geschreven heb, waarvan 8 echt succesvol – steeds met tussenpozen van ongeveer een maand. Wat ik in die tussenpozen deed, is moeilijk te omschrijven. Ik wachtte tot ik het gevoel had weer in staat te zijn om te zeggen wat ik moest zeggen. Als ik wakker werd met het idee dat dat, die dag, lukken zou, plande ik die dag leeg, en deed ik het – schreef ik.

Een vorm van zelfuitputting, misschien.

Zo’n maand voordat het boek verschijnen zou, struikelde ik over een essay van Marguerite Duras, L’écrit. Ik was vlug aan het bladeren maar zag de titel van mijn eigen boek in een zin staan, waardoor ik even bleef steken. (Zodra je je titel hebt, zie je hem overal opdoemen.) Duras schrijft over leven, over schrijven, dit:

‘Het schrijven steekt op als de wind, het is naakt, het is van inkt, het is het schrijven, en het gaat voorbij zoals niets anders voorbijgaat in het leven, niets meer, alleen het leven zelf.’